Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zes - (6)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zes telw. ‘6’
Onl. in an then sehs tagen ‘in die zes dagen’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. ses in ses manden ‘zes maanden’ [1236; VMNW].
Os. sehs (mnd. ses); ohd. sehs (nhd. sechs); ofri. sex (nfri. seis); oe. sex, siex, six (ne. six); on. sex (nzw. sex); got. saihs; < pgm. *sehs- ‘6’.
Verwant met: Latijn sex (Frans six); Grieks héks, dial. wéks; Sanskrit ṣáṣ; Avestisch xšvaš; Litouws šešì; Oudkerkslavisch šeštĭ (Russisch šešt'); Oudiers ; Armeens vecʿ; Albanees gjashtë; Tochaars A/B ṣäk/ṣkas; < pie. *s(u)eḱs (IEW 1044).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zes* [telwoord] {ses(se), zesse 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits sehs, oudfries, oudnoors sex, oudengels siex, gotisch saihs; buiten het germ. latijn sex, grieks hex, (< ∗swex), albaans gjashtë, oudiers , welsh chwech, litouws šeši, oudkerkslavisch šestĭ, armeens vecʽ, oudindisch ṣaṣ. De uitdrukking van zessen klaar zijn [van aanpakken weten] betekent eig. dat een paard geen gebreken heeft aan zijn belangrijkste onderdelen, namelijk de beide ogen en de vier benen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zes telw., mnl. ses, sesse, os. ohd. sehs (nhd. sechs), ofri. sex, oe. siex (ne. six), on. sex, got. saihs. — lat. sex, gr. héks (< *seks), oi. śaś-, śaṭ, av. xšvaš, oiers , lit. šešì, toch. A šäk, B. škas < idg. *s()eḱs (IEW 1044).

De namen van de getallen 6 en 7 gelijken sterk op die in de semietische talen, vgl. akkad. šeššu en sību en westsem. *šeš en *šibš. De gelijkheid is te opvallend, om niet aan de mogelijkheid van ontlening te denken. L. Gerschel, Annales 1962, 691-714 wijst er op, dat de grondrij der getallen die van 1-4 is, dat dan 5 de aanduiding van een onbestemde grotere hoeveelheid (zie: vijf) en dat dan acht met zijn dualisvorm de sprong naar de tweede groep van vier zou zijn geweest; de tussenliggende getallen 6 en 7 zouden dan ontleningen aan een semietische taal zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zes telw., mnl. ses (sesse). = ohd. sëhs (nhd. sechs), os. sëhs, ofri. sëx, ags. siex (eng. six), on. sëx, got. saíhs, krimgot. seis “zes”, germ. *sexs = ier. , lat. sex, gr. *séx > ex, lak. en elders wéx, lit. (met flexie-uitgang) szeszì, arm. vec̣, oi. ṣáṭ (ṣáṣ), av. xšvaš “zes”. Afgeleide znww. zijn obg. šestĭ, obg. gˈaštɛ “id.” De idg. vorm was *sweks of iets dgl.; de oorspr. anlaut is moeilijk vast te stellen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zes. Adde: toch. A. ṣak ‘id.’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zes telw., Mnl. ses, Os. sehs + Ohd. id. (Mhd. id., Nhd. sechs), Ags. siex (Eng. six), Ofri. sex, On. id. (Zw. sex, De. seks), Go. saihs + Skr. ṣaṣ, Av. xšvaš, Gr. héx, Lat. sex, Oier. , Osl. šesti, Lit szeszi. — In van zessen klaar wordt gezinspeeld op de twee oogen en de vier voeten van een goed paard.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zès (telw.) zes; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) ses, Vreugmiddelnederlands sehs <1151-1200>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ses s.nw., telw.
1. Vyf plus een, of teken waarmee hierdie getal voorgestel word. 2. Ses (ses 1) kolletjies op 'n dobbelsteen. 3. (sport) Ses (ses 1) punte of houe. 4. Sesde klas of standerd.
In bet. 1 as telw. uit Ndl. zes (Mnl. ses(se)). In bet. 1 as s.nw. en in bet. 2 uit Ndl. zes (1701 in bet. 1, 1509 in bet. 2). Bet. 3 is 'n leenbetekenis van Eng. six (1920). Bet. 4 het in Afr. self ontwikkel.
D. sechs (8ste eeu), Fr. six (15de eeu).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sessie III: dim. v. ses.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Zessen (Van) klaar zijn, geheel flink, klaar, bekwaam, ferm zijn; oorspr. van paarden, wier vier pooten en twee oogen in orde zijn. Rusting, Volgeest. Werken 469: “Paarden, die van zessen schoon en klaar zijn.” Het Friesche spreekwoord: op vieren beslagen zijn, dat dezelfde bet. heeft, ziet op de vier pooten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zes ‘telwoord’ -> Javindo ses ‘telwoord’; Negerhollands ses, sees ‘telwoord’; Berbice-Nederlands sesi ‘telwoord’; Skepi-Nederlands ses ‘telwoord’; Sranantongo zes ‘telwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zes* telwoord 0701-800 [Lex Salica]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2641. Van zessen klaar zijn,

d.w.z. in alle opzichten klaar zijn, flink zijn; eig. gezegd van een paard, dat twee goede oogen en vier flinke pooten heeft. Vgl. Berkhey, Nat. Hist. IV1, 108: Wanneer onze Hollanders van een volmaakt Paard spreeken, is het gewone woord, dat het van zessen klaar zy; dat is, dat er geene gebreken aan de zes voornaamste deelen, die tot een goed Paard behooren, zyn; te weten aan de vier Pooten en de twee Oogen. Sedert de 17de eeuw gebruikelijk; vgl. Huygens IV, 152:

 Niew, Aengenaem gesangh op Fugen, wel door-regen,
 Het beste Contrepunt, en Bindsel, en Beweghen.
 Laet een van sessen uyt; het Stuck magh goed zijn; maer
 Niet als het wesen souw, dat is, Van sessen claer.

Van Moerk. 474: s' Is van Klinck tot de Neering, neen byget, s'is (seg ick) een van sessen; Rusting, 469: Paarden, die van zessen schoon en klaar zyn; Brieven van B. Wolff en A. Deken, 226; V. Janus, 68; Van Eijk II, 69; Nkr. VII, 30 Aug. p. 5: De bloem der radikalen, de vrees der socialen, den vijand een gevaar; een man van zessen klaar; VIII, 1 Aug. p. 6: Het was een echte Hègèner, een dandy, heur, van zessen klèr, met vouwtjes in de broek; Antw. Idiot. 1479: van zessen klèèr zijn, gauw gereed, bij der hand, handig en bekwaam. Zoo zegt men in het Friesch ook: fen seizen klear naast hy is op fjouweren bislein (hij is op vieren beslagen), dat is: hij is van zessen klaar; in Groningen: van zessen kloar (Molema, 484 a); vgl. ook het fr. avoir bon pied, bon oeil, être tout à fait valide (Hatzf. 1618 a).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut