Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zijde - (textiel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zijde zn. ‘textielsoort’
Mnl. side [1240; Bern.].
Vroege ontlening aan middeleeuws Latijn sida ‘zijde’ (FEW 11, 51), westelijk Romaanse nevenvorm van seta ‘id.’, dat teruggaat op klassiek Latijn saeta ‘borstelige haar’, wrsch. door verkorting van *saeta sērica ‘zijden draad’, letterlijk ‘Serische haar’, waarin het bn. Sēricus is afgeleid van de naam Sēres voor een volk in Oost-Azië dat in de oudheid bekend was door het vervaardigen van zijde, zie → serge.
Eveneens aan het middeleeuws Latijn ontleend zijn: ohd. sīda ‘zijde’ (nhd. Seide); nfri. side; oe. sīde. In het ofri. alleen als bn. siden ‘zijden’. Oudfrans sie, saie, soie (Nieuwfrans soie), Spaans seda, Italiaans seta enz. zijn ontwikkeld uit het Latijn.
Latijn saeta is wrsch. ontwikkeld uit pie. *séh2i-to- of sh2éi-to- ‘koord’ en is afgeleid van de wortel *sh2ei- ‘(vast)binden’ (LIV 544), zie → snoer.
Door wegval van de intervocalische -d- ontstond in het Nederlands uit het zn. zijde de nevenvorm zij. Bij het homoniem → zij(de) gebeurde hetzelfde en werd zij, althans in samenstellingen, de gewone vorm. Als gevolg van homonymievrees is de vorm zij als textielnaam in de schrijftaal niet meer in gebruik.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zijde2, zij [textiel] {side 1201-1250} middelnederduits, oudengels side, oudhoogduits sida < latijn saeta [stug haar, borstels van dieren]; saeta voor ‘zijde’ is te zien als de afkorting van saeta serica [Chinese zijde], vgl. latijn sericarius [zijdehandelaar], afkomstig van een oostaziatische taal, vgl. mongools sirkeh [zijde].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zijde 2, zij znw. v., ‘stofnaam’, mnl. mnd. sīde v., ohd. sīda (nhd. seide), oe. sīde v. < mlat. sēda, waarsch. uit lat. sēta Serica ‘Serisch dierenhaar’; de weg van het latijn uit liep wel over de Neder-Rijn (in de 8/9de eeuw) met de bekende overgang van ē > ī. — Uit het nd. stammen lit. žydas, lett. zīds, zīde.

Een ander woord is oe. sioluc, seolc (ne. silk), on. silki, die wel zullen teruggaan op osl. selku, vgl. lit. šilkaì, opr. silkas met overgang van r > l < mongools sirgek vgl. chin. *sir, waaruit ook stammen gr. sēr ‘zijderups’, sērikós, lat. sēricum ‘zijde’. Het is minder waarschijnlijk, dat de balto-slavische woorden uit het gr. zouden afkomstig zijn, zoals Brøndal, Substr. og Laan 182 aanneemt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zijde II, zíj II (stof), mnl. sîde v. = ohd. sîda (± 1000; nhd. seide), mnd. ags. sîde v. “zijde”. Uit rom. *sêda (fr. soie) < vulgairlat. sêta = lat. saeta “dierenhaar”. Voor den vorm vgl. krijt I, pijn I. Nier. síoda, kymr. sidan. “zijde” gaan – wsch. via’t Ags. – op denzelfden vorm terug. On. silki o., ags. seoloc, sioluc m. “id.” (eng. silk) benevens russ. šolk (< *šĭlkŭ), lit. szilkaĩ, opr. silkas “id.” komen van een gemeenschappelijken grondvorm, die wel in Azië te zoeken zal zijn; dan zijn de germ. vormen via ’t Balt.-Slav. ontleend; [een dgl. ontl. via Oost-Europa is on. fîll m. “olifant”;] van gr. sērikón, lat. sêricum “zijde” kunnen wij bezwaarlijk uitgaan. Hiervan komen wel ohd. serih (ê?), ier. siric “id.”. In de eerste eeuw vóór Chr. is de zijde in Europa bekend geworden. Het woord sērikón wordt uit mandsjoersch sirghé verklaard, de volksnaam Sēres is dan bij sērikón gevormd.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zijde II, zij (stof). On. silki, ags. seoloc, sioluc en de balt. en slav. vormen kunnen op gr. sērikón herleid worden, wanneer men aanneemt dat de stof over de Zwarte Zee en Constantinopel naar de Balt.-Slav. volken en Scandinavië is gekomen en vandaar naar Engeland; de l kan dan in een iraans dialect bij de Zwarte Zee in r zijn overgegaan. Zo Brøndal Substr. og Laan 182.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zijde 2 v. (stof), Mnl. side, gelijk Ohd. sîda (Mhd. sîde, Nhd. seide), Ags. síde, Fr. soie, uit Lat. sætam (-a) = sterk dierenhaar (bij den wortel van zeel), dat de bet. van zijde kreeg door de Mlat. uitdrukking sæta serica, d.i. Serisch haar (Lat.-Gr. Sēres = Chineezen). Ohd. serih, Oier. siric = zijde, gaan rechtstreeks op het zelfst. gebr. sericum terug, alsook misschien Osl. šelkŭ, Lit. szilkai, waaruit Skand. silke, Eng. silk = zijde.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zij (zn.) zijde (stof); Vreugmiddelnederlands side <1240>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sy II: draad en weefsel v. bep. wurm; kunsvesel; Ndl. zijde/zij (Mnl. side), Hd. seide via Ll. sēta uit Lat. saeta, “dierehaar”, hou verb. m. Eng. silk.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zijde ‘stof’ (Romaans *seda); ‘grenslijn van een vlakke figuur’ (bet. van Latijn latus)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zijde (stof) van ’t M.-Lat. seta = dierenhaar.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zijde ‘textiel’ -> Zweeds siden ‘textiel’ (uit Nederlands of Nederduits); Creools-Portugees (Batavia) zeida ‘textiel’; Negerhollands sie ‘textiel’; Papiaments sèi ‘textiel’; Sranantongo sei ‘textiel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zijde textiel 1240 [Bern.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

481. Zijn leven hangt aan een zijden draadje,

d.w.z. zijn leven verkeert in groot gevaar; hij kan elk oogenblik het leven verliezen, hij is als het ware nog door een zijden, een dun draadje aan zijn leven verbonden. Reeds de Romeinen kenden de uitdr. tenui filo pendet (Otto, 136; Journal, 131); in het Grieksch zeide men εκ τριχος κρεμαται of ηρτηται, het hangt aan een haar. In de middeleeuwen vindt men bij ons in den Spieghel Hist. I6, 56, 51: Gheluc hanct bi enen drade cleene; Boëth, 54 a: Gheluc des meinschen an einen cleinen brooschen zijdraet ghehanghen es; in de 16de eeuw bij Symon Andriessoon (anno 1540), 50: Aen een zijden draet hanghen, dat is dat in perycul hangt oft dat nau oft periculoos staat. Zie verder Mnl. Wdb. VI, 1052; Suringar, Erasmus, no. LVI; V. Moerk. 379; Huygens VII, 55; Sewel, 190; Vierlingh, 92; 214; 299: Daer hanght soo ons welvaren ende lant aen een sijden draijken; vgl. het oostfri.: 't hangd an 'n siden drâd; het Friesch: syn libben hinget oan in siden tried; Wander I, 913: es hängt an einem Faden; 914: es hängt an eim seidin faden; eng. to hang by a (thin) thread; fr. ne tenir qu'à un fil(et); voor Zuid-Nederland zie Joos, 85; De Bo, 261; Teirl. 360.

2653. Zijde spinnen bij iets,

d.w.z. voordeel van iets trekken, goede winst bij iets maken: zijde te spinnen is voordeelig; hd. Seide (oder Wolle) bei etwas spinnen (Grimm X, 175; 2523); eene uitdr. die aan het spinnewiel ontleend is en te vergelijken is met ergens goed garen bij spinnen (vgl. het verouderde eng. to spin a good thread, succes hebbenIn Zuid-Nederland: Daar is geen goede draad met hem te spinnen, er is met hem niets goeds aan te vangen.; mnl. gelt ute iet cnopen en het lat. emolumentum. Evenals niet van alle vlas goed garen gesponnen wordt, zoo spint men ook niet altijd (goede) zijde van het spinsel der zijderups; dit gold vooral in den tijd, toen de zijde-industrie pas begon, men minder bedreven was en de hulpmiddelen nog zeer onvolkomen waren. Vgl. Goedthals, 103: Men cant niet al te sye ghespinnen, toute grappe de raisin ne vient au presoir vin; Campen, 95: hy salder ghyen syde by spinnen; Mergh, 34: hy en salder geen sy by spinnen; Hooft, Brieven, 293; 474 en 550; Van Moerk. 484:

 Het helpt niet een beet, dat heb ick al gedaen.
 Waerde Pleuntje, daer is geen zy aen hem te spinnen,

d.i. daar is niets met hem te beginnen, niets goeds uit te halen; Lichte Wigger, 13 v; Paffenr. 198; Rusting, 168. Zie nog Geschiedz. I, 282: zyde laden bij iets; Tuinman I, 134; Harreb. II, 502; De Cock1, 224; Joos, 97; Tuerlinckx, 745; Noord en Zuid XXVI, 224 (waar de oorsprong gezocht wordt in een verhaal uit de 16de eeuw) en vgl. het Friesch: hy scil dêr gjin side by spinne of mei bispinne of utspinne; oostfri. dâr schal hê ôk gên sîde bî spinnen; Limb. hij zal er geen wol bij spinnen ('t Daghet XII, 126); Antw. Idiot. 1232: hij zalder niet veul ten (= tinnen kannen en borden) mee op 't schap zetten of hij zal er geen dikke stronten van schijten (Rutten, 223; Antw. Idiot. 1206).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut