Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ziek - (niet gezond)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ziek bn. ‘niet gezond’
Onl. siek ‘niet gezond’ in thie geknisedon ande thie siechon lichamon ‘de gekneusde en zieke lichamen’ [ca. 1100; Will.]; mnl. siec in din mvoter is uil siec ‘je moeder is heel ziek’ [1201-25; VMNW].
Os. siok (mnd. sēk); ohd. sioh (nhd. siech); ofri. siāk (nfri. siik); oe. sēok (ne. sick); on. sjúkr (nzw. sjuk); got. siuks; alle ‘ziek, zwak’, < pgm. *seuka-. Hierbij hoort een sterk werkwoord *seukan- ‘ziek zijn’, dat echter alleen is geattesteerd als got. siukan. In andere talen is een zwak werkwoord ‘ziek zijn/worden’ van het bn. afgeleid: mnl. sieken (zie onder); ohd. siohhēn; on. sjúkna, sokna.
Verdere herkomst onbekend.
ziekte zn. ‘het ziek zijn, kwaal, specifieke vorm van ziek zijn’. Mnl. siecte ‘het ziek zijn’ in Meester P., die over him ghinc in siere ziecte ‘dokter P., die hem behandelde toen hij ziek was’ [1343-44; MNW], ‘kwaal, specifieke vorm van ziek zijn’ in Nyet allene die lijflike siecten, mer ooc mede die suucten der seden [begin 15e eeuw; MNW]. Afleiding van ziek met het achtervoegsel → -te. In de concrete betekenis ‘kwaal, specifieke vorm van ziek zijn’ is in het Middelnederlands het verwante woord sucht gebruikelijker, zie → zucht. ♦ zieken ww. ‘zeuren, de sfeer bederven’. Mnl. sieken ‘ziek zijn, ziek worden’ [1240; Bern.], in Soo wanneer een broeder begint te ziekene [ca. 1450; MNW]; vnnl. in sieckende soldaten [1645; iWNT]; nnl. zieken overdrachtelijk ‘zich ergerlijk gedragen, vervelende opmerkingen maken’ [1984; Van Dale]. Afleiding van ziek. De letterlijke betekenis is verouderd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ziek* [niet gezond] {siec 1236} oudsaksisch siok, oudhoogduits sioh (hoogduits siech), oudfries siāk, oudengels seoc (engels sick), oudnoors sjūkr, gotisch siuks; de etymologie is onzeker, ondanks verschillende speculatieve pogingen tot verklaring.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ziek bnw., mnl. siec, os. siok, ohd. sioh (nhd. siech), ofri. siāk, oe. sēoc (ne. sick), on. sjūkr, got. siuks. — Zie: ziekte, zucht 2, zwak en sukkelen.

Etymologie onzeker: — 1. Een oude verbinding is die met zwak, maar deze is niet aannemelijk (dan dus germ. wt. *seuk naast *swek. — 2. Bij mnl. sūken, oe. sūcan (ne. suck) ‘zuigen’, naast oe. socian (ne. soak) ‘opzuigen’, nzw. såka ‘inzuigen’, dat naast zuigen staat. Dan is ‘ziek’ dus eig. ‘uitgezogen’ en men kan dan denken aan het volksgeloof, dat ziekte door zuigende demonen veroorzaakt wordt (N. Lid NTS 7, 1934, 170); een interessante verklaring, maar die het begrip wellicht te zeer verengt. — 3. bij arm. hiucanim ‘kwijn weg’ (Lidén bij Holthausen IFJ 44, 1927, 191 en IEW 915), maar ook dan geïsoleerd en zonder verbindende tussenleden. — Zie verder nog Feist, Et. got. Wb. 426, en ook AEW 479. — Ten slotte is op te merken dat men hiermee ook verbindt oe. sūsl (< *suh-sla) ‘pijn’, on. sȳsl, sȳsla ‘bezigheid, ambt, ambtsgebied’, sȳsl (< *suhsli-) ijverig, zorgzaam’. Of men met IEW 915 daarbij moet uitgaan van een begrip ‘het door de uit plicht verrichte arbeid veroorzaakte onlustgevoel’ is zeer twijfelachtig; oorspr. zal men het ambt niet zo negatief hebben opgevat. Eerder kan men aannemen dat het grondbegrip ‘arbeid in de gemeenschap’ geweest is en dat daaruit later die van ‘moeizaamheid, inspanning’ is voortgekomen. Er zijn verder mogelijkheden met germ. siuwan ‘naaien’ verband aan te nemen (vgl. ohd. siuwan, oe. sēowan, on. sȳja, got. siuwan) en dan het begrip ‘naaien’ uit die van ‘vlechten’ af te leiden; voor verdere hoewel onzekere combinaties vgl. AEW 572.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ziek bnw., mnl. siec. = ohd. sioh (hh; nhd. siech), os. siok, ofri. siâk, ags. sêoc (eng. sick), on. sjûkr, got. siuks “ziek”. Hierbij sukkelen, zucht II en zwak. Voor den ablaut vgl. zieden en verwanten. Buiten ’t Germ. is lit. saugóju, saugóti “hoeden, behoeden” vergeleken; onzeker wegens de bet. Voor andere combinaties zie bij zwak.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ziek. Lidén (bij Holthausen IF. 44, 191) combineert arm. hiuc-anim ‘ik kwijn weg’, dat semantisch beter aansluit dan de in het art. genoemde lit. woorden. Zie nog zwak Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ziek bijv., Mnl. siek, Os. siok + Ohd. sioh (Mhd. siech, Nhd. id.), Ags. séoc (Eng. sick), Ofri. siák, On. sjúkr (Zw. sjuk, De. syg), Go. siuks: Germ. wrt. seuk, waarnevens wrt. swek (z. zucht 2 en zwak).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

ziek bn., (ook, ironisch:) dwaas, gek. Ach man, je bent ziek!
— : ziek in zijn hoofd, gek, krankzinnig.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zieke (ingebeelde --) (vert. van Frans malade imaginaire)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Ziek, van een vermoedelijken Germ. wt. seuk = zwak zijn (verwant met zwak). Afl. is ook zucht = ziekte: waterzucht, geelzucht; ziek of zuchtig worden. Zie ook Sukkelen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ziek ‘niet gezond’ -> Duits dialect zeik ‘niet gezond’; Petjoh ziek ‘niet gezond’; Javindo siek ‘niet gezond’; Negerhollands siek, sik ‘niet gezond’; Berbice-Nederlands siki ‘niet gezond’; Sranantongo siki ‘niet gezond; ziek zijn, ziekte; verzieken’ (uit Nederlands of Engels); Saramakkaans síki ‘niet gezond’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ziek* niet gezond 1236 [CG I1, 23]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1474. Mank gaan,

d.w.z. gebrekkig, kreupel gaan, hinken, dus niet goed gaan; ook in overdrachtelijken zin gebrekkig zijn, evenals het lat. claudicare; fr. clocher; hd. hinken; eng. to halt, in de uitdr. die vergelijking, dat bewijs gaat mank, is gebrekkig, niet juist. Vgl. Hooft, Ned. Hist. 938: O hinkende gelykenis; 300: Hoewel de verweernis groflyk hinkte; Halma, 337: Een mank of gebrekkelijk bewijs; die gelijkenis, bewijsreden gaat mank. Vandaar bij uitbreiding aan iets mank gaan, gebrekkig zijn ten opzichte van iets, aan een euvel lijden (18de eeuw), aan hetzelfde euvel mank gaan, met hetzelfde zedelijk gebrek behept zijn, syn. van in ' t zelfde gasthuis ziek liggen (Halma, 808) en aan hetzelfde been mank gaan, met hetzelfde sop overgoten zijn (Joos, 77). Zie Ndl. Wdb. IX, 209; Villiers, 78.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut