Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zeug - (vrouwtjesvarken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zeug zn. ‘vrouwtjesvarken’
Mnl. soog [1240; Bern.], soghe, sueghe [1287; VMNW].
Zeug is de West-Nederlandse, gepalataliseerde vorm van de klankwettige en nog in vele dialecten voorkomende vorm zoog, ook wel zog en zoge.
Os. suga (mnd. soge); nfri. sûch; oe. sugu (ne. sow); nzw. sugga, nno. sugga; < pgm. *sug(g)ō- ‘zeug’. Sommige Nederduitse en Nederlandse dialectvormen met umlaut wijzen daarnaast op een i-stam *sugi-. Ook de West-Nederlandse vorm zeug zou hierop terug kunnen gaan.
Naast de wortel pgm. *sug(g)- staat het synoniem *sū-, waaruit: os. (mnd. ); ohd. (nhd. Sau); oe. ; on. sýr (nzw. so).
Pgm. sū- gaat terug op pie. *suH- ‘varken’, waaruit: Latijn sūs; Grieks hũs; Avestisch hū-; Lets suvēns; Albanees thi; Tochaars B suwo; alle ‘varken’ of in sommige talen ‘jong/mannetjes-/vrouwtjes-varken’, < pie. *suHs-. Pgm. *sugō- is een afleiding van de wortel *su-. Met dezelfde velaar (pie. *k) zijn afgeleid: Latijn sūcula ‘jong varken’; Sanskrit sū-kará ‘wild zwijn’; en Proto-Keltisch *su-kko- ‘varken’, waaruit: Oudiers soc(c) ‘snuit; ploegschaar’ (zie ook → sok 2); Cornish hoch; Welsh hwch ‘mannetjesvarken’; Bretons houc'h ‘id.’. Zie ook → zwijn.
Lit.: J. Goossens (1999), ‘Het vocalisme van zeug’, in: Taal en Tongval 51, 154-165

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zeug1* [vrouwtjesvarken] {soge, seuge 1287} oudsaksisch suga, hoogduits dial. Suge, oudengels sugu, zweeds sugga; buiten het germ. latijn suc(c)ula [biggetje], middeliers soc [varkenssnuit], welsh hwch [varken], oudindisch sūkara- [everzwijn]; van dezelfde i.-e. stam als zwijn.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zog 2 znw. v., zuidnl. vorm voor zeug.

zeug znw. v., mnl. soghe, seughe, sueghe (ook soch vgl. zuidholl. zog, noordbrab. zóg, zuidafr. sog), os. suga, nhd. dial. suge, oe. sugu (ne. sow) v.; vgl. ook nnoorw. dial. nzw. sugga, (met expressieve geminatie). — kelt. sukko- ‘zwijn, zwijnssnuit, ploegschaar’, vgl. miers soc m. ‘ploegschaar, snuit van varken’, kymr. hwch m. v. ‘varken’, lat. sucula ‘big’, oi. sukara m. ‘ever, varken’; gevormd met k-suffix van de stam sus ‘varken’ (zie daarvoor ook: zwijn).

Er is geen aanleiding de germ. vorm *sugo te verklaren door een overgang van w > g aan te nemen. — Voor de dial. woorden voor zeug zie de taalkaart van H. A. Goethart, Taalatlas afl. 1, 8. Het woord mot komt voor in Groningen, Oost-Friesl., Drente, Overijsel, Oost-Veluwe en de Achterhoek; moer in West-Vlaanderen. — Het woord zeug betekent ook pissebes (reeds 1521), vgl. Kiliaen vercken (zie de taalkaart van G. Kloeke, Taalatlas Afl. 1, 3). — Met nl. kolonisten verbreid naar het gebied van de Wezermond tot aan Oost-Pommeren en naar dat van de Weichsel (söj) (vgl. Mitzka, Album Blancquaert 1958, 224 en de kaart van H. J. Schwab ‘Mutterschwein’ in Wortatlas IV).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zeug I znw., mnl. sōghe, sȫghe (ook soch; nog dial., bijv. Assendelftsch zog, N.Brab. zóg; ook Zuidafrikaansch sog) v. = nhd. dial. suge, os. suga, ags. sugu (eng. sow) v. “zeug”. Hierbij ook noorw. dial. en zw. sugga “id.”. Van idg. *sû-, *suw- “varken” (zie zwijn), ’t zij de germ. ʒ als de onder niet zeker vastgestelde condities optredende klankwettige ontwikkeling van w te beschouwen is (zie mug) ’t zij wij van idg. *su-qâ- moeten uitgaan: vgl. dan ier. socc, kymr. hwch “varken”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zeug 1 v. (moederzwijn), Mnl. soghe, soch, Os. suga + Ags. sugu (Meng. suge), Zw. sugga: met g uit w van Idg. *suu̯-, gelijk zwijn, een afleid. van Ug. *sû- = zwijn: Os., Ohd. (Mhd. id., Nhd. sau), Ags. (Eng. sow), On. sýr (Zw., De. so) + Skr. sūkaras (= die zoe, zoe doet), Av. , Gr. hũs, Lat. sus: onomat. (z. zwijn).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

sog s.nw.
Wyfievark.
Uit Ndl. zeug (Mnl. soge, seuge, soch).
D. Sog (18de eeu), Eng. sow (725).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sog: vr. vark (teenoor ml. beer); Ndl. zeug (Mnl. sōghe/seughe/soch, Ndl. dial. ook zog/sog), Hd. sau (dial. suge), Eng. sow, hou verb. m. Lat. sus, Gr. (h)us; by vRieb (mv.) zeugen; v. ook Kloe HGA 74, 94-6, 99, ook kaart, asook seidissel, swyn.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

zeug: slonzige, dikke, luie vrouw; vrouw met veel kinderen. Vaak ook voor ‘een kwaadaardig, leugenachtig of vals vrouwmens’. In die laatste betekenis reeds opgetekend in zestiende-eeuwse kluchtspelen. In de hedendaagse jeugdtaal is zeug een scheldwoord voor ‘een ordinair of weinig aantrekkelijk meisje’.

Wat ben je dan? De stomste christenzeug van de Jordaanoever? (Herman Brusselmans, De terugkeer van Bonanza, 1995)
‘Dikke zeug,’ zuchtte ik. ‘Vadsige pad. Mongoolse rioolprop.’ (Tom Lanoye, Spek en bonen, 1999)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zeug* vrouwtjesvarken 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut