Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ziel - (geest; persoon; spil )

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ziel zn. ‘geest; persoon; spil ’
Onl. sēla, siela ‘ziel’ in Thursta an thi sela min ‘Mijn ziel dorstte naar u’ [10e eeuw; W.Ps.], Ich besueron iuch, guode sielan ‘ik smeek jullie goede zielen (mensen)’ [ca. 1100; Will.]; mnl. dat si der selen uo[rchte] ‘dat zij vreesde voor haar ziel’ [1200; VMNW], Dat es der doder nonnen sile Die daer vart henen met michile Din ingel ‘dat is de ziel van de dode non, die daar weggaat met de engel Michael’ [1265-70; VMNW], daer zach hi die ziel van Abelle ‘daar zag hij de ziel van Abel’ [1339; MNW-R]; vnnl. ziel ook ‘persoon, mens’ ende sielen die si geuoet hadden ‘en mensen die ze gevoed hadden’ [1526; iWNT], ziel ‘bezielende kracht, spil’ in zij die de ziel van alle bijeenkomsten der mode ... was [1793; iWNT].
Os. sēola (mnd. sele); ohd. sēla (nhd. Seele); ofri. sēle (nfri. siel(e)); oe. sāwol (ne. soul); got. saiwala; alle ‘ziel’, < pgm. *saiw(a)lō-. On. sál is ontleend aan het oe., terwijl ozw. siæl (nzw. själ) op het Oudsaksisch teruggaat. De verwachte vorm is onl. sēla (> nnl. *zeel), met pgm. *-aiw- > (West-Germaans) *-ēo- > onl. -ē-. Voor de nevenvorm onl. siela (nnl. ziel) moet men verkorting van de beginklinker aannemen: *-ēo- > *-eo- > (West-Germaans) *-io- > onl. -ie-.
De oorspr. betekenis is onbekend; het woord heeft bij de kerstening zijn specifieke christelijke betekenis gekregen. Ook de herkomst is onbekend. Er wordt wel gedacht aan een afleiding bij pgm. *saiwa- ‘zee, meer’, zie → zee. Dat zou dan teruggaan op het idee dat de zielen voor de geboorte en na de dood in bepaalde meren verbleven (Grimm). Maar het blijft onzeker of dit idee inderdaad heeft bestaan. Andere theorieën zijn bijv. dat het een samenstelling *sai-walo ‘zijn eigen keuze’ zou zijn bij de wortel van de voornaamwoorden → zijn 2 en → zich in combinatie met een woord voor ‘kiezen’ (vergelijk Duits wählen). Als men een s-mobile aanneemt, zou het eventueel bij pgm. *aiwō- ‘leven’ kunnen behoren: *(s)aiwa-lō- ‘innerlijk leven of kracht’, zie → eeuw. Maar ook dit blijft allemaal erg speculatief, omdat deze s- alleen in dit woord in het Germaans zou staan, en s-mobile (vrijwel) niet voorkomt voor een vocaal.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ziel* [geest] {oudnederlands sela 901-1000, middelnederlands siel(e), ziele} oudhoogduits sela, oudsaksisch seola, oudfries sele, oudengels sawol (engels soul), oudnoors sāl, runenzweeds sial, gotisch saiwala; etymologie onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ziel znw. v., mnl. siele v., onfrank. sēla, os. seola, siola, ohd. seula, sela (nhd. seele), ofri. sēle, oe. sāwol (ne. soul) (daaruit on. sāl) en got. saiwala.

Aan verklaringen ontbreekt het niet. 1. Oud is de verbinding met gr. aiólos ‘bewegelijk’ en dan denkt men aan een grondbet. ‘onstuimige geest’ of ‘beweeglijke adem’; maar dit is zeker op te geven. — 2. Germ. *saiwalō zou betekenen ‘de van de zee stammende’ en dus afgeleid van zee; men wijst er dan op, dat volgens oud geloof de zielen voor de geboorte en na de dood in bepaalde meren verblijven zouden (Weis-weiler IF 57, 1940, 25 vlgg.); maar was dit zo een algemeen geloof? — Terecht wijst van Haeringen Suppl. 202 er op, dat een woord als ziel sterk onder de invloed van taboe kan hebben gestaan; hij vermeldt aldaar nog enige volkomen onhoudbare hypothesen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ziel znw., mnl. siele v. = onfr. sêla, ohd. sêla (nhd. seele, ohd. ouder sêula), os. seola, siola, ofri. sêle, ags. sâwol (eng. soul), on. sâl (wsch. uit ’t Ags.), got. saiwala v. “ziel”. Al deze vormen gaan op germ. *saiwalô- terug. Als gr. aiólos “beweeglijk” oorspr. *saiwólos luidde, is identiteit van germ. *saiwalô- met het v. van dit bnw. zeer aannemelijk, ’t zij dan dat de oudere bet. was “onstuimige geest” of “beweeglijke adem”; over eventueele verdere verwanten zie zee. De combinatie van ziel met obg. sila “kracht”, opr. seilin “ijver” is minder wsch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ziel. Over de conceptie, die aan dit woord ten grondslag ligt, laat zich allerlei vermoeden; vandaar velerlei etymologieën, waaruit hier een bloemlezing van de minst vage moge volstaan. Odé Reflexe von “tabu” und “noa” 12 wil met lat. saevus ‘wild’ (ospr. = ‘sterk in magische kracht’) combineren, dat trouwens ook wel bij gr. aiólos is gebracht: zie zee. — Loewenthal PBB. 49, 416 sluit aan bij lit. sývai ‘sap’ (zie zee), maar ook bij gr. haĩma ‘bloed’ (zie zeem II): het bloed zou voor de Germanen de drager der ziel zijn geweest(?).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ziel v., Mnl. siele, Onfra. sêla, Os. seola + Ohd. sêula (Mhd. sêle, Nhd. seele), Ags. sáwal (Eng. soul), Ofri. séle, On. sála (Zw. sjal, De. sjæl), Go. saiwala: oorspr. onzeker.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

ziel (zn.) ziel; Aajdnederlands sela <901-1000>.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

ziel: (marinetaal, Cambodja) lullig iemand, een doetje*. Vgl. zielo*.

Marinier Van Dorp (voornaam: Oskar) heeft van de korpsleiding de taak gekregen om zieken te verzorgen. Daarom zien de andere mariniers hem niet voor vol aan. ‘Ziel’ noemen ze hem, en dat is het ergste scheldwoord dat een marinier over zich heen kan krijgen, de overtreffende trap van ‘watje’. Soms versterken ze zelfs dat nog en noemen ze Van Dorp ‘kutziel’. (Vrij Nederland, 09/10/1993)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Zijn ziel in lijdzaamheid bezitten, geduldig blijven en niets doen.

In Jezus' 'rede over de laatste dingen' krijgen zijn discipelen te horen welke rampen de mensheid te wachten staan aan het einde der tijden. Zelf zullen zij echter gespaard worden: 'Maar geen haar van je hoofd zal verloren gaan. Red je leven door standvastigheid!' (Lucas 21:18-19, NBV). In de Statenvertaling (1637) en enkele oudere vertalingen luidt het laatste vers anders, bijvoorbeeld in de Leuvense Bijbel (1548): 'in v lijdtsaemheyt suldi v zielen besitten'. Deze formulering is de bron geworden van de bovengenoemde uitdrukking.

Leuvense Bijbel (1548), Lucas 21:18-19. Ende een haer van uwen hoofde en sal niet verloren gaen in v lijdtsaemheyt suldi v zielen besitten.
De Japanners met wie ze te maken hadden, bleven uitermate vriendelijk, spraken van 'vereerde vijand'. Maandenlang hebben zo onze gezant en zijn medewerkers hun ziel in lijdzaamheid bezeten, tot het prettige bericht kwam dat ze werden uitgewisseld tegen Japanse diplomaten. (Panorama, jaren '60)
Het uitgebreide wijwatergebied waar rugpatiënten naar verlichting zoeken heb ik doorwaad. Voortaan bezit ik mijn ziel in lijdzaamheid. (NRC, apr. 1994)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ziel ‘geest’ (bet. van Latijn animus); (dode -en) (vert. van Russisch mërtvyje duši); (twee -en, één gedachte) (vert. van Duits zwei Seelen und ein Gedanke)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

zieken. Sedert de 17de eeuw komt de verbinding (bij) mijn zieken voor. Het jongste citaat dat het WNT geeft, dateert van 1873. De Jager [1858] verklaart de versterkende verbinding als verbastering van bij mijn zieterna ‘lichaamsdeel dat men uit wellevendheid niet noemde, maar, zich half omdraaiend, aanwees’. Op formele en semantische gronden lijkt, volgens het WNT, een verklaring uit de versterkende, bevestigende verbinding bij mijn zielken ‘bij mijn zieltje’ aannemelijker. → ziel.

zool. De verbinding bij mijn zolen is een verbastering van de Engelse vloek by my soul ‘bij mijn ziel’. De Cock (1908: nr. 133) vraagt zich af of wij bij bij mijn zolen! moeten denken aan de vroegere gewoonte een aangegane verbintenis te bezegelen door het uittrekken en overhandigen van een van de schoenen. Hij verwijst naar het bijbelboek Rut iv: 7-8 en zegt dat dit gebruik gelijk was aan het doen van een eed. Wat wij hier zien gebeuren, is dat een oorspronkelijke vrome wens als vloek en uitroep van verontwaardiging gebruikt wordt. → ziel.

ziel. Dit woord wordt vaak genoemd in verband met het getuigen, zweren, de eedaflegging, waarbij men met zijn ziel instaat voor de waarheid. Als een blasfemische stoorzender bij uitstek werd de uitroep bij mijn ziel! beschouwd. Deze vloek is reeds zeer oud. Uit de 13de eeuw dateert semmi mine siele ‘zo helpe mij mijn ziel’. In de 17de eeuw valt bij vaak weg, en in plaats van mijn vindt men vaak me of men. Andere varianten zijn (by) mynder, mijnder of meijnder zielen of sielen, t’zielen, ’t zielen, op mijn ziel en by ziel. Bij mijn ziel wordt gebruikt ter bekrachtiging van het gezegde of om verwondering, boosheid uit te drukken: vaak weer te geven met ‘echt waar, waarachtig, verdomd, verdraaid’. Ook op mijn ziel (Gods) is geattesteerd van 1612 tot 1785. In de 17de eeuw komen de volgende verbasteringen voor: by myn of men sier en by myn siecken. Sommigen brengen deze laatste verbastering in verband met de eed bij men sieterna ‘bij mijn achterste’. In de 17de eeuw ontmoeten wij voorts op me siel Godts. In de 18de eeuw vond ik zweren op zijne ziel en zaligheid. In het West-Vlaams komt voor draai uw ziele af! ‘hoepel op’. En H. Conscience zweert in 1845 by de ziel myns vaders! In mijn enquêtemateriaal vond ik niets dat leek op mijn ziel(e) Gods of op mijn zieltje God, een krachtterm die volgens De Baere halverwege deze eeuw nog in zwang was. Felix Timmermans gebruikt de uitdrukking op mijn zielzaligheid zweren. In zeventiende-eeuwse teksten komt ook nog voor by myn doodtziel of op men dootziel. Sommigen verklaren deze verbinding als ‘bij de dood van mijn ziel’, anderen als een contaminatie van bij mijn dood en bij mijn ziel. Algemeen aanvaard is dat de uitroep by mijn (men) zool, by me sole of by myn (me) solen (zolen, zoolen), die in de 17de eeuw zeer verspreid was, een verbastering is van bij mijn ziel. De uitroep wordt ook als een vervorming gezien van het Engelse by my soul. De Baere brengt bij mijn zool liever in verband met voetzool (1940: 153-155). De eed bi mines vaders siele werd in de Middeleeuwen reeds als een zogenaamde ‘sotte eede’ beschouwd. Een ‘sotte eed’ is een eed die men zweert bij de schepselen, bij het licht dat schijnt, bij het vuur dat brandt, bij de tanden van zichzelf of bij de ziel van mijn vader (vgl. De Baer 1940: 21). → zieterna.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ziel ‘geest’ -> Negerhollands siel, zil ‘geest’; Sranantongo sili (ouder: see) ‘geest’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ziel* geest 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

853. Met hart en ziel,

d.i. met zijn geheele wezen, met liefde, toewijding; ontleend aan Matth. XXII, 37: Ghy sult lief hebben den Heere uwen Godt met geheel uw' herte, ende met geheel uwe ziele, ende met geheel uw' verstandt. Vgl. Servilius, 226*: Ick sal daer met lijf ende siel voor sijn; Sart I, 4, 78: Met lyf met siel; lat. totus et mente et animo; fr. corps et âme; hd. mit Herz und Seele; eng. to be heart and soul for s. th.; (with) heart and soul.

2646. Iemand op zijn ziel geven,

d.w.z. iemand afranselen; hem duchtig de waarheid zeggen; ‘ziel’ heeft hier de beteekenis van lichaam; Harreb. II, 501: Hij krijgt (of geeft hem wat) op zijn ziel; Antw. Idiot. 1483: iemand op zijn ziel zitten, hem duchtig afrossen; Boefje, 95: Jan was d'r blijd om geweest, dat ie niet op z'n ziel had gekregen; V. Schothorst, 231: iemand op zijn ziel komen, op zijn rug komen, ranselen; Nw. School II, 328: Als mijn jongen bij 'n vent zat, die 'em negerde, dan sloeg ik die vent op z'n ziel. Uit. Meer niet. Hij kreeg gewoon op z'n ziel van me; Nkr. IX, 4 Dec. p. 7: We hebben daar een pak op onze ziel gehad, niet? Ik dacht dat ze je dood sloegen. Hiernaast in den zelfden zin ‘op zijn zielement krijgenVgl. ook: Als je 't hart in je zielement hebt (zie Nest, 10; 34)., enz. o.a. Jong. 193: Ik zal jelui met m'n stok op je zielement komme: Boefje 40: ‘Je kan op je zielement krijge’, had ze gezeid; bl. 56: Toe ie bij z'n moeder was gekomme, had ie nog op z'n zielement gehad; syn. is donder of donderement (o.a. W. Leevend VII, 361; Nest 35).

2647. Met zijn ziel onder den arm loopen,

d.w.z. zich vervelen, rondloopen, zonder iets te doen te hebben; vgl. Harreb. I, 19: Hij loopt met zijne ziel onder den arm; Leeskabinet, 1863, 13: Van doctors gesproken, die loopen nu warempel ook al met de ziel onder den arm; want geen jaar nog was er zoo'n epidemie van - gezondheid, als in 't jaar 1862; Nkr. IX, 10 Juli p. 7: Om negen uur waren al de Joden an 't korveeën, en wij liepen met ons ziel onder ons arm hierboven over 't fort; Het Volk, 8 Sept. 1915 p. 6 k. 4: Al die menschen loopen hier 's Zondags met d'r ziel onder den arm, want in dit gehucht is geen afleiding, geen gelegenheid tot lezen of studeeren; Handelsblad, 28 Juli 1917 (A) p. 13 k. 5: Weet dan dat wij na den dienst in een of ander Brabantsch gehucht veelal met onze ziel al 3 jaar onder arm loopen en niets meer doen dan kankeren; afrik. met jou siel onder jou arm rondloop.

2648. Zijne ziel in lijdzaamheid bezitten,

d.i. gelaten iets dulden; niet toornig worden; ontleend aan Luc. XXI, vs. 19: Besittet uwe zielen in uwe lijdtsaemheyt. Vgl. mnl.: In uwer verduldicheit of gedoochsamheden soo selt ghi uwe sielen besitten (Ruusbr.); Groot-Nederland, 1914, bl. 393: Laten we onze zielen in lijdzaamheid tezamen bezitten en onze hoop en idealen met liefde en veerkracht hooghouden!; Het Volk, 15 Nov. 1915 p. 5 k. 4: In de Oranjekazerne in Den Haag was een Engelsch officier geïnterneerd, die z'n ziel in lijdzaamheid bezat en in het residentiestadje zoo goed mogelijk de ballingschap trachtte te dragen; Ndl. Wdb. VIII, 2235; fr. posséder son âme par la patience; hd. die Seele mit Geduld fassen; eng. to possess one's soul in patience.

2649. Ter zielen gaan,

d.w.z. sterven; eig. gaan naar de plaats, waar de zielen der afgestorvenen zich bevinden, ad patres gaan (no. 1785) of zooals men in Twente zegt ophemmelen; ter zielen zijn, overleden zijn; vgl. mnl. te zielen werden, overleden zijn. Zie Huygens, Korenbl. II, 320:

 Klaes is syn Wijfje ter Zielen gegaen,
 Hy isser wel af, en hy isser wel aen.

Vgl. ook Vondel, Virg. I, 183; II, 26; 199; 231; Leeuwendalers, vs. 1471: Van twintigh daelde geen zoo welgemoedt ter zielen; Hersch. I, 711: Hy weet niet of ze leeft, of lang ter ziele zonk; Brederoo, Lucelle, vs. 2678: Wie eens ter zielen vaart, en komter niet weer uyt; Tuinman I, 321; II, 235; Sewel, 988 en Halma, 808: Ter zielen vaaren, in 't rijk of den staat der verstorvenen komen; Harreb. II, 501.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut