Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zicht - (het zien)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zicht zn. ‘vermogen om te zien’
Mnl. sicht ‘aanblik, uiterlijk; vermogen om te zien, het zien’ in Hij bleve doot lichte van sulker claerheit, van sulken sichte ‘hij zou waarschijnlijk sterven door zo'n helderheid, door zulk een aanblik’ [midden 14e eeuw; MNW], Scarp van sichte als een aren ‘scherp van zicht als een arend’ [ca. 1410; MNW]; vnnl. in oft by sicht, oft doncker ... is ‘of het bij daglicht of bij donker is’ [1566; iWNT], tonser eerster zichte ‘bij onze eerste ontmoeting’ [1580; iWNT].
Op grond van het onzijdige woordgeslacht en de late attestering is dit wrsch. een verkorting van → gezicht (FvW), met latere differentiëring van betekenis.
Andere Germaanse talen hebben alleen een vrouwelijk woord: mnd. sicht; ohd. siht (nhd. Sicht); oe. -siht; alle ‘aanblik; het zien’, < pgm. *sih(w)ti-, een abstractum bij de wortel van → zien.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zicht2* [het zien] {sicht 1410} middelnederduits sicht, middelhoogduits siht, oudengels sihþ, deens sigte, zweeds sigt; van dezelfde stam als zien.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zicht 2 znw. o., mnl. sicht o. ‘gezicht, blik’, indien niet een jongere vorm naast gezicht kan men vergelijken mnd. sicht v., mhd. siht (nhd. sicht) ‘het zien, aanblik’ < germ. *seh(w)ti-, nomen actionis bij zien.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zicht II znw. o., mnl. sicht o. “gezicht, blik” (zeer zeldzaam). Eer een jongere vorm naast gezicht dan met mhd. siht (nhd. sicht), mnd. sicht v. “het zien, aanblik” op germ. *seχ(w)ti-, nomen actionis bij zien, teruggaand.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zicht 2 o. (het zien), + Hgd. sicht, Eng. sight: staat tot zien (z.d.w.) als wicht 1 tot wegen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

ziech (zn.) zicht; Middelnederlands sicht <1410>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sig I: wat gesien (kan) word, veral in kompo. en afl. soos gesig, sigbaar, uitsig, vooruitsig; as simp. veral in verbg. soos in – “sigbaar” en op – , “ter insae”; Ndl. zicht (Mnl. sicht), Hd. sicht, Eng. sight, hou verb. m. sien.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zicht ‘het zien’ -> Duits Sicht ‘het zien’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens sigte ‘vizier, bedoeling’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors sikt, sikte ‘vizier’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds sikt ‘het zien’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zicht* het zien 1410 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut