Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zilvermeeuw - (zilverwitte meeuw)

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Zilvermeeuw Larus argentatus Pontoppidan 1763. Groot formaat (zilver)witte Meeuw met een lichtgrijze (zilvergrijze) mantel. In de Lage Landen de meest voorkomende grote Meeuw. Langs de kust een koloniebroedvogel, die de mensen al zeker enige eeuwen kenden als eierleverancier [Houttuyn 1763]. Het benoemingsmotief stamt ws. uit Denemarken, waar de soort ook nu nog Sølvmåge heet (deens sølv ‘zilver’ en måge ‘Meeuw’) en vanwaar Erik Pontoppidan (1698-1774) en de zoöloog Morten Thrane Brünnich (1737-1827) kwamen, die dit ook in de wetenschappelijke naam verwerkten (Lat argentatus ‘verzilverd’ argentum árguros ‘zilver’). (Maar bij Teilmann 1823 is de oudste vindplaats van Sølvmaage [via Schiøler 1925], en daar was het kennelijk de naam voor Larus glaucus (= Grote Burgemeester). Pontoppidan zelf noemt de deense naam Sølvmaage níét; in de opsomming [in Schiøler] staat: “Larus: Graanakke, Canus, Svartbag, Marinus, Sildemaage, Fuscus, Perlemaage, Glaucus, Argentatus, ‘liig Perlemaagen men har mod Enden af de yderste Vingefiaerene en sort Plaet og paa Undernaebet en rød Plaet.’”)
Fries Sulverkob (fries sulver = zilver en Kob = Meeuw) lijkt mooi aan te sluiten bij het deens, maar toch is deze naam ws. afgeleid van de wetenschappelijke naam, rechtstreeks of via het D (in 1844 Silbermöve) of via het N. De Vries (1912 en 1928) geeft nl. een groot aantal verschillende namen voor de Zilvermeeuw in het totale friese taalgebied (inclusief Helgoland), maar daar is Sulverkob, of iets wat daar op lijkt, niet bij. De ouderdom van de volksnamen E Silverback (‘zilveren rug’) en Silvery Gull (in Ierland) [Jackson 1968] is mij niet bekend. Lockwood 1993 bespreekt deze namen niet.
Het motief met ‘zilver’ zit ook in F Goéland argenté (Goëland à manteau gris [Schlegel 1844]), Sp Gaviota argéntea, pools Mewa srebrzysta (pools srebrzysty ‘zilveren’ srebro ‘zilver’), R Serebrístaja Tsjaika, bulg Srebrista Tsjaika, lets Sudrabkaija, litouws Sidabrinis kiras, nieuwGr Láros o ‘arguróchrous, en roemeens Pescarus-argintiu. Zweeds Silvermås wordt door Hennicke 1905 opgegeven als een volksnaam voor de Grote Burgemeester. Inderdaad is die nog ‘zilver-witter’ dan de Zilvermeeuw, zodat het benoemingsmotief oorspronkelijk misschien wel voor die soort gegolden heeft. Dit wordt overigens niet gesteund door de huidige ijsl namen, die nl. luiden: Silfurmáfur ‘Zilvermeeuw’ en Hvítmáfur ‘Grote Burgemeester’.
Ook de wetenschappelijke naam Larus canus (Lat canus ‘(licht)grijs’) zou een goede voor de Zilvermeeuw geweest zijn. Linnaeus hanteerde deze naam ook in 1758, en zo hij er niet uitsluitend de Zilvermeeuw mee op het oog zal hebben gehad, dan toch Storm- en Zilvermeeuw samen! Maar Linnaeus’ omschrijving was zo oppervlakkig (“Larus albus, Dorso cano”) dat men heeft kans gezien de naam uiteindelijk op de Stormmeeuw ↑ toe te passen!
BENOEMINGSGESCHIEDENIS Deze is nog niet zo oud. Schlegel 1852 gaf de naam in cursief op, wat betekende dat het geen onomstotelijk vaststaande, onweerlegbaar ingeburgerde naam betrof (zoals bijv. wél bij hem: DE MANTELMEEUW); dat klopt ook wel, want Sepp & Nozeman hadden in 1789 nog de (officiële) naam Groote Zee-Meeuw gebruikt, evenals B&O 1822 (p.427). Houttuyns opgave (1763 p.144) is van beperkte waarde, omdat hij de namen Gryse [(Zee)Meeuw] en de (bijna algemene) naam ‘Zee-Meeuwen’ vermeldt onder Linnaeus’ Larus canus, die nu als Stormmeeuw wordt betiteld, maar waarvan men toch ook niet met volledige zekerheid kan zeggen dat het de Zilvermeeuw zal zijn geweest (zie boven)! Houttuyns vermelding (p.146) dat de Kastelein van Eijerland (op Tessel) veel voordeel trok van het rapen van Meeuweneieren, zal mogelijk impliceren dat het rapen van eieren (voor de menselijke consumptie) ook op de andere Waddeneilanden toen gebruikelijk was. Daar noemde men de Meeuwen toen Kobben, en het is waar- schijnlijk dat deze naam (veel) ouder is dan Grote Zee-Meeuw of Zilvermeeuw. Het punt is echter dat het niet voor de volle 100% vaststaat, dat het hier om Zilvermeeuwen ging. Houttuyn gaf namelijk op dat het op Texel om Mantelmeeuwen zou gaan (wat zeker niet geloofwaardig is, indien men moest interpreteren: uitsluitend Mantelmeeuwen).
Silver Gull is later ook de naam geworden voor Larus hartlaubii (Bruch) 1853 in westelijk Zuid-Afrika en Larus novaehollandiae Stephens 1826 in Australië en Nieuw-Zeeland; deze naam zou goed onder invloed van N Zilvermeeuw ontstaan kunnen zijn.
Onder Stormmeeuw is uiteengezet dat het benoemingsmotief m.b.t. stormaankondigend gedrag weliswaar bij de Stormmeeuw Larus canus is terechtgekomen, maar dat dit gedrag waarschijnlijker nog feitelijk bij Zilvermeeuwen en/of Drieteenmeeuwen werd vastgesteld. Het feit dat men grote moeite had de verschillende soorten Meeuwen te onderscheiden, verklaart hierbij veel! Namen als Stormmeeuw en Onweersvogel zullen dan ook wel al eeuwenlang (onwetend) (ook) aan de Zilvermeeuw zijn gegeven, wat ook blijkt uit het nog actuele lokale gebruik van dit soort namen (B&TS 1995 p.126,127,128).

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

ZILVERMEEUWLarus argentatus
Duits Silbermöwe
Engels Herring Gull
Frans Goéland argenté
Fries Sulverkob
Betekenis wetenschappelijke naam: zilverwitte meeuw. Een vogel, met veel algemene namen, zoals Zeemeeuw (ZH, Zl), Grote Zeemeeuw, Grote Meeuw (Tex), Sullevermeeuw (Tex), Zjèveugel (ZVl), Zeetuut (Old), Zeeduif (Gr), Maiwe (Gr), Maif (Gr), Mok (Fr) – zie ook bij Noordse Stormvogel – Blauwe Mok (Fr) en Blaumok (Fr) aldus naar de lichtgrijze bovendelen. Zijn officiële naam geeft hem als geheel weer: zilverwit van kleur. De vogel is voorts bekend onder de oude naam Kob (Fr, Gr), met de varianten Kôb (Fr, Gr), Kobbe (Fr, Gr), Koop (Ame), Kôbeler (Fr), Kaab, Kaap (Gr), Kaag (Ame), Kaech (Ame), Kol(le) (Sco), Zeekolle (Sco), Kobmeeuw, Sé-kob(be) (Fr), Zeekob(be) (Gr) en Fiskkob(be) (Fr). Kob(be) is waarschijnlijk afkomstig uit het Oudnoors en een aanduiding voor de zeehond (of rob) naar diens plompe vorm, met inbegrip van z’n ronde kop en korte hals. De Zilvermeeuw heeft een soortgelijk silhouet. Misschien heeft dit woord tevens een betekenis als klanknabootsing gekregen. Het vermelde Kaag kan als klanknabootsend zijn bedoeld. De naam Kokkerd (Wie) doelt op z’n grote haaksnavel. Wanneer men hem Gog(ge) (Goe, ZBW) noemt – net als de Grote Mantelmeeuw – ziet men hem als ‘gulzigaard’. Nu komt hij mede door z’n grote snavel ook wel als een slok-op over wanneer we hem allerlei afval zien eten op b.v. de kade van een haven. Vermoedelijk is Gog van Kog afkomstig, een vogelnaam voor de Kokmeeuw en voor een jonge, eerste-jaars Zilvermeeuw. Zo’n jonge vogel wordt behalve Kog (ZVl) ook Kokmeeuw (Tex) en Klier(meeuw) (Kat) genoemd. Masterfûgel (Fr) is ‘meestervogel’, bijna een burgemeester, wegens z’n imponerend voorkomen. Als Unwearsfûgel (Fr) en Unwearen (Fr) vertoont hij zich meer landinwaarts om al roepende te melden dat het weer aan de kust stormachtig is. Twee namen uit Vlaanderen zijn Blauwvoet (zie ook bij Noordse Stormvogel) en Blokmeeuw, naar z’n robuuste uiterlijk. Matrozen gooien nog wel eens wat overboord wat een meeuw kan gebruiken en zeggen dan ‘dat is voor Gerrit’, welke benaming ten aanzien van de vogel een klanknabootsende ondertoon lijkt te hebben. In havens zitten Zilvermeeuwen vaak op een sluisdeur uit te kijken en dan werd de vogel aangeduid als Duif van de havenmeester (ZVl). De Zilvermeeuw heeft in het volksgeloof vooral bij zeelieden een rol gespeeld. De geesten van verdronken zeevaarders zouden in de vogels huizen. Daarom mochten meeuwen niet gedood worden en moesten een vriendelijke behandeling krijgen. Benamingen van andere bekende in groepen levende dieren zoals ‘duiven’ en ‘hennen’, werden soms voor Zilvermeeuwen gebruikt, vooral omdat deze vogels op onze lachspieren kunnen werken door hun gedrag en manier van kijken. Men bedacht namen met een spottende betekenis, ook voor bepaalde mensen uit de buurt, welke combinatie leidde tot ‘Amelânner hinnen’, ‘Slim syn hinnen,’ ‘Genemudiger’, ‘Harnser boargers’, ‘Brant syn douwe’ en ‘Spiekster hounder’. Wat wij al niet in vogels herkennen! De naam Scandinavische ZilvermeeuwL.a. argentatus dateert uit de laatste jaren en doelt op noordelijke broedvogels, die later in het jaar door ons land trekken of die wintergast zijn.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut