Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zengen - (schroeien)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zengen* [schroeien] {sengen, singen 1415} oudhoogduits bisengan, hoogduits sengen, oudfries senga, oudengels sengan; buiten het germ. oudkerkslavisch -sǫčiti [drogen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zengen ww., mnl. senghen, singhen, mnd. mhd. sengen, ofri. senga, oe. sengan (ne. singe) ‘zengen, schroeien’ van grondvorm *sangjan, vgl. nnd. sangeren ‘prikkelen van de huid’, mhd. senge ‘droogte, dorheid’, nijsl. sangur ‘aangebrand’, noorw. dial. sengra, sengla ‘schroeilucht geven’, nzw. dial. sjängla ‘zengen’; daarnaast abl. mhd. sungen, sunken ‘aanbranden’, sungeln, sunkeln ‘knetteren (van vuur)’. Verder nog on. sīa (< *senhiōn) ‘vonk’. — osl. pre-sąciti ‘drogen’, russ. izsjaklyj ‘droog’ (IEW 907).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zengen ww., mnl. senghen (singhen). = mhd. (nhd.) mnd. sengen (misschien reeds ohd. in bisancter stoc “stips”), ofri. senga, ags. sengan (eng. to singe) “zengen, schroeien”. Uit ’t Ngerm. hierbij ijsl. sangr “verbrand, verschroeid”. Met ablaut mhd. sungen intr. “schroeien”, sinc (-ges) m. “het schroeien”. Met ’t oog op deze woorden bezwaarlijk een causativum van zingen, waarvan ’t trouwens ook hoogst onzeker is of ’t oergerm. of oerwgerm. voor ’t sissen van gezengde spijzen enz. werd gebruikt (trots N.Holl. stadfri. gron. zangerig “licht aangebrand” e.dgl.). Zengen is identisch met ksl. prě-sąčą, prě-sąčiti “drogen”: idg. *soŋq-iô “ik maak dor of droog, verschroei”. Of opr. soanxti “vonk” hierbij hoort met de oorspr. bet. “het verbrandende”, is onzeker, ’t Zelfde geldt van on. sîa v. “id.” (seŋχiôn-?). Zie nog zinken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zengen o.w., Mnl. senghen + Hgd. sengen, Ags. sengan (Eng. to singe), Ofri. senga, IJsl. sangr (= verschroeid) + Osl. prě-sąčiti = drogen.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zengen: caus. van zingen (z. d. w.), wegens ’t knetterend geluid; vgl. ’t Mnl.: „die vederen besinghen” = de veeren zengen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zengen* schroeien 1415 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut