Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zijn - (bestaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zijn 1 ww. ‘bestaan’
Onl. in allvm them unholdum the hira genotas sint ‘alle kwaadwilligen die hun metgezellen zijn’ [791-800; CG II-1, 18], Ic bin arm in treghaft ‘ik ben arm en verdrietig’, uuanda thu bist gethult min herro ‘want u bent mijn verwachting, Heer’, ik uuas befillit allan dag ‘ik werd de hele dag gegeseld’, in ne sulun uuesan ‘en (zij) zullen er niet zijn’ [alle 10e eeuw; W.Ps.], Thin namo is wide gebreydet ‘uw naam is wijdverbreid’ [ca. 1100; Will.], sīn (infinitief) in so nemachtu ouch min drut sin ‘dan kun je ook mijn vriend niet zijn’ [ca. 1100; Will.].
Onregelmatig werkwoord, waarvan de vervoegde vormen in alle Germaanse talen teruggaan op twee of drie verschillende Indo-Europese wortels met verschillende betekenissen:
a) Pie. *h1es- ‘zijn, bestaan’ en de nultrap *h1s- hebben met verschillende uitgangen in het Nieuwnederlands geleid tot de tegenwoordige tijdvormen is (3e pers. ev.), zijn (1e en 3e pers. mv.), zijt (vero. 2e pers. mv.) en de hierbij door analogiewerking gevormde jonge infinitief zijn.
b) Pie. *bhueh2- ‘ontstaan, groeien’ (ablautend *bhuh2- en *bhuoh2-) heeft geleid tot de tegenwoordige tijdvormen met b-: ben (1e pers. ev.), mnl. bist (2e pers. ev.) en het jongere, analogisch gevormde bent (2e pers. ev.). In het Gotisch en het Noord-Germaans worden geen b-vormen gebruikt.
c) Pie. *h2ues- ‘(ver)blijven’ heeft geleid tot de vormen met w- in de verleden tijd (was, waren), gebiedende wijs (wees), het deelwoord geweest, de infinitief → wezen en het bn.gewezen ‘voormalig’.
In het Germaans zijn deze drie wortels in betekenis min of meer samengevallen (maar zie → bouwen < pie. *bhuh2- voor een vroege afsplitsing). In andere Indo-Europese talen is dat veel minder (Latijn, Baltisch, Keltisch) of helemaal niet het geval, en is pie. *h1(e)s- de belangrijkste wortel voor ‘zijn’ gebleven en *bhueh2- die voor ‘ontstaan, worden’.
Nnl. is is verwant met: os. is(t); ohd. ist (nhd. ist); ofri. is (nfri. is); oe. is (ne. is); on. es (nzw. är); got. ist; en buiten het Germaans met: Latijn est (infinitief esse); Grieks estí (infinitief eĩnai); Sanskrit ásti; Avestisch astī; Litouws ẽsti; Oudkerkslavisch jestŭ; Oudiers is. Onl. sint ‘zij zijn’ (al vroeg vervangen door mnl. sijn, nnl. zijn), is verwant met: os. sind; ohd. sint (nhd. sind); ofri. sind; oe. sind; got. sind; en buiten het Germaans met: Latijn sunt; Attisch-Grieks eisí; Sanskrit sánti; Avestisch həṇtī; Oudiers it. De overige presensvormen in het oe., on. en het got. gaan ook op deze wortel terug; voor de 1e pers. ev. zijn dat: oe. ēom (ne. am); on. em; got. im; verwant met: Grieks eimí; Sanskrit ásmi; Oudlitouws esmì; Oudkerkslavisch jesmĭ; Armeens em; Albanees jam.
Oorspr. b-vormen zijn: oe. bēo ‘ik ben’, bēoþ ‘wij/jullie/zij zijn’ en de infinitief bēon (ne. be). De continentaal West-Germaanse b-vormen zijn mengvormen met de uitgangen van *es, bijv.: onl. bim, bin (mnl. bem, ben, nnl. ben), bist; os. bium; ohd. bim (nhd. bin), bist (nhd. bist); ofri. bem, bim (nfri. bin), bist (nfri. bist); oe. bēom. Voor verwante woorden buiten het Germaans zie → bouwen.
Voor de w- vormen zie → wezen 2.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zijn1* [bestaan] {sijn 1200} middelnederduits, oudhoogduits sīn, een jongere onbepaalde wijs, die het oorspronkelijke wezen is gaan vervangen, o.i.v. ww.-vormen die met s begonnen (wij, zij zijn, het zij zo), die stammen van een i.-e. stam es, vgl. hij is, hoogduits er ist, engels he is, latijn est, grieks esti, litouws esti, oudindisch asti [idem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ben 2 1 ps. van het ww. zijn. mnl. bem, ben, bim, bin, onfrank. ohd. bim, bin, os. bium, biun, bion, ofri. bim, bin, bem, ben, oe. biom; deze vormen behoren tot een verbaalstam westgerm. *biu > idg. *bheu̯ō; de vorm is gecontamineerd uit *bheu̯ō met de uitgang van *esmi. — Verwant zijn lat. fio ‘worden, ontstaan’, osk. fiiet ‘fiunt’, fui ‘ik ben geweest’, gr. phúō ‘ik breng voort’, oiers buith ‘zijn’ (IEW 146-150). — Zie verder: bouwen.

zijn 2 ww., mnl. sijn, mnd. ohd. sīn (nhd. sein). Een jongere infinitief (naast het oudere wezen) opgekomen in aansluiting aan vormen als ohd. sint (nhd. sind), aanv. wijs mnl. ohd. , waarnaast met voller stamvorm 3de p. enk. nnl. is en ohd. nhd. ist; van idg. stam *es. vgl. lat. est, gr. estí, oi. ásti naast lat. sunt, sim.

Het ww. is reeds oudgerm. samengesteld uit verschillende stammen; naast idg. *es en *u̯es vinden wij nog b-vormen in de vormen 1 p. enk. ben (zie aldaar).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zijn II ww., mnl. sijn. = ohd. sîn (nhd. sein), mnd. sîn “zijn”. Jongere infinitief naast wezen, in den loop van de ohd. periode opgekomen onder invloed der vormen van ’t ww., die met s begonnen, en die evenals got. im “ik ben”, is, je bent”, ist (mnl. nnl. is, onfr. ohd. nhd. ist, os. is, ist, ofri. ags. eng. is) “hij is” van den idg. wortel es- komen; zoo is got. ist = ier. is, lat. est, gr. estí, russ. jest' (obg. jestŭ met secundairen uitgang), lit. e͂sti, oi. ásti, idg. *és-ti “hij is”; got. im, on. em, ws. eom, angl. eam, am (eng. am) = ier. am, gr. eími, obg. jesmĭ, lit. esmì), arm. em, oi. ásmi, idg. *és-mi “ik ben”. De b van ndl. (ik) ben, mnl. bem, ben, bim, bin, onfr. ohd. bim, bin (nhd. bin), os. bium, biun, bion, ofri. bim, bin, bem, ben, angl. bîom komt van een 1. pers. met anderen uitgang, overeenstemmend met ags. (ws.) bêo, oudws. *bîo, m.a.w. ndl. ben enz. zijn door contaminatie van *im, *em en *biju > *ƀijô ontstaan. Dit *ƀijô komt met ier. -bíu “ik pleeg te zijn”, lat. fîo “ik word”, gr. phĩtu “’t voortgebrachte, spruit”, obg. bimĭ “ik zou zijn”, lit. bit(i) “hij was” van een idg. basis bh(w)î-, een afl. van bhû-, waarover zie bij bouwen. B-anlaut komt in ’t Mnl. Onfr. Ohd. (Nhd.) Os. Ags. ook in den tweeden persoon enk. voor, in ’t Ohd. bovendien in den 1. en 2. pers. mv., in ’t Ags. in alle vormen van ’t praesens, met inbegrip van optatief, imper. en inf. (eng. to be), nnl. in bent, dial. en vulg. in bennen. Zie nog bij gezond.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zijn II ww. Ags. (ws.) eom (angl. eam) heeft tweeklank naar bêo, bîo.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ben 2, 1ste pers. enk. van zijn, Mnl. ben, bem, Os. bium + Ohd. bin (Mhd. en Nhd. id.), Ags. beom, Ofri. bem; komt in ’t Oostgerm. (On., Go.) niet voor + Skr. wrt. bhu = zijn, Zend wrt. bu = zijn, Lat. fui = ik was, futurus = zullende zijn, fio = ik word, Gr. phúein = doen wassen, Alb. buj = vernachten, Oier. ro-boi = was, Lit. buti, Osl. byti, Ru. byt= zijn: Idg. wrt. bheu, van waar ook bouwen. — De slot-n, vroeger m, is een Idg. suff. mi voor den 1sten pers. (z. ís, wezen, zijn).

is, 3e p. praes. van zijn, Mnl. is, Os. is en ist + Ohd. ist (Mhd. en Nhd. id.), Ags. is (Eng. is), Ofri. ist, Go. ist, Ug. *isti + Skr. asti, Gr. ésti, Lat. est, Oier. is, Ru. jesti, Lit. ẽsti: Idg. *esti, van Idg. wrt. es (st. os, zw. s) = bestaan (z. zijn).

zijn 1 ono.w. (wezen), Mnl. sijn + Mhd. sîn (Nhd. sein): gevormd uit het meerv. van het praesens, naar analogie van al de andere werkw., waar infin. en meerv. praesens gelijk zijn: Ndl. wij en zij zijn, Mnl. wi en si sijn, Os. sind + Ohd. sint (Mhd. id., Nhd. sind), Ags. sind, Ofri. send, Go. sijum en sind + Lat. simus en sint: van den zw. gr. van wrt. es: z. is.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zien (ww.) zijn, bestaan; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) sien, Vreugmiddelnederlands sin <1100>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

syn: – syne – , subst. gebr. bes. vnw. (v. sy I); Ndl. (de/het) zijne, vgl. Scho TO 92, 101-2, 106-9.

ware II: in verbg.: as ’t – , asof, as dit sou gewees het; impf. opt. van wees; Ndl. ware (Mnl. ware/waer/were), impf. ind. ekv. was, mv. waren, as onpers. ww. (dus ekv.) opt. (het) ware (WMnl. IX 1756).

was IV: hulpww., impf. tydsvorm v. wees; vgl. Ndl. was (ekv.) en waren (mv.), Hd. war en waren, Eng. was en were, v. verder wees II.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Wie niet voor mij is, is tegen mij, er zijn slechts uitgesproken voorstanders òf tegenstanders; iemands neutrale houding is te beschouwen als een hindernis, als tegenwerking.

'Wie niet met mij is, is tegen mij, en wie niet met mij samenbrengt, drijft uiteen', zo spreekt Jezus volgens Matteüs 12:30 (NBV) tot zijn discipelen. De uitdrukking bevat gewoonlijk het voorzetsel voor in plaats van met.

Luikse Diatessaron (1291-1300), p. 76, 30. Die met mi nin es, hijs iegen mi, ende die met mi nin ghedert, hi schedt.
In de gemeentepolitiek past vijand-denken -- wie niet voor mij of mijn voorstel is, is tegen mij -- niet. (Meppeler Courant, feb. 1995)
Wallage: '[...] Max heeft iets Messiaans. In het Oude Testament staat: van de vier hoeken der aarde zal ik u brengen naar het land dat ik u heb beloofd. Zo is Max van den Berg.' 'Maar het is niet voor niets dat wat de één een Messias vindt, de ander ziet als een valse Messias [...]. In zijn argumentatie zit iets van: wie niet voor me is, is tegen me. Dat roept reactie op.' (De Volkskrant, 15-5-1999, p. 5V)

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

zijn (te + inf.)

‘Deze besluiten zijn voor 1 jan. uit te voeren.’ (Koenen)

Sommige puristen beschouwen het gebruik van zijn + te + infinitief in de zin van ‘moeten + worden + verleden deelwoord’ als een germanisme. Het zou echter evengoed een anglicisme of een gallicisme kunnen zijn.

Slechts een enkel woordenboek heeft dit gebruik van zijn + te + inf. opgenomen, nl. Koenen, die het echter tot de ambtelijke taal beperkt. In de algemene taal is deze constructie inderdaad niet zeer gebruikelijk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zijn ‘bestaan’ -> Negerhollands si ‘bestaan’; Berbice-Nederlands da ‘bestaan’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zijn* bestaan 0776-800 [CG II1 Utr. doopbelofte]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal