Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zijde - (zijkant)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zij(de) zn. ‘kant, flank’
Onl. sīda in Her was ... an eine síde ge gán ‘hij was opzijgegaan’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. side in bet stein[en] ... wurpen si uon in allen siden ‘ze gooiden van alle kanten met stenen naar hem’ [1220-40; VMNW], an desside ‘aan deze kant’ [1224-27; VMNW], een diere swert soe had hi. gegort ane sine side ‘hij had een kostbaar zwaard aangegord’ [1260-80; VMNW].
Os. sīda (mnd. side); ohd. sīta (nhd. Seite); ofri. sīde (nfri. side); oe. sīde (ne. side); on. síða (nzw. sida); alle ‘flank’, < pgm. *sīdōn-.
Men leidt dit zn. meestal af van het bn. *sīda-, waaruit: mnd. sīt ‘laag, nederig’; ohd. sīto (alleen bw.) ‘slap’; ofri. sīde (alleen bw.) ‘laag, diep’; oe. sīd ‘wijd, uitgestrekt, groot; lang afhangend (van kleding, haar e.d.)’; on. síðr ‘lang afhangend’ (nzw. sid). In combinatie met → wijd bovendien de bijwoordelijke uitdrukking mnl. wide ende side [1265-70; VMNW] (nnl. wijd en zijd), mnd. wide ende side en oe. wīde and sīde ‘zich overal uitspreidend’. Het verband tussen al deze betekenissen is niet geheel duidelijk. Volgens Heidermanns is de oorspr. betekenis van het bn./bw. ‘(lang) uitgestrekt’, waarbij dan enerzijds het zn. *sīdōn- ‘flank, uiteinde’ ontstond; anderzijds ging het bn. via ‘uitgestrekt naar onder’ ook ‘lang afhangend’ (oe. en on.), ‘laag, nederig’ (mnd. en oostelijk mnl.) en ‘slap’ (ohd.) betekenen.
Algemeen wordt aangenomen dat deze ruimtelijke betekenissen te verbinden zijn met de bijwoordelijke betekenis ‘laat’ van de wortel pgm. *siþ-/*seiþ- van → sedert, de betekenisontwikkeling zou dan te beschrijven zijn als: ‘lang, uitgestrekt’ > ‘ver voortgeschreden’ > ‘laat’.
Door wegval van intervocalische -d- ontstond uit het zn. zijde de nevenvorm zij. Als eerste lid in samenstellingen is dit de gewone vorm geworden (zijweg, zijstap, zijinstroom enz.). Als simplex is zij daarentegen alleen gangbaar in de betekenis ‘zijkant van de menselijke romp’.
In het Middelnederlands was het woord vrijwel synoniem met het leenwoord → kant 1. In de hedendaagse standaardtaal, na een eeuwenlange concurrentiestrijd tussen beide woorden in verschillende betekenisnuances en vaste verbindingen, is kant in de meeste gevallen het gewone woord geworden en is zijde in veel gevallen een alternatief in een hoger stijlregister, bijv. overzijde naast overkant, zie ommezijde ‘kijk aan de andere kant’, overgaan naar gene zijde ‘sterven’, de zijden van een driehoek. Verder is zij(de) de enige mogelijkheid in afleidingen en als eerste lid in samenstellingen: een zijdelingse beweging, opzijgaan naast aan de kant gaan, enerzijds ... anderzijds naast aan de ene kant ... aan de andere kant, en ontstond er een tautologische samenstelling zijkant ‘flank’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zijde1*, zij [zijkant] {side, zide, sijt 1220-1240} oudsaksisch sida, oudhoogduits sita, oudfries, oudengels side, oudnoors siða; hoort bij zijd (in wijd en zijd) en betekent eigenlijk ‘het lang uitgestrekte’. De uitdrukking de groene zijde [aan de linkerkant]: in de Middeleeuwen was groen de kleur van de vreugde. Tegenwoordig betekent het meestal ‘aan de linkerkant’ maar oorspr., met de betekenis ‘aan de verliefde kant’, was er waarschijnlijk geen voorkeur voor links of rechts.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zijde 1, zij znw. v., ‘flank, kant’, mnl. sīde v., os. sīda, ohd. sīta, sītta (nhd. seite), ofri. oe. sīde (ne. side), on. sīða ‘zijde’, gewoonlijk opgevat als ontstaan uit het begrip ‘uitgestrektheid naar beneden’ (IEW 891) en dan dus afgeleid van zijd.

Samenhang is er zeker tussen beide woorden, maar de semantische verhouding was wellicht anders. J. Trier Lehm 1951, 41 denkt aan een ontwikkeling uit ‘huiswand’ (onder verwijzing naar lat. lātus ‘vlechtwand, zijde’). Men moet dan uitgaan van de idg. wt. *sei ‘binden, vlechten’, waarvoor zie: zeel. Verder gaat hij dan door tot ‘de door een heg omheinde ruimte’, in het bijzonder ‘de dingplaats’, waarvan de uitgestrektheid het woord zijd levert en de daarin heersende gewoonte het woord zede. Af te wijzen is de verklaring van Güntert, WS 11, 1925, 138 die verband zoekt met lat. sinus ‘bocht, zeeboezem’ bij lat. sinus, sinum ‘kom’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zijde I, zij I (flank, kant), mnl. sîde v. = ohd. sîta, sîtta (nhd. seite), os. sîda, ofri. ags. sîde (eng. side), on. sîða v. “zijde”. Bij zijd. Oorspr. bet.: “het lang-gestrekte”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zijde I, zij (flank, kant). Minder wsch. Güntert WuS. 11, 138, die het van de groep van sedert scheidt (over de verhouding tot zijd spreekt hij zich niet uit) en verwant acht met het lat. sinus ‘bocht, (zee)boezem’, dat hij bij lat. sínus, sînum ‘kom’ brengt. Zie nog bij berm Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zijde 1 v. (kant), Mnl. side, Os. sída + Ohd. sîta (Mhd. sîte, Nhd. seite), Ags. síde (Eng. id.), Ofri. síde, On. síđa (Zw. sida, De. side), behoort bij het vorige zijd, met de bet. het naar de laagte uitgestrekte.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zij (zn.) zijde, zijkant; Vreugmiddelnederlands sida <1151-1200>.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

zijde 'kant'
Onl. sîda, mnl. side, ofri. sîde, os. sîda, ohd. sîta, oe. sîde, ono. síða, alle 'zijde, flank'. In het bijzonder ter aanduiding van de 'oever van een rivier' dan wel de 'bebouwing langs de rand van iets'. Synoniem van kant. In bijvoeglijke vorm als eerste deel van een samenstelling in de betekenis 'laag, diep', ter onderscheiding van hoog, vergelijk 1368 opten hoghen ende in den siden (bij Meppel, D)1.
Lit. 1NGN 7 (1930) 4.

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

zij (2). In de 17de eeuw en dan nog alleen bij Bredero zwoer men by men sy ‘bij mijn zijde, bij de zijdewond van Christus’. Zweren op delen van het lichaam is niet blasfemisch, maar zet wel kracht bij aan iemands uitspraken. De formule werd tot uitroep. → lanke.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zijde, zij ‘zijkant; flank van het lichaam’ -> Ambons-Maleis sèi ‘zijkant’; Kupang-Maleis sèi ‘flank van het lichaam’; Menadonees sèi ‘flank van het lichaam’; Menadonees sey, sèi ‘zijkant’; Ternataans-Maleis sèi ‘flank van het lichaam’; Negerhollands sie, śi ‘zijkant’; Papiaments zei ‘flank van het lichaam’; Sranantongo sei (ouder: si) ‘zijkant; flank van het lichaam’; Saramakkaans se ‘kant, richting’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zijde* zijkant 1220-1240 [CG II1 Aiol]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

735. De groene zijde,

eig. de verliefde zijdeZie J.v. Ginneken in Leuv. Bijdr. X, 84: Groen staat in het midden tusschen het rustige blauw en het opwekkende geel, het duidt dus op vreugde en vrede; in de noot is aangehaald Wackernagel, Kleine Schriften, I, 205: Grün in der Blumensprache des Mittelalters bezeichnete den fröhlichen Anfang der Liebe und den Freudenbeginn. Es war die Farbe der Freude überhaupt., doch gewoonlijk verstaat men hieronder iemands linkerzijde; hier en daar ook de rechterzijde (in Friesland). Waarschijnlijk zal het eene benaming geweest zijn voor éene der beide zijden, onverschillig welke, daar het ook in de 17de eeuw nu eens de eene dan weder de andere kan beteekenen. Zie Ndl. Wdl. V, 829, waar o.a. geciteerd wordt Horae Belgicae II, 20:

Gheraert van Velsen, mijn lieve man,
nu isset al verloren
te slapen onder mijn groene sijd;
graef Floris heeft mijn eer ghenomen.

Vgl. verder Huygens I, 175:

Lick en pap-pot met twee oortgies
Hadd' jck d'iene en d'aere hangt
In men groene sy eplangt.

Brederoo, Moortje, vs. 184; Hooft, Verl. Soon, 12; in het Deensch saette sig ved ins grönne side (Nyrop, 112): hd. die grüne Seite.

1508. Zijn mes snijdt aan twee kanten (of aan twee zijden),

d.w.z. hij verdient aan beide kanten, op twee manieren geld; door één bedrijf weet hij op twee manieren winst te maken, ook fig.; een uitdrukking ontleend aan een ploegijzer of aan een (pens)mes. Zie Kluchtspel II, 20: Aan beiden de canten soo snijt nu onsen ploech; Doedyns, Merc. I, 57: Hy geeft advysen aan de twee partyen: dan snyt het mes weêrzyds; Gew. Weeuw. III, 53; Snorp. 38: Se meugen nou allebey vissen en veugelen, so speulense strijck en set, daer 't mes an beye zijen snijt, daer valt het varcke wel te keelen; Tuinman I, 132: Zyn mes snyd aen weêr zyden, dat is, hy doet aan beide kanten winst; Halma, 347: Zijn mes snijd aan twee zijden, hij wint aan beide kanten, il gagne de deux côtés,; Sewel, 486; Waasch Idiot. 433: Zijn messen snijden langs twee kanten, van beide kanten trekt hij voordeel. In 't Daghet XII, 191: Zijn mes snijdt langs twee kanten, 't is een valschaard, eene beteekenis, die ook door Halma en in het Antw. Idiot. 809 wordt vermeld (vgl. fr. un couteau de tripière, een dubbelhartig mensch); Harreb. I, 380; Kalv. I, 113: Eén perceel maar met twee winkels; dan sneed het mes dubbeld; Nkr. II, 1 Maart, p. 2; Het Volk, 7 Nov. 1913, p. 1, k. 1: Zoo snijdt het mes van twee kanten: men houdt arbeiders en reaktionaire heeren beide zoet; Zondagsbl. v. Het Volk 1906, p. 150: Voor de socialisten is het een mes dat aan twee kanten snijdt, 1o. verlengen ze de noodlottige tweespalt, 2o. maken ze reklame; Nkr. IX, 29 Mei, p. 2; 17 Juli, p. 2; Handelsblad, 21 Juli 1915 (ochtendblad) p. 2, k. 6: En aangezien er natuurlijk evengoed onverstandige bevelhebbers als onredelijke soldaten worden gevonden in een leger, dat zich nu al bijna een jaar verveelt, snijdt het klachtenmes bij Oorlog aan twee kanten en spetteren bij elke nieuwe gelegenheid den Minister van Oorlog de splinters om de ooren. Vgl. ook Afrik.: Die mes sny na albei kante toe; fri. syn mês snijt oan twa (of oan alle) kanten; eng. a knife that cuts both ways (Prick, 1306).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut