Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zestig - (60)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

zestig telw. ‘60’
Mnl. (t)sestech, -tich ‘60’ in uan sestech ponden ‘van 60 pond’ [1237; VMNW], zesse ende tsestich roeden ‘66 roeden’ [1294; VMNW]; vnnl. sestich, tsestich ‘60’ in vijftich. sestich. tseventich [1520; iWNT zeventig], vijftich, tsestich, tseuentich [1536; iWNT zeventig]. Voor onl. seszogh [ca. 1100; Will.] zie → -tig.
Gevormd bij → zes met het tot achtervoegsel geworden → -tig. Naar analogie van mnl. tseventech ‘70’, met t- als in → tachtig, ontstond de nevenvorm mnl. tsestech, vnnl. tsestich, tsestig. Zie → zeventig over het gevolg hiervan voor de uitspraak van dit woord.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zestig* [telwoord] {sestich, tsestich 1237} oudhoogduits sehszug, middelnederduits sestich, oudengels siextig, wordt uitgesproken met een scherpe s naar analogie van zeventig; van zes + -tig (vgl. zeventig, tachtig).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zestig 1 telw. met scherpe begin-s, vgl. mnl. tsestich (met ts naar tseventich, zie: zeventig), mnd. sestich, ohd. sehszug (nhd. sechzig), ofri. sextig, oe. siextig (ne. sixty), on. sex tigir (sextigi), got. saihs tigjus. — Zie: zes en -tig.

De scherpe uitspraak van z ís onregelmatig, daar dit telwoord behoort tot de groep van 20 tot 60 die niet zoals 70-90 met het prefix hund gevormd werden. Vgl. daarvoor Th. Frings, Fryske Stuzjes, Feestb. J. H. Brouwer 1960, 30-32, die nog wijst op uitspraak feertig, fijftig, in zuidnl. zelfs tfeertig, tfijftig.

zestig 2 In de uitdr. benje zestig waarschijnlijk een aan het telwoord aangepast jodenduits deelwoord gesjechtigd van het ww. sjechtigen naast sjechten ‘slachten’, waartoe ook behoort gesjochten (vgl. Nauta Ts 38, 1919, 30 vlgg.).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zestig telw., gesproken sestig, mnl. tsestich (met t-naar tsēventich, vgl. zeventig) naast sestich = ohd. sëhszug (nhd. sechzig), mnd. sëstich, ofri. sëxtig, ags. siextig (eng. sixty), on. sëx tigir, jonger sëxtigi, got. saíhs tigjus “zestig”. Zie -tig.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zestig. In de uitdr. ben je zestig? heeft Nauta Tschr. 38, 30 vlgg. willen zien het vervormde jodenduitse deelw. gesjechtigd bij sjechtigen naast sjechten ‘slachten’ (een anders gevocaliseerde hebr. stamvorm van dezelfde wortel bij † gesjochten Suppl.); onzeker. Vgl. fri. bisestere, bisjestere ‘dwaas, zot’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zestig telw., Mnl. sestich: z. dertig. De uitspraak sestig berust op een ouder vorm tzestig, analogievorm van tzeventig (voor die t, z. tachtig).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zestig ‘telwoord’ -> Negerhollands sestig ‘telwoord’; Berbice-Nederlands sesti ‘telwoord’; Sranantongo zestig ‘telwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zestig* telwoord 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2642. Ben je zestig?

d.w.z. ben je niet goed wijs? ben je van God verlaten? (no. 197); loop je met vrageboekjes?Vgl. Sjof. 212. Verneukie me, of loop-ie met vrageboekjes, snauwde die.; eig. ben je zestig jaar, daar op dien leeftijd gewoonlijk de zinnen beginnen te verzwakkenWellicht dateert de uitdr. reeds uit de l6de eeuw, daar de zot der Leidsche rederijkerskamer de witte Acoleyen tot zinspreuk had LXn (= elc sen tyt).. Vgl. d' Enchuyser Ybocken, 143:

 En komt men tot de vijftigh treden,
 Dan staet men op de hooghste trap;
 En 't sestigh daelt al na beneden,
 Dan worden sin en krachten slap,
 't Gehoor verdooft, de oogen stralen,
 Dat eertydts rees moet dan weer dalen.

Zie Halma, 807: Hij is zestig, hij zuft of is half gek; Sewel, 968: Word gy zestig (word gy mal, begint gy te mymeren), do you begin to rave, are you mad?In de Klucht van den Pasquil-maecker, 11: Word je zeventig?. Zie ook Br. v. Abr. Bl. II, 61; Harreb. III, CLII; Schuermans, Bijv. 399 b; Antw. Idiot. 1103; V. Schothorst, 198 en vgl. in Gron. bist bezestigd, ben je zestig, ben je gek? (Molema, 502 b); Jord. II, 78: bi je besestig!; fri. biste sechstich of besestere?; vgl. voor een soortgelijke uitdr. Rutten, 290 b: drijmaal zeven zijn, zeer slim zijn (ook in het Hagelandsch en Antw. Idiot. 1481); Schuerm. Bijv. 399 b: zestienjaar zijn, slim zijn, weten wat men doet. Zie no. 698.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal