Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zindelijk - (schoon, proper)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zindelijk* [schoon] {sin(ne)lijc [verstandig, met de zinnen waarneembaar, natuurlijk, vleselijk] 1461, zinlijk [schoon] 1704} de d is later ingevoegd, maar komt incidenteel al in het middelnl. voor; de huidige betekenis ontwikkelde zich uit die van ‘verstandig’ → zinnelijk.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

zinnelijk

Hoezeer de betekenissen ook verschillen, het staat onomstotelijk vast, dat zinnelijk hetzelfde woord is als zindelijk. In vele woorden heeft zich namelijk ter vergemakkelijking van de uitspraak een overgangsklank d ontwikkeld. In sommige woorden is die klank algemeen aanvaard. Men zegt: klein-kleiner, maar zwaar-zwaarder. Soms is er twijfel: luidt de vergroten- de trap van raar: rarer of raarder? In bepaalde woorden klinkt de d plat, bijvoorbeeld in: fatsoendelijk in plaats van fatsoenlijk. Het Middelnederlands sinlijc nu betekende: verstandig maar ook: met de zintuigen waarneembaar, door de zinnen veroorzaakt, dus: natuurlijk en vandaar: vleselijk, zinnelijk, wellustig. Daarnaast ontstond zindelijk dat zijn huidige betekenis heeft gekregen doordat men in het zindelijk worden van kinderen het bewijs zag dat ze voor rede vatbaar, dus verstandig waren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zindelijk bnw.; de huidige bet. is eerst laat ontwikkeld, met ingevoegde d uit mnl. sinlijc, sinnelijc, zindelijc ‘verstandig, bedachtzaam; met de zinnen waarneembaar; vleselijk, zinnelijk’. — Afl. van zin, zie ook: zinnelijk.

De tegenwoordige bet. is daardoor te verklaren, dat het zindelijk worden van kleine kinderen als een bewijs gold, dat zij voor rede vatbaar waren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zindelijk bnw., in de tegenw. bet. nog niet bij Kil. of mnl. Met ingevoegde d uit mnl. sinlijc (vgl. mnl. mindelijc naast minlijc), dat met de bett. “verstandig (blijkens sinlijcheit v. “verstand, overleg”), met de zinnen waarneembaar, zinnelijk, vleeschelijk” voorkomt (ook al mhd. mnd. en in den Teuth.) en waarop tevens nndl. zinnelijk teruggaat. Laat-mnl. komt reeds de vorm sindelijc voor, met de bet. “zinnelijk”; omgekeerd vinden we de bet. “zindelijk” in de 17. eeuw bij ndl. zinnelijk en nog bij dial. ndd. sinnlik.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zindelijk bijv., met epenthet. d, hetz. als zinnelijk = 1. wat de zinnen behaagt, 2. wie zin in iets heeft.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zindelijk* schoon, proper 1612 [WNT]

zindelijk* (van kinderen en dieren) de natuurlijke behoeften kunnende beheersen 1780 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut