Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zin - (zintuig, gevoel; gemoedsgesteldheid, wil, lust; betekenis; opzichzelfstaande taaluiting)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zin zn. ‘zintuig, gevoel; gemoedsgesteldheid, wil, lust; betekenis; opzichzelfstaande taaluiting’
Onl. sin ‘gedachte, geest, verstand’ in thaz sint thie luttere ande thie scona sinne thero heiligan scriphte ‘dat zijn de zuivere en de mooie gedachten van de heilige schrift’, thaz ich mich erquam in minan gethancon ande in minemo sinne ‘zodat ik opschrok uit mijn diepste gedachten’ [beide ca. 1100; Will.], Thaz er uns then sin habete gegeben ‘dat Hij ons het verstand had gegeven’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. sin ‘gevoel, gemoed’ [1240; Bern.] (in de vorm sen), ook ‘denkvermogen, verstand; zintuig; betekenis; manier, opzicht, richting’ in doe pensde hi jn sinen sinne ‘toen overdacht hij bij zichzelf’ [1260; VMNW], men ginc jn allen sinnen jn wert werpen grote stene ‘men begon uit alle richtingen grote stenen naar binnen te gooien’ [1260-80; VMNW], die ijammerlike noet Die mi uerwegt in allen sinnen ‘de jammerlijke nood die mij kwelt in alle opzichten’ [1265-70; VMNW], die man heuet vif sinne. siin. horen. ruken. tasten inde smaken ‘de mens heeft vijf zintuigen: zien, horen, ruiken, voelen en proeven’ [1270-90; VMNW], ‘betekenis’ in Nuo wil ic v. diesen sin beduden. die karre dat is die ligame van den minsche ‘nu wil u deze betekenis uitleggen: de kar dat is het menselijk lichaam’ [1270-90; VMNW].
Mnd. sin; ohd. sin (nhd. Sinn); ofri. sin (nfri. sin); alle ‘verlangen, gedachte, gemoed, verstand, geest, inzicht, betekenis, bedoeling e.d.’, < pgm. *sinna-. Hierbij hoort ook het sterke werkwoord *sinnan-, waaruit: mnl. sinnen ‘verzoeken, verlangen, begeren’; mnd. sinnen ‘verlangen, streven’; ohd. sinnan ‘verlangen; zich begeven, aankomen’ (nhd. sinnen ‘nadenken’); ofri. sinna ‘van plan zijn, bedoelen’; oe. sinnan ‘zich bekommeren om’.
Pgm. *sinn- < ouder *senn- is verwant met: Grieks (h)anúnai, (h)anú(t)ein ‘volbrengen’; Sanskrit sanóti ‘verkrijgt’; Oudiers seinnid ‘bereiken’; Hittitisch sanahzi ‘zoekt’; bij de wortel pie. *senh2- ‘verkrijgen, bereiken’ (Eichman 1973, LIV 532, Bjorvand/Lindeman). Een andere, vaak genoemde reconstructie is pgm. *sinþna- (o.a. FvW, Seebold 1970, Pfeifer), met vereenvoudiging van -nþn- tot -nn-, waarbij men aanknoping zoekt bij Latijn sentīre ‘waarnemen, ervaren’ (zie → sentiment) en/of bij → zenden en → gezin. Onder andere vanwege de aannames over betekenisontwikkeling die hierbij gemaakt moeten worden, is dit onwaarschijnlijk (Eichman 1973).
Het zn. zin heeft in alle continentaal West-Germaanse talen reeds in de oudste taalfasen veel verschillende betekenissen. De meeste betekenissen zijn goed uit elkaar te verklaren. De Middelnederlandse betekenis ‘manier, richting’ (niet in het Oudhoogduits en het Oudfries, wel in het Middelneder- en Middelhoogduits) is het best te verklaren uit ‘betekenis’ (vergelijk Frans sens dat eveneens een ontwikkeling van ‘gevoel’ naar o.a. ‘betekenis’ en ‘richting’ heeft gekend) en komt vooral voor in combinatie met een voorafgaand voornaamwoord of onbepaald telwoord: in in allen sinnen ‘in alle opzichten, op alle manieren, in alle richtingen’ en met een genitief in anderssins ‘op een andere manier’, gheensins ‘op geen enkele manier’, welcsins ‘waarheen’ enz., zie → alleszins, → enigszins, → geenszins.
Van een betekenis ‘reis, tocht’, die men soms veronderstelt om te pleiten voor etymologische verwantschap met → gezin, ontbreekt elk spoor.
Uit de algemene betekenis ‘betekenis’ ontstonden ook afgeleide betekenissen als ‘inhoud van een taaluiting’ [1585; iWNT] en de huidige taalkundige betekenis ‘reeks van woorden die een opzichzelfstaand geheel vormt en een afgeronde gedachte uitdrukt’, zoals in de sin ten naesten by ‘de zin die er het dichtst bij staat’ [1626; iWNT], Deeze Stip óf tuttel word Punctum genoemd, en dient tót een teken dat de zin der reede uyt is [1712; iWNT].
Lit.: Th.L. Eichman (1973), “Althochdeutsch sinnan ‘streben nach’, sanskritisch san-, sā- ‘gewinnen’, und hethitisch sanḥ- ‘erstreben’”, in: Zeitschrift für vergleichende Sprachforschung 87, 269-271

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zin* [zintuig, gezindheid, begeerte, reeks woorden] {sin, zin [richting, begrip, gedachte, gemoed, zintuig, gezindheid] 1201-1225; als ‘reeks woorden’ 1584} middelnederduits, oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries sin, gotisch sinþs [gang, keer], vgl. oudhoogduits, oudengels sinnan [reizen, streven, peinzen]; buiten het germ. latijn sentire [bemerken, menen, voelen], oudiers sét [weg], tochaars A ṣont [weg]; vgl. de onder gezin vermelde woorden voor weg, vgl. ook zenden; de grondbetekenis was ‘richting’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zin znw. m., mnl. sin m. ‘verstand, begrip, gemoed, zintuig, gezindheid, wil, mening, bedoeling’, mnd. sin, ohd. sin (nhd. sinn), ofri. sin. — Men moet uitgaan van een grondvorm *sinþa, die dan gelijk te stellen is met got. *sinþs ‘gang, keer’, en verder os. sīð, ohd. sint, ofri. sīth, oe. sīð, on. sinn n. sinne n. ‘weg, gang, reis’. — oiers sēt ‘weg’, av. hant- ‘aankomen’, waarbij dan ook lat. sentīire ‘voelen, waarnemen’. — Zie: zinnen, gezin en zenden.

Wat de bet. aangaat is er geen bezwaar voor deze combinatie. De bet. ‘gaan’ is ‘een richting nemen naar’, hetgeen in abstracte zin kan worden tot ‘zijn gedachten een richting doen nemen naar; zijn gedachten richten op’ > waarnemen, voelen, menen. — Parallellen zijn gr. hegeomai ‘leiden’ > ‘menen ‘of lat. invenio ‘vinden, uitdenken’ naast venio ‘komen’ (van Haeringen Suppl. 203).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zin znw., mnl. sin (nn) m. “verstand, begrip, gemoed, zintuig, aandacht, gezindheid, wil, meening, bedoeling”. = ohd. sin (nn; nhd. sinn), mnd. ofri. sin (nn) m. in dgl. bett. De mnl. bett. “manier, kant” (ook mnd.) zijn wsch. secundair en niet de oudere, zooals diegenen, die zin met got. sinþs (zie gezin) combineeren, wel geneigd zijn aan te nemen. Zin is niet te scheiden van lat. sentio “ik voel”; formeel ’t plausibelst is de afl. uit idg. *sent-no-. Dat ook de bij gezin en zenden besproken woorden hierbij zouden hooren en dat de idg. basis sent- dan beteekenen zou “een richting nemen”, vandaar ook “den geest een richting geven”, is niet wsch. Wel kan nog ksl. sęštĭ “verstandig” verwant zijn. Dat germ. *sinna- op *senwo- terug zou gaan en met ohd. snottar, ags. snot(t)or, on. snotr, got. snutrs “verstandig”, gr. nóos “geest, verstand” verwant zijn, is ook mogelijk, maar minder wsch. Zie zinnen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zin. De bet.-ontw. ‘gaan’ >‘bedoelen, begrijpen, menen’ kan door zoveel parallellen worden gesteund (ervaren, lat. invenio ‘ik vind, denk uit’ bij venio ‘ik kom, geraak’, gr. hēgéomai ‘ik ga voor, leid; ik meen’ e.a.), dat het geraden is aan de verwantschap met de bij gezin en zenden genoemde woorden vast te houden. Zie ook zinnen Suppl.
Ksl. sęštĭ ‘verstandig’ bestaat niet; wellicht mag als balt. verwant genoemd worden lit. sintėti ‘besluiten, overwegen’: Fraenkel IF. 49, 219.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zin m., Mnl. sin + Ohd. id. (Mhd. id., Nhd. sinn), Ofri. sin: verbaalabstr. van zinnen, Mnl. sinnen + Hgd. id., Ags. sinnan = reizen, streven, peinzen, geassimil. uit *sinþnan, en dus afgeleid van *sinþan, besproken bij gezin. Zinnen = zich richten naar, d.i. 1. gaan, 2. denken; zin heeft ook die twee bet., evenals het Fr. sens (dans tous les sens, enz.). Omgekeerd kan in sommige gevallen ʼt moderne zinnen een denom. van zin zijn. Volgens sommigen behoort wel zin bij Lat. sentire, maar beide hebben met het oude sinnan en gezin niets te doen.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

zinnen. In de historische eedformule bij Gods zinnen worden God en zijn zintuigen tot getuigen aangeroepen dat men de waarheid spreekt. Het ijdel gebruik van die eedformule maakt haar tot vloek, die, om anderen niet te kwetsen, verbasterd en dus afgezwakt kon worden. In de Middeleeuwen noteerde ik op mijn vijf zinnen. De formule gants sacker sinnen is overgeleverd in Bredero’s Klucht van de koe [1612]. De betekenis is duidelijk ‘bij Gods heilige zinnen of zintuigen’. De lijdensvloeken zijn hoofdzakelijk zeventiende-eeuws (De Baere 1940: 103).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zin ‘zintuig; begrip, gezindheid; verlangen om iets te doen’ -> Deens sind ‘gemoed, geest’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors sinn ‘gemoed, geest, aard’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds sinne ‘zintuig, gemoed, gevoel, aanleg’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect zine ‘kuur, gril; lichte roes’; Negerhollands sin ‘verlangen om iets te doen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zin* zintuig, begrip 1100 [Willeram]

zin* reeks woorden 1584 [Ruijs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

755. Gekruld haar, gekrulde zinnen,

d.w.z. iemand die gekruld haar heeft, is wispelturig: ‘men meende dat kroes of gekrult hair een teken was van een hoofdigen en oploopenden inborst’ (Tuinman I, 34). Vgl. voor dit volksgeloof Barth. 88 a: Ist dat die haren seer cruust ende dicke sijn ende haestelicken wassen, beteykent hette des hoofts ende veel humorenMnl. Wdb. III, 2183. Vgl. het 17de-eeuwsche kroes, opvliegend, en krul, stout, fier, trotsch; zie Lat. Versch. 272.. Bij Campen, 57: kruys haer, kruyse sinnen; bij Idinau, 159:

Ghekronckelt hayr, ghekronckelde sinnen;
Dat siet men in gheesten, van vremden haere,
Die onghestapelde dinghen beminnen
Noch licht en verschieten van quade maere.
Prijst grijs van sinnen, en jonck van iaere.

Vgl. het hd. krauses Haar, krauser Sinn; Krauskopf Brauskopf; de. kruset Haar, kruset Sind; eng. curled heads are hasty; in Groningen: kroes hoar, kroeze zinnen (Molema, 228 b); in het Friesch: krolle hieren, krolle sinnen; oostfri. kruse Hâr un kruse Sinn, spitze Näs un spitzet Kinn, der sitt de Deifel drêmal in (Eckart, 177; Dirksen I, 39); in Zuid-Nederland: krulhaar, dul haar (Joos, 149); gekrolde haren, gekrolde zinnen (Antw. Idiot. 1704); lang haer, lange zinnen (in Kluchtspel, III, 8); zie De Cock2, 32; Volkskunde XXIII, 195; Harreb. I, 268; 270: Vrouwen met gekruld haar hebben wormen in het hoofd (17de eeuw); Wander II, 220.

951. Zooveel hoofden, zooveel zinnen,

d.w.z. zooveel menschen als bij elkander zijn, zooveel verschillende meeningen heerschen er. In het Latijn: quot homines tot sententiae (Otto, 166; Journal, 140; Archiv XIII, 385); dezelfde gedachte vinden we ook reeds bij Homerus. In onze taal is zij eveneens al zeer oud. Vgl. Sp. Hist. I5, 51, 47: Alse menech hovet, alse menege sede ende also menech zin daer mede; Sp. der Sonden, 12462; Dirk Potter's der Minnen Loep IV, 1556: So menech mensche, so menech sin of also menighen wech, alsoo menich hoot (Brab. Yeest. V, 4491); Matth. 56, 27: So menich mensch so menigherhande verstant ende sin; Goedthals, 25: Hoe veel liens, soo veel sinnen, daer vele hoofden syn is differentie, tant de gens, tant de sens; zoo ook in de Prov. Comm. 46: Also menich hooft so menighen sin; Vierl. 93; Idinau, 181:

Daer veel hoofden zijn, daer zijn veel sinnen,
Want elck heefter vijf, of daer-omtrent:
Dit dient de sulcke, die twist beminnen,
Want, daer toont elck sijn bollement.
Een beest met veel hoofden, is t' kettersch serpent.

Zie Suringar, Erasmus, CXCIII; Bebel, no. 380; Harreb. I, 329; Taalgids V, 177 en vgl. het fr. autant de têtes, autant d'avis; hd. viel Köpfe, viel Sinne; eng. (so) many men, (so) many minds; so many dogs, so many kinds; het ital. quanti capi, tanti cervelli; enz. Zie Wander II, 1512; Eckart, 283 en vgl. nog het Friesch: folle hollen, folle zinnen.

2079. Slot noch zin hebben,

d.w.z. hoegenaamd geene beteekenis hebben; eig. geen gegronde reden, noch beteekenis hebben; gezegd ‘van eene rede of een geschrift, waarin een goede zin en samenhang ontbreekt, waarin het een niet op het ander sluit’ (vgl. no. 2081). Het znw. ‘slot’ in den zin van samenhang, logische volgorde komt reeds in het Mnl. voor; zie verder Winschooten, 263: Ten had geen slot: ten sloot niet, de reedenen hadden geen klem; Vondel, Leeuwendalers, vs. 1041: Vergeefme dat ick u bedille, zonder slot. Bij Hooft, Warenar, vs. 307: Heeft dit ook slot? d.i. sluit dit, past dit, is dit betamelijk? Cats, Sp. Heyd, vs. 1939: Vrij wat slots hebben, d.i. zin hebben, eig. wat sluit, overeenkomt met het gezond verstand; Vondel, Bat. Gebroeders vs. 1612: Zonder gront en slot; Sewel 725: Die reden heeft zin nog slot, that's a nonsensical reason; vgl. 17de eeuw: niet sluiten en 't syn. slot noch end hebben. Bij V. Schothorst, 199: dat het geen slot of val (vgl. het 17de-eeuwsche slot noch val hebben). Vgl. fr. n'avoir ni rime ni raison; hd. weder Sinn noch Verstand haben; eng. neither rhyme nor reason; fri. dat praet sit slot noch sin yn; dêr sit slot noch styl yn.

2654. Een mensch zijn zin, is een mensch zijn leven,

d.w.z. als men datgene doet, wat men aangenaam vindt, heeft men genoegen in het leven; wanneer men het ambt zijner keuze waarneemt, doet men dat met genoegen; vandaar: ieder moet weten waar hij trek in heeft; Ndl. Wdb. VI, 550. Vgl. Gruterus I, 115; De Brune, 340:

 Des mensches wil, 't zy arm of rijck,
 Dat is geheel zijn hemel-rijck.

Snorp. I, 27: Een mensch sen sinlickheyt is sen hemelrijck; Coster, 15, vs. 189; W.D. Hooft, Stijve Piet 2 r: Ien mensch syn sinlyckheit, seghme, is ien mensch syn hemelrijck; Tuinman, I, 231; 304: Ymands zinnelykheid is zyn hemelryk, dat wil zeggen, t' is ymands lust, vermaak en genoegen, wanneer hy 't naar zynen zin heeft; W. Leevend, I, 273: Een menschen zin is een menschen leven; C. Wildsch. IV, 303; Harreb. I, 302 b; Taalgids, V, 168; Ndl. Wdb. VI, 560; Waasch Idiot. 764: 's menschen zin is 's menschen leven; Wander, V, 241; hd. die Lust des Menschen oder des Menschen Wille ist sein Himmelreich (Wander III, 288); eng. a man's will is a man's heaven; my mind to me a kingdom is (Byrd); fri. in minske sin is in minske libben.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut