Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zeulen - (voortslepen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zeulen ww. ‘voortslepen’
Vnnl. seulen ‘zich moeizaam voortbewegen’ in (over een vloot) Waren over 20. daghen van Lisboenen gheseult ‘wij hadden gedurende 20 dagen moeizaam gevaren vanaf Lissabon’ [1598; WNT], ‘voortslepen’ in ronde houten, om haer schepen daer me overplanken ... langs den gront te seulen ‘ronde houten om hun schepen daarmee over planken langs de zeebodem te slepen’ [1667; WNT]; nnl. zeulen ‘voortslepen, met moeite dragen’ in 't zeulen van een ... vracht [1847; WNT], Twee meiden zeulden samen een matras [1917; WNT], als je een zware koffer mee moet zeulen [1973; Krantenbank Zeeland].
Verwant met os. suli ‘het slepen van een kleed’; oe. sulh ‘ploeg, vore’. Mogelijk hierbij ook mnd. solen, sölen ‘vuil werk verrichten’ (nnd. sölen ‘moeizame arbeid verrichten’), zie → bezoedelen. Zie ook → sul.
Verwant met Latijn sulcus ‘vore’, sulcāre ‘ploegen’; Grieks hélkein ‘trekken’; Albanees heq ‘trek, scheur af’ (< *skalkja < *salkja); < pie. *selk-, *solk- ‘trekken’ (LIV 530).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zeulen* [voortslepen] {1598 als ‘sukkelen’; de huidige betekenis 1667} oudsaksisch suli [het slepen van het kleed], oudengels sulh [ploeg]; buiten het germ. latijn sulcus [vore], grieks helkein, (< ∗swelkein) [trekken], albaans helk, litouws velku [ik trek] → suilen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zeulen ww., eerst nnl., ook oostfri. daarnaast suilen en sullen. Men kan verbinden os. suli ‘het slepen’ (van een kleed). — Gaat men voor zeulen uit van een germ. grondvorm *sulh dan kan men verbinden wvla. zole, zeule v. ‘zware wielploeg’, vgl. zolen, zeulen ‘ploegen’, oe. sulh ‘ploeg, voor’, vgl. lat. sulcus ‘vore’, gr. holkós ‘het trekken, trek’ bij hélko ‘trekken’ van een idg. wt. *selk ‘trekken’ (IEW 901).

In het idg. is ook een wt. *u̯elk aan te nemen, blijkens gr. aulaks ‘vore’, lakoons eulákā ‘ploeg’, lit. velkù ‘trekken’. (IEW 1145). Mogelijk zijn beide wortels te verenigen tot *su̯elk, waaruit men suilen zou kunnen afleiden, vgl. nwfri. sjoele ‘spelen op de sjoeltafel, slepen, sloffen, schuiven, schoffelen’ en verder sul (W. de Vries Ts. 44, 1925, 199).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zeulen ww., nog niet bij Kil. Ook oostfri. Verwant met os. suli “het slepen (van ’t kleed)”, wvla. zole, zeule v. “zware wielploeg” (waarbij zolen, zeulen “ploegen”), ags. sulh v. “ploeg”. Voor verwanten hoogerop zie zwelgen. Vgl. nog suilen. Mnl. mnd. sōlen “zich vuil maken, vuil werk doen” is een heel ander woord.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zeulen o.w., hierbij Vla. zeule = zware wielploeg, Ags. sulh = ploeg, Os. suli = het slepen van het kleed; dezelfde wortel met verlenging in zwelgen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zeulen* voortslepen 1667 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut