Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zien - (met het oog waarnemen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

zien ww. ‘met het oog waarnemen’
Onl. sian ‘zien, kijken’ in wa her seluo ... sihet uz then uenstron ‘waar hij zelf uit de vensters kijkt’, ich ther ... siho ouch uilo uasso ‘ik die ... ook erg scherp zie’ [beide ca. 1100; Will.]; mnl. sien ‘zien, kijken’ in [di] [g]esien hadden di teiken ‘die deze tekenen hadden gezien’ [1200; VMNW], Siet op mi ‘kijk naar mij’ [1265-70; VMNW].
Os. sehan (mnd. sēn); ohd. sehan (nhd. sehen); ofri. sia (nfri. sjen); oe. sēon (ne. see); on. sjá (nzw. se); got. saihwan; alle ‘zien’, < pgm. *sehwan-.
Wrsch. verwant met: Oudiers rosc ‘oog’ (< *pro-sekw-?); Hittitisch sakuwa ‘ogen’, sakuwai- ‘zien, kijken’; Tochaars A/B šotre/šotri ‘tonen’; < pie. *sekw-. Er bestaan twee andere groepen woorden die eveneens worden teruggevoerd op een wortel *sekw-. Eén met de betekenis ‘volgen, zich aansluiten’ (LIV 525): Latijn sequī (verl.deelw. secūtus) ‘volgen’ (zie ook → seconde); Grieks hépesthai ‘volgen’; Sanskrit sácate ‘begeleidt’; Litouws sèkti ‘vervolgen’. En één met de betekenis ‘vertellen, zeggen’ (LIV 526), waarvoor zie → zeggen. Of deze drie groepen samenhangen is onduidelijk. Vroeger werd algemeen aangenomen dat de betekenis van de stam zich van ‘volgen’ via ‘met de ogen volgen’ tot ‘zien’ (eventueel onder invloed van de wortel pie. *h3ekw- ‘oog’, zie → oog) ontwikkeld had, maar het is niet erg waarschijnlijk dat een zo algemeen en primair ww. als zien secundair zou zijn bij het abstracte volgen. Zeggen zou een causatief bij zien kunnen zijn, met een betekenisontwikkeling van ‘laten zien, aantonen’ naar ‘beweren, zeggen’, die ook bij Latijn dicere plaatsgevonden heeft. Bjorvand/Lindeman veronderstellen daarentegen dat het Germaanse woord voor ‘zien’ teruggaat op de wortel *h3ekw- ‘oog’, zie → oog, die dan in het Germaans met een s-mobile uitgebreid zou zijn. Daar pie *h3e > *o > pgm. *a, zou het werkwoord oorspronkelijk een perfectieve vorm zijn, dus pie. *s-ókw-e ‘zag’ > got. sahw, waarbij dan later een presensvorm met e-vocalisme gevormd zou zijn: pie. *sekw-e-ti ‘ziet’ > got. saíhw.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zien* [met het oog waarnemen] {sien 1200} oudsaksisch, oudhoogduits sehan, oudfries siā, oudengels seon, oudnoors sjā, gotisch saihwan; buiten het germ. hettitisch šakuwa [(mv.) ogen], albaans soh [ik zie], mogelijk ook russisch sokol [valk (het scherp ziende dier)]; heel misschien is de i.-e. stam waarop ‘zien’ teruggaat latijn sequi [volgen], grieks hepesthai < ∗sepesthai [idem], oudiers sechithir, litouws sekti; wat de betekenis betreft is overeenstemming tussen ‘zien’ en ‘volgen’, ook ‘achternajagen’, niet ondenkbaar.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zien ww., mnl. sien, os. ohd. sehan (nhd. sehen), ofri. siā(n), oe. sēon (ne. see), on. sjā, got. saihwan. — miers arsecha ‘hij zou ons zien’, oiers rosc m. ‘oog, blik’ (< *pro-sku̯o), hett. sakuu̯a- o. mv. ‘ogen’, toch. A šotre, B. šotri (< *seku̯-tr-) ‘teken’ van de idg. wt. *seku̯ ‘bemerken, zien, tonen’, oorspr. ‘ruiken, opsporen’ (IEW 897-8). — Zie: gezicht en zicht 2.

Naast de bet. ‘zien, tonen’ staat ook die van ‘spreken’, waarvoor zie: zeggen (Uhlenbeck PBB 29, 1904, 336 heeft elk verband tussen deze woorden afgewezen; maar wel ten onrechte). — Naast deze wt. *seku̯ staat een homoniem met de bet. ‘volgen’, vgl. lat. sequor, gr. hépomai, oi. sacate, oiers sechithir (voor het germ. vgl. os. segg, oe. secg, on. seggr ‘man van het gevolg’, ohd. beinsegga ‘pedisequa’. Men heeft beide willen verbinden en dan ‘zien’ opgevat als ‘het met de ogen volgen’. Men zal beide homoniemen niet graag willen scheiden, te meer omdat zij ook semantische aanrakingspunten vertonen; vgl. lit. sekù, sèkti ‘volgen; ruiken, op het spoor komen’, die wat de laatste bet. betreft, zich geheel aansluit aan die van het andere *seku̯. Men heeft beide begrippen uit de situatie van de jacht willen afleiden (nog van Ginneken, Taaltuin 2, 1933-4, 177-8) en dit heeft althans het voordeel, dat men van een concrete situatie uitgaat. Men moet dan echter niet zeggen, dat voor de jager zien en achtervolgen één is, maar bedenken, dat voor de met zijn hond jagende man op de achtervolging van het wild zowel het ruiken als het zien een bepaalde functie heeft. — Voor andere onwaarschijnlijke verklaringen Feist Et. got. Wb. 405. — Een oud abstractum met gramm. wiss. is *segwni in mnl. sûne o. siene v. o., os. siun, mhd. siune, ofri. siōne, siūne, oe. sīen, on. sjōn, sȳn, got. siuns v. ‘oog, gezicht’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zien ww., mnl. sien. = ohd. sëhan (nhd. sehen), os. sëhan, ofri. siâ(n), ags. sêon (eng. to see), on. sjâ, got. saíhwan “zien”. Verwant met ier. ar-secha “he should see us well”; — hierbij alb. šoh “ik zie”? en russ. sókol, sokól “valk” (oorspr. “scherpziend”)? Onzeker. Verder hebben sommigen dit idg. seq- met de basis van zeggen geïdentificeerd (vgl. ndl. opmerken “waarnemen, zien” en “zeggen”), anderen met die van ier. sechithir “hij volgt”, lat. sequor, gr. hépomai, lit. sekù “ik volg”, oi. sácate, -ti “hij volgt” (waarbij uit ’t Germ. wsch. ags. secg, on. seggr m. “man, krijgsman” = lat. socius “bondgenoot, makker”); geen van beide wsch. Andere voorgeslagen combinaties (: ier. sell “oog”; —: idg. oq-, zie oog) zijn onjuist. Hierbij nog zicht II, gezicht, met gramm. wechsel (ʒw > w) os. siun, ofri. siône, siûne, ags. sîen, on. sjôn, sŷn, got. siuns v. “gezicht” (en verwante bett.), mhd. siune o. “id.”, mnl. sûne o., gew. siene v. o. “oog, gezicht” (met ie naar zien).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zien. De aardige inval van Hirt IF. 37, 232 (vgl. ook o.a. Idg. Gr. II, 149), dat zien met schouwen verwant zou zijn — idg. *seqw-, resp. *sqou̯- beide ablautsfasen van een basis *seqeu̯-, *seqou̯ — kan ons toch niet verleiden de zozeer voor de hand liggende gangbare combinatie van schouwen op te geven. — De verwantschap met ier. sechithir en de andere woorden voor ‘volgen’ staat voor v.Ginneken Taaltuin 2, 177 vlg. buiten twijfel: zien zou ospr. een jagerwoord geweest zijn en voor den jager zijn zien en achtervolgen één!

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zien o.w., Mnl. sien, Os. sehan + Ohd. id. (Mhd. sehen, Nhd. id.), Ags. séon (Eng. to see), Ofri. siá, On. sjá (Zw., De. see), Go. saiƕan: Germ. wrt. sehw, Idg. seq, homon. met wrt. seq = volgen, zoodat beide misschien te vereenzelvigen zijn met de bet. volgen met de oogen + Skr. wrt. sak = geleiden, Gr. hépesthai, Lat. sequi, Oier. sechur, Lit. sekti = volgen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zien (ww.) zien, waarnemen; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) sien, Vreugmiddelnederlands sian <1100>.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

ze (ZO), tussenw.: zie. In woordgroepen als hier ze, daar ze, kijk ze, 'k ga ze. Vermoedelijk verdofte vorm van zie. Ook in het Hollands komt een dergelijk ze, se voor.

zien (W), zn. o.: oogappel, pupil. Ook Wvl. Gesubstantiveerd ww. zien.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

zien 2 (DB, K), zn. o.: oogappel, pupil. Gesubstantiveerd ww. zien. Dim. zientje (K), en niet zintje (verkeerd in KW).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

zien (zag, heeft gezien), (ook:) een kort bezoek brengen, even opzoeken. Boen*, zei ze, ik ben je moeder komen zien (Dobru 1968c: 21). - Syn. groeten* (1).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zien ‘liefje’ (Berbers zzin)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

En hij zag dat het goed was, hij was tevreden over het resultaat; al dan niet ironisch gebruikte formule uit het scheppingsverhaal.

Veelvuldig wordt er gevarieerd op een in het scheppingsverhaal herhaaldelijk voorkomende formule, waarin God na een nieuwe scheppingsdaad steeds constateert dat zijn creaties goed zijn. Hij schiep de hemel en de aarde en de zeeën, 'En God zag dat het goed was' (Genesis 1:10, NBV); daarna de bomen -- 'En God zag dat het goed was' -- en de zon en de maan -- 'En God zag dat het goed was', enzovoort. In hedendaags gebruik is het onderwerp van de zin meestal iemand anders dan God. Ook een ontkennende variant komt voor: 'Dat Amerika's politieke elite desondanks haar twijfels niet kan overwinnen [inzake de aanval op Irak op het tijdstip van de stemming over het impeachment van president Clinton], symboliseert het cynisme dat zich inmiddels van die elite heeft meester gemaakt. De wereld kijkt toe en ziet dat het niet goed is' (NRC, 17-12-1998, p. 9).

Rijmbijbel (1271), v. 199. God besach dat het was goet (God zag dat het goed was.)
Zo ook ik, het laatste jaar; ook ik was afgedaald: tot mijn patiënten, tot Cor, tot de straat, tot de negers, tot Rooie Hein en de 'krab', en tussen de bedrijven door was ik telkens en telkens weer naar boven geklauterd, en had gezien dat het goed was. (S. Vestdijk, De dokter en het lichte meisje, 1980 (1951), p. 169)
[...] Ik lig te snorkelen / aan mijn luchtpijp. Ik zie dat het goed is. / Ik wil er mijn handtekening wel onder zetten. (H. de Coninck, De gedichten, 1998 (Ligstoel 2, 1997), p. 444)
[Bij het boek van drs. P, Tante Constance en tante Mathilde:] En de God van de dichtkunst zag dat het goed was. (ECI Magazine, juli/aug./sept. 1999, p. 16)

Eerst zien, dan geloven, eerst moet men het met eigen ogen zien voor men het gelooft. Vaak als uiting van scepsis.

Toen Jezus na zijn kruisdood voor het eerst verscheen aan zijn discipelen, was Tomas daar niet bij. Toen de anderen hem opgetogen vertelden dat zij Jezus hadden gezien, reageerde Tomas daar nuchter op met de woorden: 'Alleen als ik de wonden van de spijkers in zijn handen zie en met mijn vingers kan voelen, en als ik mijn hand in zijn zij kan leggen, zal ik het geloven' (Johannes 20:25, NBV). Een week later krijgt Tomas de gelegenheid om Jezus daadwerkelijk te zien, waarna hij gelooft. Jezus spreekt hierop de bekende woorden: 'Omdat je me gezien hebt, geloof je. Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven' (Johannes 20:29, NBV). Eerst zien, dan geloven wordt nog veelvuldig gebruikt.

Rijmbijbel (1271), v. 26940-45. Thomas hi ne ghelouets niet. / Hi seit he[n] si dat hi ziet. / Hande ende voete ghesleghen duere. / Ende tgat in sine ziede ter cuere. / Ende hire sinen vingher in steke. / Hi ne ghelouets niet sekerleke. (Tomas geloofde het niet. Hij zei dat hij het niet zou geloven, behalve wanneer hij zou zien hoe zijn handen en voeten doorboord waren en het gat in zijn zijde.)
De cirkel-grappenmakers verklapten dat ze planken en touw gebruikt hebben voor hun werk. Morgen demonstreren ze precies hoe. 'hmm eerst zien, dan geloven', denken de wetenschappers. (Jeugdjournaal, sept. 1991)
'Hoe reageerde jullie omgeving?' [...] 'Mijn vrienden hadden iets van eerst zien, dan geloven, maar mijn ouders stonden er wel achter.' (Carp, 8-2-2000, p. 23)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zien (Os. sehan) van den Germ. wt. sehw, Idg. seq: volgen; het woord w.d.z.: volgen met de oogen; naöogen.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

zien (III). - In zinnen als de onderstaande gebruikt het Nederlandsch inzien, niet zien, dat in dit geval eene navolging is van een dergelijk gebruik van fr. voir. || Ik zie niet waarom zij hier een gezag uitoefent, dat haar niet toekomt, LOVELING, Sophie 176.

zien (I). - In het Nederlandsch kan men zien niet gebruiken als in het Fransch het werkwoord voir, in den zin van iemand spreken, in betrekking staan tot iemand (de aard der betrekking wordt door het verband aangewezen), omgang met iemand hebben: eene omschrijving als de genoemde is noodig. Een zin als nous ne nous voyons plus kan b.v. overeenkomen met wij hebben met elkander geen uitstaans meer. || En Bertha? - Zult ge haar blijven zien? Uwe liefde voor haar door de nog vertrouwelijker betrekkingen, die noodzakelijk tusschen u en haar zullen ontstaan, nieuw voedsel geven? SLEECKX 14, 268.
– In nauw verband met dit gebruik van voir staan de uitdrukkingen aller -, venir voir quelqu’un, d.i. iemand gaan, komen bezoeken, opzoeken, t.w. om hem te spreken. Het is een ergerlijk gallicisme te zeggen iemand gaan zien, komen zien. || Zelfs Dürer kwam hem (Lucas van Leiden) zien, betuigde hem gansch zijne bewondering voor zijne heerlijke begaafdheid, GEIREGAT, Holl. Schilderk. 29. Het eenige treffende woord, dat wij vinden in de brieven van die dagen, is dat van den abbé de St.-Germain, die op het bericht, welk Balthasar Moretus hem zond van het zwaar verlies, “dat de stad en vooral hem zelven” trof in het afsterven van zijnen ouden vriend (t.w. Rubens), antwoordt, dat de groote schilder in den hemel de levende models zijner schilderijen is gaan zien, ROOSES, Antw. Schildersch. 2, 182.

zien (II). - Men kan natuurlijk zeer goed zeggen: ik zie van hier hoe laat het staat op de klok, daar van hier de plaats aanwijst waar de spreker staat. In het Fransch echter wordt de uitdrukking je vois d’ici ook overdrachtelijk gebruikt: zoo beteekent je vois d’ici votre étonnement, in een brief b.v., ik kan me heel goed voorstellen, ik begrijp heel goed dat ge verwonderd zijt. Het is niet aanbevelenswaardig in dergelijke gevallen ik zie van hier - te gebruiken, daar allerlei zuivere Nederlandsche uitdrukkingen den schrijver ten dienste staan; zie verder de aanhalingen. || Zoo ik ’t ongeluk heb, eens ergens nog als spreker op te treden, dan krijg ik van al de genootschappen, nutten en kringen uit Holland ’nen echten stortvloed van uitnoodigingen, waarop ik dan verplicht word te antwoorden; - ge ziet van hier, hoe plezierig dat is voor ’nen ouwen luierik gelijk ik ben, V. BEERS in De Toekomst 33, 170 (hier kon b.v. gezegd worden bedenk hoe enz.). O. L. V. verschijnt aan den heilige (t.w. S. Bernardus), en ten teeken van liefde laat zij melk uit hare borst in zijnen mond spuiten. Gij ziet van hier wat aanstootelijk schouwspel onze Vlaamsche schilders, die de dingen weergaven zooals ze zijn, ... op dit thema zouden samengesteld hebben, ROOSES, Op Reis 59 (hier zou passen Gij kunt u voorstellen wat enz.). Aangezien gij ... bij uwe terugkomst het huis ledig zult gevonden hebben, en ik van hier uwe verbijstering zie bij de enkele gedachte aan die proviand, welke gij u zoudt moeten aanschaffen en die gij niet zoudt vinden, heb ik enz., BUYSSE, Mea Culpa 3 (hier zou passen en ik mij maar al te goed kan voorstellen, hoe verbijsterd ge zult zijn enkel door de gedachte aan die proviand enz.).
– Zeer gewoon is de uitdrukking dat ziet ge van hier! letterlijk vertaald naar fr. vous voyez cela d’ici. Men zegge liever, evenals in Noord-Nederland, dat kunt ge (kan je) begrijpen! || “Van sterven? Gaat weg! - De dood van halen? - Kom aan, dat ziet ge van hier! - Zoo een taaie! -” Ze kent hem te goed, MOORTGAT, Versleten 146.

Verkeerd gebruik van zien met een onbepaalde wijs.Zien kan gevolgd worden door een onbepaalde wijs, die dan een bepaling van gesteldheid is behoorende bij het lijdend voorwerp: ik zag den jongen loopen. Maar dit gebruik is beperkt tot die gevallen, waarin van een werkelijk zien sprake is en dit werkwoord dus staat in den zin van be-, opmerken. In strijd daarmede, wordt deze constructie in Zuidnederlandsche werken op veel ruimer schaal aangewend: niet alleen waar het een werkelijk zien geldt, maar ook in een verband waaruit alleen een “vernemen”, een “bekend worden met iets” blijkt, zoodat ze niets meer schijnt te zijn dan eene meestal onbevallige omschrijving van den persoonsvorm van het werkwoord, dat bij zien in den infinitief staat. Dit is eene navolging van een dergelijk bekend gebruik van fr. voir, en in onze taal klinkt het zelfs beter te zeggen: zijn toestand verergerde spoedig, dan hij zag zijn toestand spoedig verergeren; zie verder de aanhalingen. || Alle jaren zag hij nog het getal zijner eigendommen vergrooten, SLEECKX 1, 43. Hij zag zijnen toestand veel spoediger verergeren, dan enz., 12, 77. Terwijl dit nieuw … vak in Italië slechts beoefend werd door eene zeer beperkte groep kunstenaars, … en men in Frankrijk naar de XVIIIe eeuw … moet wachten, om verdienstelijke genreschilders aan te treffen, zien wij op de oevers der Zuiderzee reeds van den eersten dag en het eerste uur, een leger bekwame kunstenaars … al de takken dier ongedwongene en bevallige kunst aanvatten, GEIREGAT, Holl. Schilderk. 96. Bij zijne allereerste dichtoefeningen zien wij dan ook Vondel de verkeerde richting der kamers van Rhetorica inslaan, CLAEYS in Versl. Vl. Ac. 1887, 314. Zoo weinig boeken over opvoedkunde zien wij hier in Vlaamsch België verschijnen, dat enz., MINNAERT in De Toekomst 30, 378. Vergeefs drong Sophie er op aan hare zuster gezelschap te houden; zelfs vreesde zij ten laatste Camille eenen zenuwaanval te zien krijgen, indien zij zich niet heen spoedde, LOVELING, Sophie 288 (er wordt vereischt zelfs vreesde zij dat Camille ten slotte een zenuwtoeval zou krijgen, indien enz.). In 1305 verkregen zij (de Engelsche kooplieden) vrijstelling der accijnsrechten, en in 1338 zien wij eenen hunner … aan koning Eduard van Engeland … 18,500 pond sterlings leenen, ROOSES, Antw. Schildersch. 1, 33 (men zegge en in 1338 leent een hunner enz., of wel en wij zien dat een hunner in 1338 aan koning Eduard van Engeland … 18,500 pond sterling leent, maar in dit laatste geval is er verschil in de beteekenis). Onder de voogden der minderjarige weezen van Breughel zien wij ook Rubens … voorkomen, 1, 203. (zelfde opmerking als bij de vorige aanhaling). Eer er twee jaar verloopen zijn, zien wij Rubens den eigenaardigen trant aannemen, die hem op den eersten oogslag tusschen al de overige kunstenaars doet erkennen, 2, 63. Engeland zal insgelijks, bijna twee eeuwen lang, Vlamingen in de betrekking van schilders der koningen … optreden, SABBE, Vl. Schilderk. 145 (er wordt vereischt ook in Engeland bekleedden Vlamingen de betrekking van hofschilders). ’t Was in dien wedstrijd dat men een overigens verdienstelijk stuk verwerpen zag, op grond dat de schrijver … het woord solfer in stede van … zwavel gebruikt had, DE FLOU in Ned. Dicht- en Kunsth. 9, 332. Heden zien wij op verschillende punten van het Vlaamsche land de twee groote partijen wedijveren om hunne verkleefdheid aan de Vlaamsche zaak door het volk te doen opmerken, WATTEZ in Holl.-Vl. 1, 83. In weinig maanden zagen wij een aantal nieuwe organen verrijzen, zoo op politiek als op letterkundig gebied, 1, 163. Gij begrijpt wel zoo het aan Ermengardis of aan een harer bedienden gelukte uit deze wouden te ontsnappen, wij groot gevaar zouden loopen koning Chilperik met onze levenswijze te zien bekend worden, MILLECAM, Finh. en Lieder. 1, 86. Sedert het in voege komen der wet die het onderwijzen der Engelsche en Duitsche talen bij middel van het Nederlandsch voorschrijft, zagen wij ten onzent verschillende handboeken voor het aanleeren van beide talen, in ʼt Nederlandsch verschijnen, MEERT in De Toekomst 33, 526.
– Nog minder met ons taaleigen overeen te brengen, is dit gebruik van het ww. zien met eene zaak als onderwerp. || Sedert den noodlottigen dag, ... die Marten een ongelukkig nummer zag trekken, SLEECKX 9, 47 (men zegt sedert den noodlottigen dag, waarop Marten een slecht nummer trok). Vermaledijdend ... den dag, die hem op de wereld had zien komen, BUYSSE in Tweemaandel. Tijdschr. 1, 37 (vertaling van fr. le jour qui lʼavait vu naître, d.i. de dag waarop hij geboren werd).

zich zien. - Het werkwoord zien kan reflexief gebruikt worden met eene bepaling van gesteldheid, maar niet in alle denkbare gevallen. Zoo gebruikt men wel zich verplicht, genoodzaakt enz. zien, maar men zegt niet hij zag zich alleen, wat vertaald is naar fr. il se vit seul, waaraan in goed Nederlandsch beantwoordt hij zag dat hij alleen was. || Hij wendde halvelings het hoofd om, hij zag zich alleen, BUYSSE in Tweemaandel. Tijdschr. 1, 37.
– Naar het voorbeeld van een dergelijk gebruik van fr. se voir, leest men bij Zuidnederlandsche schrijvers niet zelden zich zien met een praedicatief attribuut in een verband waarin de beteekenis van zien zeer is verzwakt, en waarin gewoonlijk de lijdende vorm van het werkwoord dat als attribuut dienst doet, geheel volstaat. Verg. boven § 7, g) en zie de aanhalingen. || Hij (had) zich in de Bengaalsche golf door een geweldigen orkaan zien verrassen, SLEECKX 1, 260 (beter hij werd verrast). In … 1876 zag hij zich benoemd tot conservateur van het Museum Plantin, V. D. BRANDEN, Biogr. Wdb. 670a (hier werd hij benoemd). Ik moet hertrouwen of mij gansch zien ruïneeren! V. LOVELING, Nov. 280 (er wordt vereischt of mij gansch laten ruïneeren). In den dubbelen strijd voor Moedertaal en Vooruitgang zagen wij ons voortdurend bijgestaan door een ruim aantal uitstekende letterkundigen, ROOSES, Derde Schetsenb. 393 (hier past werden wij bijgestaan).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zien ‘met het oog waarnemen’ -> Petjoh gezientjes ‘verstoppertje spelen’; Javindo siet, sien ‘met het oog waarnemen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zien* met het oog waarnemen 1200 [CG II1 Servas]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

961. Hooren en zien vergaan.

Men zegt dit bij een hevig gedruisch, een geweldig leven, waarbij men doof wordt en alles voor de oogen begint te draaien. Vgl. voor de koppeling dezer twee wkw. Lanc. III, 3595: Soo dat hi syn sien verloos ende dat horen; vgl. verder Hooft, Ned. Hist. 319: Dit getier en de duisternis die den vyandt hooren en zien benaamen; Spaan, 16: Het derde (kind) schreeuwt dat je hooren en zien vergaat; Halma, 675: Het is als of mij hooren en zien vergaan, la tête me tourne, je perds le sens; c'est comme si je ne voyois ni n'entendois; C. Wildsch. IV, 25; Harreb. III, 32 b; Ndl. Wdb. VI, 1079; Waasch Idiot. 296: Een gerucht (geroep, geschreeuw) dat hooren en zien vergaat, oorverdoovend; Antw. Idiot. 1770: E lawijt dat hooren en zien vergaat, oorverdoovend. Ook in het fri. zegt men: hearren en sjen forgiet.

1443. Iemand niet kunnen luchten of zien,

d.w.z. iemand niet kunnen uitstaan, niet kunnen ruiken noch zien (fr. ne pas pouvoir sentir qqn.; hd. einen nicht riechen können), welke beteekenis het wkw. luchten in de middeleeuwen reeds had. Zie Despars, 4, 383: Dies hem tghemeente zo overgrootelix belchde, dat zy hem niet langher ghesien en mochten nochte luchten. Vgl. het Mnl. Wdb. IV, 864; Anna Bijns, N. Refr. 16; 87; Uitlegk. Wdb. op Hooft II, 224; Winschooten, 146: Iemand niet mogen lugten, iemand niet kunnen dulden, en hier van seid men: ik mag die vent niet sien nog lugten; Brederoo I, 59, 1523; 231, 511: De dingen die teghen menkander strijen en mogen menkaar in 't minste luchten noch lyen; Gew. Weeuw. III, 70: Al was je mijn dood Vyand, die ik pas zien of luchten mocht; C. Wildsch. I, 189; III, 279; IV, 81; Tuinman I, 171; Sewel, 463; Halma, 328: Zij mag die vent zien nog lugten, elle ne peut ni voir ni souffrir ce drolle-là; Sewel, 463; Harrebomée III, 45; Nest, 75; Prikk. V, 15; Gunnink, 165; De Bo, 354: ik kan hem gezien noch geluchten; Schuerm. 146: ik en kan dien vent niet geluchten (of ook geduchten); in het Waasch Idiot. 250 a: iemand niet kunnen gerieken, niet kunnen verdragen; Claes, 202: ik kan hem niet rieken, d.i. dulden, lijden; fri. ik mei dy loaije kerel net luchtsje; syn. van iemand niet kunnen hooren of zien o.a. bij Campen, 109: Ick en mach hem niet hoeren oft sien.(Aanv.) Zie nog Ndl. Wdb. VIII, 3164.

1620. Niet verder zien (of denken) dan zijn neus lang is,

d.w.z. weinig doorzicht hebben, gezegd van iemand wiens gezichtskring zich niet verder uitstrekt, dan de lengte van zijn neusVgl. het hd. alle Nasen lang, alle Nas lang, d.i. in kurzer Entfernung, nach kurzer Zeit (Schrader, Wunderg 173).. In de late middeleeuwen komt de uitdr. voor, o.a. bij Barth. 137 b: Item die cleyn kinderkijn en dencken niet verder dan hem die naze lanc is, dat is die dingen die tegenwoerdich sijn. Zie verder Goedthals, 96: Niet voordere dincken, dan den nuese lanck is, il ne luy souvient, que depuis le nes, iusques a la bouche; Campen, 4: hy en siet niet veerre dan hem die noese lanck is; Servilius, 149*: hi en siet nyet verder dan syn nuese lanc en is; enz. Vgl. Vondel's Sprookje van Reyntje de Vos, vs. 43; Baardt, Deugden-Spoor, 85; Coster, 228, vs. 32; Van Effen, Spect. VII, 19; Sewel, 522; Rusting, 591: Kyk wat verder als je neus voor uyt steekt; Harreb. II, 99 a en op vele andere plaatsen; Afrik. hy sien nie verder as sy neus lank is nie. In het hd. zegt men eveneens: er sieht, denkt nicht weiter, als seine Nase reicht oder nur der Nase lang; in het Fransch: il ne voit pas plus loin que (le bout de) son nez; in het Friesch: hy sjocht net fierder as syn noas lang is; Nederd. he kikt ni wieder as sin Nos lank is (Taalgids V, 160); eng. he sees no further than his nose. Voor Zuid-Nederland zie Joos, 79; Waasch Idiot. 457 b; Antw. Idiot. 1442; 1915: niet wijder zien alsdat zijne neus lank is; en vgl. nog de synonieme 17de-eeuwsche uitdr. van zijn neus een anker (of een dregge) maken (vgl. Com. Vet. 2).

1870. De pot verwijt den ketel dat hij zwart is (of ziet),

d.w.z. iemand verwijt een ander iets, waaraan hij zelf schuldig is. In het mlat. phi' sonuit fuscum ridens ardaria furnum of ecce quam niger es, sic dicit caccabus ollae; in de 16de eeuw bij Campen, 118: die Ketel verwyt den Pot; Idinau, 143:

 Siet, wat den ketel den pot verwijt
 Als hy swert is, en vuyl ten hande.
 Sulcks dickmael een ander in d'aenschijn smijt
 Daer hy self vol af is, tot sijnder schande.

 Eenen vuylen korf, wordt oock wel een slijck-mande.Zie verder Marnix, Byenc. 181 a: de pot den ketel verwijt dat hy becruyst isAangehaald in het Ndl. Wdb. II1, 1645.; Winschooten, 103: de pot wil de keetel verwijten dat hij swart is; Luichte Wigger, 1 v: de pot verwijt den heugel datse swart is; Coster, 504, vs. 214; Smetius, 131; Huygens VI, 155: de Pan sprack tot den ketel, fij. Wat doet het swartgat hier by my!Vgl. het Twentsche: de eene kräj wil de andere kräj ‘zwartgat’ hetten.; Kl. v.d. Schoester, 14: Zouw de pan de keetel gaan betijgen van zwart te zijn?; Sewel, 648; Adagia, 14: den Ketel wilt den Pot verwyten dat hy swart is, vae tibi tu nigrae dicebat cacabus ollae; enz. Syn. Wat verwyt de palle (paal) de loete (ovenkrabber), alsse beede in den hovene (oven) moeten (Goedthals, 30). Zie Harreb. I, 307 a; III, 223 b; Afrik. die pot verwyt die ketel dat hy swart is of die pot verwyt die ketel en hulle is ewe swart; Waasch Idiot. 338; 533; Antw. Idiot. 993; Schuermans, 305 a: de pot wil den ketel bekruizen; de pot verwijt den ketel dat hij kroust (Maastricht); Wander IV, 1267; vgl. het fr. la pelle se moque du fourgon; hd. der Topf lacht über den Kessel; der Kessel schilt die Pfanne dasz sie schwarz sei; eng. the pot calls the kettle black; voor het Nederduitsch Taalgids IV, 260; Eckart, 412; Dirksen I, 75; in het fri.: de pôt forwyt de tsjettel dat er swart is.

2405. Door de vingers zien,

d.i. iets oogluikend toelaten, een oogje toedoen (hd. ein Auge zudrücken), lichte vergrijpen niet al te zwaar laten wegen, iets vergeven, iets overzien (V.d. Water, 116); eig. de hand voor de oogen houden, zoodat men niets of weinig zietTijdschrift XIV, 139 (noot).. In de middeleeuwen dore die vinger sienBrab. Yeesten VI, 4764; Froissart, 123; 550; Reinaert, vs. 4211; enz. naast door den vinger loekenBoerden, X, 42: Die selke loecte doer den vingher, si maeckten hem al willens blent.; zie verder O.O.Z. 72: Isset dat gi ons nu hoort ende doet na onsen raede, soe willewi aldus doen ende spreyden oer vynger voor oer ogen ende spraken; Plantijn: Door de vingeren sien, regarder à travers les doigts, connivere digitis; Bebel, 583: per digitos videre est surda aure et sciens aliquid praeterire; Campen, 102; 39: weel niet can laten voer oren ende oghen gaen, ende doer die vinger sien, die can oock niet regieren; Servilius, 260: connivere, ghi en behoeft gheenen bril, ghi condt wel door de vinger sien; Spieghel, 288; Anna Bijns, Refr. 40; 173; Sart. I, 9, 19; II, 10, 30; III, 7, 4; Vierl, 197; Tijdschrift XIV, 140; Poirters, Mask. 170; Idinau, 34:

 Deur de vingheren sien, en laten lijden,
 Werdt nu in t' goede, nu in t' quaedt verstaen.
 In t' goedt, om een beter van straffe te mijden;
 In t' quaedt, alsment al on-ghestraft laet gaen.
 Denckt, dat Godts ooghen al gade-slaen.

Vondel, Salomon, vs. 987; Hooft, Ged. II, 404; Pers, 366 a; 625 b; Westerbaen II, 259; Coster, 10, vs. 38; De Brune, Bank. I, 205; Winschooten, 148: Oogluiken, van waar, het geschiede met oogluiking; dat is, men sag het door de vingeren: men dee' sijn oogen toe, en men wilde quansuis het niet sien; Brederoo, I, 101: Men meer nutticheyts uyt de scherpe bestraffinge der vyanden, als door het blinde vingerkijken der vrunden te verwachten heeft; Rotgans, Boerekermis (anno 1790), bl. 40: Hij ziet mijn doen, maar houdt de vingers voor zijn oogen; Van Effen, Spect. VI, 55; C. Wildsch. VI, 217; W. Leevend VII, 14; Tuinman I, 188; II, 111; Adagia, 10; 21; Harreb. II, 381 a; Ndl. Wdb. III, 1375; afrik. jy moet dit maar deur die vingers sien; Waasch Idiot. 714; enz. enz. In het fri. troch de fingers sjên; hd. durch die Finger sehen (Wander I, 1019); oostfri. dör de fingers kiken; de. at see igjennem Fingre med En.

2434. Ze zien vliegen,

d.w.z. hallucinaties hebben, niet wel bij zijn verstand zijn. Vgl. Kunstl. 4: Je moes is d'r niet snik, die siet se vliege; bl. 130: Die binne nie snik.... die sient se fliege!; Zandstr. 44: Half-idioten, imbecielen, toevallijders, sukkels die ze bij tijden ‘zien vliegen’; Landl. 363: As ik an leze denk, zie 'k ze al vliege; Nkr. I, 14 Juli p. 6: Wij zouden zeggen, ze kregen 'n klap van de molen of ze zagen ze vliegen; S. en S. 21: Want zie je, in die cel wor je kinsch, en van 't aanhoudende prakkezeeren zie je tusschebeie van die baviane vliege; Nw. School V, 274. In Zuid-Nederland beteekent ze zien vliegen, grooten honger hebben, gebrek hebben (Antw. Idiot. 1386; Waasch Idiot. 717; Rutten, 261), syn. van zwarten sneeuw zien vliegen, veel te lijden hebben (Waasch Idiot. 605).

2651. Ziende blind zijn,

d.w.z. willens en wetens blind zijn voor iets; ook iets wat duidelijk zichtbaar is niet zien. In de 16de eeuw komt dit gezegde voor bij Froissart I, 194: Sij mosten al siende blint wesen ende hoir hoofden wat lage houden, want ten was genen tijt doe vörder af te spreken of dairup te deyncken; Campen, 102: Siende blindt, hoorende doof; Everaert, blz. 254: Esser gheen ontfaermen? Syt ghy hoorende doof ende ziende blent? (vgl. blz. 499, 37 vlgg.); De Brune, 160

 Een man verstandigh, en bezint,
 Die is by wijlen ziende blint.

Tuinman I, 364: Zy zyn dikwijls niet minder te beklagen, die al ziende blind zyn. Wat baat kaars of bril, als de uil niet zien wilZie Harreb. I, 91 en Ndl. Wdb. III, 1376; VII, 681.; II, 111; Halma, 808: Ziende blind, qui ne veut pas voir, qui fait mine de ne pas voir, qui connive; Ndl. Wdb. II, 2855; Harreb. I, 62.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

sek-2 ‘bemerken, sehen; zeigen’, ursprüngl. ‘wittern, spüren’ und (jünger) ‘sagen’, identisch mit sek-1.

Gr. ἐνέπω, ἐννέπω (-νν- Ausdruck der metr. Dehnung) ‘sage an, erzähle’ (Imp. ἔννεπε, Impf. ἔννεπε, Fut. ἐνι-σπήσω (*sk-ē-), Aor. ἐνι-σπεῖν, Imp. ἐνί-σπες, ἔνι-σπες, 2. Pl. ἔσπετε aus *ἔν-σπετε), ἄσπετος ‘unsäglich; unsagbar groß, unendlich’, πρόσ-εψις· προσαγόρευσις Hes. (: lat. insectiō), θεσπέσιος ‘wunderbar, göttlich’ (ursprüngl. ‘von der Gottheit geoffenbart’), aus *-σπέ-τιος; θέσπις, θέσπιος ‘Seher, Weissager’ wohl Verkürzung aus θεσπέσιος; θεσπίζω ‘weissage’; ἀσπάζομαι ‘begrüße’ (ἀ- aus “ἐν”); ἀσπάσιος ‘willkommen, erwünscht, erfreut’ (*n̥-σπά-σιος);
lat. īnseque ‘sag an’ (= gr. ἔννεπε), auch īnsece, с verschleppt aus Formen wie: insectiōnēs ‘narrationes’, insexit ‘dixerit’; inquam, inquis, -it ‘sage ich, sagst du, sagt(e) er’ (inquam Konjunktivform *en-skām ‘möcht’ ich sagen’; inquit ursprgl. themat. Aorist *en-ske-t wie ἐνι-σπεῖν);
umbr. prusikurent ‘pronuntiaverint’, sukatu ‘declārātō, pronuntiātō’; k statt p nach Formen mit Entlabialisierung des *k vor s, t;
acymr. hepp, mcymr. heby(r), cymr. eb(e), ebr ‘sagte’, mcymr. hebu ‘sprechen’, go-hebu ‘antworten’, cymr. ‘entsprechen’, mcymr. gwrtheb ‘Antwort’, cymr. ‘Einwand’, corn. gorðeby ‘antworten’; mcymr. dihaereb ‘Sprichwort’ (*dē-ad-pro-sko-), air. ārosc ds. (*ad-pro-sko-); mir. rosc ‘dithyrambische Dichtung’ (*pro-sko-); air. in-coissig (*ind-com-sech- aus *sek-) ‘bezeichnet’, tāsc ‘Anzeige’ (*to-ad-sko-), ēcosc ‘Erscheinung’ (*en-kom-sko-); mcymr. atteb, ncymr. ateb ‘Antwort’ (*ati-sek-), air. aithesc n. ‘Antwort’ (*ati-sku̯-om), con-secha ‘züchtigt’, cosc ‘Strafe’ = cymr. cosp ds. (*kom-sko-m), air. diuschi ‘weckt’ (*di-uss-sechi), air. insce ‘Rede’ (*eni-sku̯-i̯ā), auch air. scēl n. ‘Erzählung’ (*sketlo-n, woraus entlehnt cymr. chwedl usw.); mir. scoth f. ‘Wort’;
ahd. sagen ‘sagen’ (*sokē-), daneben germ. *sagi̯ō < *saʒwi̯ō in as. seggian, mnl. segghen, ags. secgan (engl. say), aisl. segja ds., Abstraktum aisl. ahd. saga ‘Aussage, Erzählung’ (nhd. Sage), ags. sagu f. ds.;
lit. sekù, sèkti ‘narrare’ (= (ἐν)έπω, inseque), sekimas ‘das Erzählen’, sėkmė̃ f. ‘Erzählung, Sage’, sakaũ, sakýti ‘sagen’, pãsaka ‘Märchen’ usw.;
aksl. sočiti ‘anzeigen’, sokъ ‘Anzeiger, Ankläger’, poln. osoka ‘Anklage, Verleumdung’ usw.;
ältere Bedeutung sek- ‘sehen’ und ‘zeigen’ (s. bereits oben ir. in-coissig, tāsc, auch con-secha, cosc wie lat. animadvertere auch ‘rügen’) in: air. rosc m. ‘Auge, Blick’ (*pro-sko-);
got. saiƕan ‘sehen’, aisl. sjā aus sēa, ags. sēon, as. ahd. sehan, nhd. sehen; got. siuns ‘Gesicht, Sehkraft’, aisl. sȳn, sjōn f. ‘Sehen, Sehvermögen, Erscheinung’, ags. sīen, as. siun ‘Sehvermögen, Auge’ aus *se(g)wní; Adj. got. anasiuns, ags. gesīene, aisl. sȳnn ‘sichtbar, ersichtlich’, sȳnast ‘scheinen’ (= ‘sich zeigen’); ahd. (gi)siht ‘das Betrachten, Gesicht, Anblick’, ags. gesiht ds.;
daneben aus dehnstufigem *sē(g)wni-: ahd. selt-sāni, mhd. selt-sǣne ‘selten’ seltsam (aber ags. seldsīene ‘selten’ aus -*sa(g)wni-);
hitt. šakuu̯a- n. Pl. ‘Augen’, šakuu̯āi- ‘sehen’; toch. A šotre, В šotri ‘Zeichen’ (*sek-tr-).

WP. II 477 ff., WH. I 702 f., Trautmann 255, Pedersen Toch. 69.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal