Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zijgen - (langzaam neerdalen; filtreren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zijgen ww. ‘langzaam neerdalen; filtreren’
Onl. sigan ‘ineenzakken’ in uuende gesigenero (datief ev.) ‘ineengezakte muren’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. (neder) sighen ‘langzaam neerdalen’ in Dat metten hoefden neder sigen ‘dat voorover zakken van de hoofden’ [1265-70; VMNW], Do seech hem [thoft] nederward. Ende hi gaf den gheest metter vard ‘toen zakte zijn hoofd naar beneden en hij gaf snel de geest’, Ant sighende van mont oliuete ‘bij de helling (het “neerdalende”) van de Olijfberg’ [1285; VMNW], Die coniginne sagen vallen Ende nedersigen met allen ‘de koningin zag hem vallen en helemaal in elkaar zakken’ [1340-60; MNW-R], Seghen si neder in een dal ‘daalden ze af naar het dal’ [1350-1400; MNW-R], ter eerden sighen ‘ter aarde vallen’ [ca. 1483; MNW]; vnnl. in De bekers segen wter hant van dees sluymerige knapen ‘de bekers gleden uit de handen van deze slaperige jongemannen’ [1561; iWNT].
Mnl. sien ‘filtreren’ [1240; Bern.], in men siedet honech ende scumet dar nar ende sient dor .i. cleet ‘men kookt honing en schuimt het daarna af en filtreert het door een doek’ [1287; VMNW], ook ‘druppelen’ Due ... seeg heme dbluet van den hoefde ‘toen druppelde het bloed van zijn hoofd’ [1290-1310; MNW-R], ook met -g- in de infinitief en de tegenwoordige tijd: syghen ‘druppelen’ [1477; Teuth.], in ende sighet dan doer enen doeck ‘en filtreer het (vet) dan door een doek’ [1480-1500; MNW-P].
In zijgen (zeeg, gezegen) zijn door analogiewerking in de 15e eeuw twee Middelnederlandse woorden samengevallen: sighen ‘zakken, langzaam neerdalen’ met stamtijden seech, gheseghen; en siën ‘filtreren, sijpelen’ met stamtijden seech, ghesiët.
Bij mnl. sighen: os. sīgan (mnd. sigen); ohd. sīgan (mhd. sigen); ofri. sīga (nfri. sige); oe. sīgan; on. síga (nzw. dial. siga); alle ‘zakken, naar beneden gaan’, < pgm. *sīgan-.
Bij mnl. siën: mnd. sīen; ohd. sīhan (nhd. seihen, dat zwak is geworden); ofri. sīa; oe. sēon; alle oorspr. ‘filtreren, sijpelen’, < pgm. *sīh(w)an-.
Meestal worden deze beide woorden verklaard als varianten van elkaar met grammatische wisseling: *sīgan- en *sīhan-. Uit de betekenis ‘omlaagdruppelen’ zou dan de algemene betekenis ‘naar beneden gaan’ zijn ontstaan (FvW, NEW, Toll., WNT, EDale). Zo'n betekenisovergang lijkt echter onwaarschijnlijk en zou zich dan al voor de schriftelijke overlevering moeten hebben voltrokken. Bovendien zou ook de oorspr. vervoeging met stamtijden *sīhan-, *saih-, *-sigan- (met grammatische wisseling binnen het paradigma) zich al ongewoon vroeg moeten hebben gesplitst in twee afzonderlijke paradigma's met resp. *-g- en *-h- in het hele paradigma. Seebold (1970: 389) scheidt beide werkwoorden daarom terecht in *sīgan- ‘zakken’ (met stamtijden *saig-, *-sigan) en *sīh(w)an- ‘filtreren’ (*saih-, *-siwan-).
Pgm. *sīgan- is van onbekende herkomst (Seebold 1970).
Pgm. *sīh(w)an- is verwant met: Sanskrit siñcáti ‘uitgieten’; Avestisch hiṇcaiti ‘begieten’; Kerkslavisch sĭcati ‘plassen’ (Pools szczác, Sloveens scáti); < pie. *seikw- ‘gieten’ (LIV 523).
Ook in het Fries vond een samenval van betekenissen plaats in de vorm sige. In het Hoogduits is de betekenis ‘zakken’ geheel verdwenen en betekent het inmiddels zwakke werkwoord seihen alleen ‘filtreren e.d.’; een spoor van de sterke vervoeging en de invloed van de -g- van sigen is het verl.deelw. versiegen ‘uitgedroogd’ met een relatief jonge infinitief versiegen (zwak) ‘uitdrogen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zijgen* [langzaam neerdalen] {sigen, zigen [zinken, neerdalen, druppelen, zijgen, filtreren] 1291-1300} oudsaksisch, oudhoogduits sigan, oudnoors síga [dalen]; buiten het germ. latijn siare [pissen], grieks ikmas, (< ∗sikmas) [vocht], kerkslavisch sĭcati [pissen], oudindisch siñcati [hij (be)giet].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zijgen ww., mnl. sîghen ‘zijgen, neerzinken, hellen, druppelen, door iets laten vloeien’, onfrank. *sīgan (alleen gesigenero ‘inclinato’) os. sīgan ‘zinken, dalen, zich voortbewegen’, ohd. sīgan ‘zinken, dalen’, on. siga ‘zinken, wegglijden’. — oi. sḗcati, siñcáti ‘uitgieten, begieten’, gr. ion. ikmás ‘vocht’, gall. riviernaam Sequana ‘Seine’ van idg. wt. *seiku̯ (IEW 893). — Zie verder: sijpelen, zeiken en zijl.

De idg. wt. is een afl. van *sei ‘druppelen, stromen’; deze bet. moet ook het uitgangspunt zijn. Zij leidt gemakkelijk tot ‘door een zeef laten druppelen’, vgl. nnl. zijgen en nhd. seihen. Uit het omlaagdruppelen ontstond vervolgens ‘naar omlaag glijden, neerzakken’ en daaruit weer die van ‘weggaan’ en ‘voortbewegen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zijgen ww., mnl. sîghen “zijgen, neerzinken, hellen, druppelen, door laten vloeien”. = onfr. *sîgan (gesigenero “inclinato”), ohd. sîgan “zinken, dalen”, os. sîgan “id., zich voortbewegen, optrekken”, ofri. sîga “dalen”, ags. sîgan “id., druppelen, opzuigen, zich voortbewegen, optrekken”, on. sîga “naar beneden glijden, dalen”. De oorspr. bet. was “uitgegoten worden, droppelen”, de bet. “dalen” is jonger; voor de bet. “voortgaan, optrekken” vgl. ndl. afzakken. Met gramm. wechsel mnl. sîen “ziften, filtreeren” (nog nnl. dial.) = ohd. sîhan “id.” (nhd. seihen), mnd. sîen “id., druppelen” (in deze intr. bet. ook mhd. sîhen), ags. sêon “id.”; wellicht echter is zijgen oorspr. hiermee identisch: de ʒ voor χ is dan onder invloed van verl. deelw. en praet. mv. opgekomen. Hierbij nog mnl. sîe (nog dial.; elders, o.a. hagelandsch Antw. zijg, Kil. sijghe), ohd. sîha (nhd. seihe), mnd. sîe, on. sîa v. “zeef” (*sîhôn-), ags. seohhe v. “id.” (*sĭhwôn-). Verwant zijn gr. hīxai· diēthēsai, (Hes.), ikmás “vocht”, ksl. sĭcati “pissen”, oi. siñcáti “hij giet”, wellicht ook gall. Sêquana (*Sêkovana; ê < ei). De basis was eer siq- dan siq-; ’t ags. deelw. siwen moet dan een secundaire vorm zijn. Zie nog bij zijl, zee en zeef.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zijgen. Bij mnl. sîen enz. adde: ofri. *sîa (deelw. esîn) ‘zeven, druppelen’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zijgen ono.w., Mnl. sighen, Onfra., Os. sîgan + Ohd. id. (Mhd. sîgen), Ags. sígan, Ofri., On. síga (Zw. siga, De. sige), gramm. wechsel nevens Mnl. sien, Ohd. sîhan (Mhd. sîhen, Nhd. seihen), Ags. séon, On. sía: Germ. wrt. sīhw = nederdroppelen + Skr. wrt. sic = uitgieten, Osl. sĭcati = pissen: Idg. wrt. sei̯q. Gr. eíbein = neergieten, vertoont een bijvorm wrt. sei̯ɡ.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zijgen, bet. neervallen, van menschen, sneeuwvlokken enz. van den Germ. wt. sihw of sig, Idg. siq: langzaam neervallen. Het intens, is zichten of ziften, eig. melk zijgen, doorzijgen, doch ook van meel en aldus met zeven (z. d. w.) gelijkgesteld.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zijgen* langzaam neerdalen 1291-1300 [CG Luiks Diat.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut