Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zeven - (7)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zeven 1 telw. ‘7’
Onl. sivon in toponiemen, in Sibenuurde, letterlijk ‘zevenwoerd’ [wrsch. 819-25, kopie 1150-58; Künzel], sivun hofstadi ‘zeven hofsteden’ [10e eeuw; ONW]; mnl. seven in seuen dagen ‘zeven dagen’ [1236; VMNW].
Os. siƀun (mnd. seven, söven); ohd. sibun (nhd. sieben); ofri. si(u)gun, sawen, saun (nfri. sân); oe. seofon (ne. seven); on. sjau (nzw. sju); got. sibun; < pgm. *sebun.
Verwant met: Latijn septem (Frans sept); Grieks heptá; Sanskrit saptá; Avestisch hapta; Litouws septynì; Oudkerkslavisch sedmĭ (Russisch sem'); Oudiers secht; Armeens ewtʿn; Albanees shtatë; Tochaars A ṣpät; < pie. *septm (IEW 909). Het is onduidelijk waarom in de Germaanse vormen elk spoor van een dentaal ontbreekt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zeven* [telwoord] {oudnederlands sivon 901-1000, middelnederlands seven} oudsaksisch siƀun, oudhoogduits sibun, oudfries sigun, oudengels seofon, oudnoors sjau, gotisch sibun; buiten het germ. latijn septem, grieks hepta, (< ∗septa), oudiers secht, welsh saith, litouws septyni, oudkerkslavisch sedmĭ, hettitisch šipta, oudindisch sapta. De uitdrukking zeven is een galg vol [gezegd als een gezelschap tot zeven is aangegroeid] werd oorspr. gebruikt om aan te duiden dat de besproken personen niet veel edels waren. De uitdrukking komt van de grote galg waar zeven personen aan werden gehangen, de grootste schurk op de ereplaats in het midden. In op zijn zeven gemakken [op zijn dooie gemak] duidt ‘zeven’ een onbepaald aantal aan.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zeven 2 telw., mnl. sēven, onfrank. sivon-, os. siƀun, ohd. sibun (nhd. sieben), owfri. sowen, sawen, saun, oe. seofon (ne. seven), on. sjau (< sjǫƀu < seƀun), got. sibun. Het ofri. heeft sigun, siugun, sogon met g naar nigun ‘negen’. — Idg. grondvorm *sepṃ < *septṃ vgl. lat. septem, gr. heptá, oi. saptá, av. hapta, toch. A špät, Β šuk(t); naar het rangtelw. osl. sedmĭ, lit. septynì, terwijl alb. shtatë (< s[e]ptm-ti) een abstractum is als oi. saptatí- ‘zeventig’.

Men verklaart germ. *siƀun in plaats van *seftu ( *septṃ) door de invloed van het ordinale *septṃto > *sepṃto > germ. *siƀunda- (Hamp, Word 8, 1952, 136-139). — Voor de dialectische uitspraak zeven: zeuven zie de kaart van J. W. G. ten Holt in Taalatlas afl. 1, 2. — Voor de opmerkelijke overeenstemming van het idg. woord voor 7 en de semietische naam, zie het onder zes opgemerkte.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zeven II telw., mnl. sēven. = onfr. sivon (in sivonvaldun “septuplum”), ohd. sibun (nhd. sieben), os. *siƀun, ofri. sigun (siûgun, sogon; met g naar nigun “negen”), owfri. sowen (sawen, saun), ags. seofon (eng. seven), on. siau, got. sibun, krimgot. sevene “zeven”. Evenals frank. septun (Lex Salica) “id.” uit idg. *septṃ (vgl. avond), waarop ook ier. secht n-, lat. septem, gr. heptá, arm. eutʿn, oi. saptá “zeven” teruggaan. Een verlengde vorm in lit. septynì “id.”. Alb. štatɛ, obg. sedmĭ “id.” zijn znww. De germ. vorm op -un met bewaarde n wordt òf door invloed van ’t ordinale òf uit *seƀune verklaard (met -e naar *fimfe; zie vijf).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zeven II telw. Zeer verbreid is in N.-Nederland de geronde vorm zeuven (kaart bij v.Ginneken Taaltuin 2,116); vgl. reeds mnl. sȫven ‘zeven’ en zie verder bij gene Suppl. Door het gebruik bij het telefoneren wordt deze vorm langzamerhand beschaafd.
Bij de verwanten buiten het Germ. adde: toch. A. ṣpat ‘id.’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zeven telw., Mnl. seven, Onfra. sivon, Os. siƀun + Ohd. sibun (Mhd. siben, Nhd. sieben), Ags. seofon (Eng. seven), Ofri. sigun, On. sjau (Zw. sju, De. syv), Go. sibun + Skr. sapta, Arm. eutʽn, Gr. heptá, Lat. septem, Oier. secht, Osl. sedmǐ, Lit. septyni. Het Germ. heeft de Idg. t tusschen een consonant en een volgende nasaal uitgestooten (cf. tinne). — In de mijl op zeven gaan moet men verstaan op zeven mijlen en niet aan volksetym. vervorming denken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zeve (telw.) zeven; Aajdnederlands sivon <819-825>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

II. zeven telw.: zeven even, tien niet gezien: mode-uitdrukking in de jaren 1970 m.b.t. het toenmalige verschijnsel dat vele ambtenaren hun dagelijkse diensturen niet vol maakten. - Etym.: Bet. ’Ze komen even om 7 uur, de officiële begintijd van hun werkdag, en zijn om 10 uur al weer vertrokken.’
— : zeven geesten (mv.), mengsel van zeven ’oliën’, gebruikt voor magische doeleinden, i.h.b. om te baden* (3) in geval van tegenslag. Het uur was niet gunstig, maar wat moest ze nu het zo ver met haar was? Ze schudde de fles met ’Zeven Geesten’, deed er een scheutje van in het water, bad wanhopig terwijl ze probeerde de andere flesjes open te krijgen. Niets mocht haar overkomen (Vianen 1979a: 181). - Etym.: Bij geest moet gedacht worden aan de verouderde AN bet. van ’vluchtige vloeistof’, hoewel niet alle ingrediënten van z. g. dat zijn. Voorbeeld van een bestaand mengsel, als beschreven door de samensteller: commando-olie*, love-olie*, roosolie*, jasmijnolie, succesolie*, sandelolie en compelolie*. Volgens andere informatie kunnen ook tot het mengsel behoren: amandelgeest*, rozengeest*, colachampagne*, grenadine en aftreksels van vanille, ananas en rode en witte lavendel.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

seuwe: wv. v. sewe, ook dial. Ndl. seuve(n) naas Ndl. zeven (v. Kloe HGA 166-9 met kaart).

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Zeven, symbolisch getal dat Gods heiligheid aanduidt.
Zeven maal zeven, zeventig maal zeven maal, 49 resp. 490, in een omschrijving die de symbolische waarde van het getal zeven versterkt.

Het getal zeven heeft een belangrijke goddelijke symboliek in de gehele bijbel: God schiep hemel en aarde in zeven dagen, de zevende dag is de sabbatdag en het zevende jaar een sabbatjaar; bij offers waren zevenvoudige handelingen vereist, de kandelaar is zevenarmig en in het bijbelboek Openbaring zijn er zeven zegels te verbreken. Zie ook Jaar, Jubeljaar en Sabbat.
Ook het getal tien had een bijzondere waarde; dit was het getal van de zondige wereld. Zeven maal tien geeft zeventig, en ook dat getal speelt een rol in de bijbel. Zo zal volgens Genesis 4:24 Kaïn zevenvoudig worden gewroken, maar Lamech (in de Statenvertaling, 1637) tseventig mael seven mael (in de NBV: zevenenzeventigmaal). Verder komen we deze combinatie tegen in het antwoord van Jezus op de vraag van Simon Petrus hoevaak hij iemand die tegen hem zou zondigen moest vergeven: 'Niet tot zevenmaal toe, zeg ik je, maar tot zeventig maal zeven' (Matteüs 18:22, NBV).

Rijmbijbel (1271), v. 1247-50. DOe maecte noe .j. outaer / jn gods eere ende betaelde daer / Ende offerdere up van suueren dieren / Seuene van hare manieren (Toen maakte Noach een altaar ter ere van God en voldeed aan zijn plicht en offerde er van elke reine diersoort zeven .)
Waar zelfs de rechtvaardige zeven maal per dag in zijn onvolkomenheid struikelt, hebben wij prutsers zo'n steuntje in de rug nodig [de biecht]. (T. Kortooms, Mijn kinderen eten turf, 1967 (1959), p. 106)
Maar Melchior was bezig met het ritueel van de koffie: 'Zeven keer het water op laten komen, zoals Jozua zeven keer rond Jericho trok'. (N. Noordervliet, De naam van de vader, 1994 (1993), p. 184)
De liefde een arme wereld, / dansend als een blinde beer // op een aarde steeds weer drinkend / haar zeven teugen maan, zeven maal zeven slokken zon. (H. Andreus, Verzamelde gedichten, 1983 (Liefdeslied, 1961), p. 555)
Rijmbijbel (1271), v. 24083-89. Pieter die bevraghedem saen. / Hoe dicke hi vergheuen soude. / Sinen broeder sine scoude. / Oft ghenoech ware an .vij. warf. / Ons here sprac als ons bedarf. / Jc ne segghe niet .vij. warf allene. / Mar tseuentech warf .vij. warf ghemene. (Petrus vroeg hem daarna hoevaak hij zijn broeder zijn schuld vergeven moest: was zeven maal genoeg? Jezus noemde onze plicht: Ik zeg niet alleen zeven maal, maar zelfs zeventig maal zeven maal.)
Wat ik mijn lief heb misdreven / heeft zij vergeven / zeven maal zeventig maal. (I. Gerhardt, Verzamelde Gedichten, 1980 (Stem van de dichter, z.j.), p. 285)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zeven ‘telwoord’ -> Javindo seven ‘telwoord’; Negerhollands seven, seeven ‘telwoord’; Berbice-Nederlands sewn ‘telwoord’; Sranantongo seibi (ouder: seben, seebien) ‘telwoord’; Sranantongo zeven ‘telwoord’; Aucaans seibin ‘telwoord’; Saramakkaans sebèn ‘telwoord’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zeven* telwoord 0701-800 [Lex Salica]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

907. Zijn hoed staat op drie haartjes.

Men zegt dit van iemand, wiens hoed parmantig, scheef, 17de eeuw kuin, op zijn hoofd staat. De zegswijze, die thans ook in het Noorsch wordt aangetroffen, komt in de 16de eeuw voor bij Sartorius I, 9, 3: 't Bonetken op drie haerkens; vgl. ook Brederoo, Sp. Brab. 511: Jonker jou hoetje staet wel netjens op drie haertjens; Hondius, Moufeschans, 510: Om de mutse naer de wetten op een enckel haer te setten; Tuinman II, 185: Op drie hairtjes staan; Jong. 235: Soms vergat hij in het vuur zijner rede den op drie haren staanden kachelpijp af te nemen. Synoniem is de zegswijze: den hoed (de muts, de pet) op half zeven (of half elf) zetten (vgl. o.a. Jord. 22: Jen Terwee het se pet op half elf), waarbij wellicht moet worden gedacht aan den schuinen stand van den eenigen wijzer op een oud torenuurwerkNdl Wdb. V, 1641 en vgl. in Antw. Idiot. 1821: Het kloksken van elf uren luidt zegt men spottend van iemand die mank gaat.; vgl. O.K. 54: Toon! zet je hoed recht, hij staat op halfzeven! In Antwerpen zegt men hiervoor zijn klak staat op halverzeven (Antw. Idiot. 528; 1482). In Groningen beteekent halfzeven zijn dronken zijn (Molema, 143 bHarreb. II, 499 b.), waarbij sommigen denken aan het eng. half seas over, dat in denzelfden zin gebruikt wordtNoord en Zuid V, 270 en Woeste, 236 b: He es half siewen, er ist toll und voll; hd. halb sieben sein.), doch dat eerder te verklaren is uit Pers, 246 b: Men lette onder de maeltijd wel op Heer Dirk, dat hem doch geen glaesjen mocht voor-by-slippen; nu ter halver zee en in den geest opgetogen. In Zuid-Nederland half zeil zijn (Volkskunde XIV, 144). Ook in Duitsche dialecten is in beide beteekenissen bekend den Hut auf elf (oder auf halber zwölf, op halver achte, aufs Ohr) setzen, tragen (Wander II, 944; Eckart, 229); eng. on nine hairs.

1518. De mijl op zeven gaan,

d.w.z. een omweg maken; eig. de mijl niet op vier maar op zeven vierde deelen nemen, dus den weg, dien men te gaan heeft, met drie vierendeelen op elke mijl door omloopen verlengen. Zoo zegt men ook: den weg op vijf vierels nemen; in Groningen: 't uur op vief vörl loopen; in Holstein: en weg up fiefveerendeel = een omweg, terwijl volgens Taalgids V, 174 in het Nedersaks. Wdb. III, 160 wordt opgegeven: eene Mil up fief Varndeel; zie Wander III, 566: auf eine Meile sieben viertel gehen; Tijdschrift XVI, 251; Ndl. Wdb. IX, 706; Molema, 459 en Taalk. Magazijn III, 64. De gewone meening als zou men deze uitdr. in verband moeten brengen met den slingerweg, die tusschen de dorpen Meyel en Sevenum liep, is niet te verdedigen, aangezien de uitdr. reeds bij Hooft, Ned. Hist. 48, voorkomt en die weg, indien hij bestond, toch niet zulk eene vermaardheid kon hebben, dat hij spreekwoordelijk werd. Volgens Schuermans, 884 b zegt men in Zuid-Nederland den weg op zeven gaan (zie ook Tuerlinckx, 722 en 744); volgens Rutten, 274 a: den weg op zeven doen; in het Waasch Idiot. 764: den weg op zeven of zevenen gaan, waar dus van een mijl geen sprake is en evenmin gedacht kan worden aan het dorpje Meyel; in Antw. Idiot. 815: de mijl op zeven gaan; dat is de mijl op zeven, dat is een groote omweg. Zie verder Noord en Zuid XIX, 31-33; XX, 367 en vgl. nog W. Leevend VII, 359: de koers op zeven nemen; VI, 376: dat is mijl op zeven.

1585. Zoo vast als een muts met zeven keelbanden,

d.w.z. heel vast, heel zeker; Tuinman I, 59 spreekt van: Dit was ruim zoo vast als een mutsje met een keelband; bij Modderman, 149: De vreugde is niet zoo vast als een mutsje met een keelband; Folie I, 146: 't Is soo vast als een Muts met negen-en-negentig keelbanden. Van zeven is sprake bij Van Dale: Dat is zoo vast als eene muts met zeven keelbanden, dat is vast en zeker; De Vrijheid, 6 Dec. 1922, 3de blad: Of je van de kat of den kater gebeten wordt, is anders precies hetzelfde. En in elk geval staat het dan toch maar vast als een muts met zeven keelbanden, dat ik m'n buurvrouw wel degelijk goed begrepen heb; fri. in mûtse mei saun kielbânnen.

2078. In (of naar) geen zeven (of twee) slooten tegelijk loopen,

d.w.z. niet onvoorzichtig zijn, goed uitkijken, niet van gisteren zijn. Vgl. Snorp. 29: Daerom vreest men Man oock voor een ongelock; maer, datjet weet, ick en sel in gien twie slooten gelijck loopen; Tuinman I, 271: Hij zal in geen twee slooten seffens loopen (ook Nal. 14); C. Wildsch. VI, 26: Nu Tantelief! al je zorg en kwelling was voor niet: heb ik je niet altijd gezegd dat Keetje in geen twee slooten te gelijk loopen zou? Nest, 33; 101: Ik zal naar geen zeven slooten te gelijk loopen; J. Steynen, Verbijsterden, 24: Ze was een flinke bij-de-hande meid, zou in geen zeven slooten tegelijk loopen; V.v.d.D. 8: Ik mopperde dat ik toch zeker wel de baas over me zelf was en dat ik in geen zeven slooten tegelijk zou loopen; Ndl. Wdb. VIII, 2830. Vgl. voor Zuid-Nederland Waasch Idiot. 667: Hij zal in geen twee grachten te gelijk springen, als er maar een is, hij is slim, voorzichtig; Antw. Idiot. 2097: Hij zal in geen twee grachten (of slooten) te gelijk springen, hij is te slim om zich te laten beetnemen; Teirl. 515.

2229. In alle (of zeven) talen zwijgen,

d.w.z. geheel zwijgen, niets zeggen; hd. in sieben Sprachen schweigen. Vgl. Haagsche Post, 26 Jan. 1918, p. 89 k. 2: De oude graaf Herting zwijgt nog steeds in alle talen; Handelsblad, 4 Mei 1923 (O), p. 5 k. 3: Hij sprak over een politieke manoeuvre, maar moest zelf maar zwijgen in alle talen die hij kent; 25 Jan. 1924 (O), p. 7 k. 6: Toen wij in Zwitserland waren stonden de Zwitsersche bladen vol over de Zw. kampioenen. Toen gebleken was dat een aantal Hollanders deze kampioenen vèr achter zich lieten, zwegen die bladen in alle talen; N. Taalgids XVII, 51: Daarvan schrikt natuurlijk het wordende begrip in de kandidaat; dit trekt zich terug, duikt weer achter de horizon, en de kandidaat zwijgt voor altijd in zeven talen.

2644. Zeven is een galg vol.

Men bezigde deze uitdrukking om te kennen te geven, dat de personen, waarover men spreekt niet veel zedelijke waarde bezitten; thans wanneer een getal personen tot zeven aangroeit. De uitdrukking is ontleend aan het getal misdadigers dat aan de groote, op drie stijlen rustende galg hangen kon, de eereplaats in 't midden, iets hooger dan de zij-plaatsen, werd dan ingenomen door den grootsten schurk. Vgl. Tuinman 1, 147: Dit hebben zy (de vrijbuiters) met de zeeroovers gemeen, waarom zy tot een maatschappy en galg behooren. Zeven van de zelve is een galg vol; Ndl. Wdb. IV, 171; Taalgids V, 187; Molema, 484: zeuven is 'n galg vol; net 'n galg vol; Antw. Idiot. 1482: Meer lawijt maken als zeven dieven aan de galg; nd. söwen es en volle galleg; hd. Sieben machen einen Galgen voll (Wander, IV. 552). In joodsche taal kent men een ganze thelieë (galg) vol!, een heel gezelschap, een heele troep (Esther IX, 14N. Taalgids X, 284.).

2645. Op zijn zeven gemakken,

d.w.z. op zijn doode gemak, zeer langzaam; eene vooral in Zuidndl. bekende uiddrukking, waarin het getal zeven een onbepaald aantal uitdruktZie voor dit gebruik in de middeleeuwen Mnl. Wdb. VII, 1025 en vgl. het Zuidndl. met zeven haasten of gauwten, zeer haastig.. Vgl. Handelsblad, 8 April 1918 (A) p. 6 k. 3: Er wordt over 't algemeen flink en hard gewerkt door het personeel, maar wij hebben toch lokalen bezocht, waar de helpende dames en heeren op hun zeven gemakken zaten en hun taak wel wat gemakkelijk opvatten; Druiventros, 11: Onofrio, de muts over zijn ooren en zijn veermansjekker aan, kwam al stoppende zijn pijpje op zijn zeven gemakken het trapje afgestapt; F. Timmermans, Symforosa, 53: En het regent nu op zijn zeven gemakken; Antw. Idiot. 466: Op zijn zeven gemakken, zeer langzaam; Schuermans, 884: Op zijn zeven gemakken, heel op zijn gemak; Waasch Idiot. 760: Op zijn zeven of zeventien gemakken iets doen, zeer langzaam; Teirl. 471.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut