Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zemelen - (zeuren)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zemelen* [zeuren] {semelen [talmen] 1588; de huidige betekenis 1633} variant van sammelen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zemelen 2 ww., vgl. nnd. seimelœr ‘traag mens’, zwits. seimele ‘langzaam eten en drinken’, nnoorw. seimen ‘traag’; zal verder samenhangen met de onder zaniken vermelde woorden; zie verder ook: sammelen.

Onwaarschijnlijk is de afl. uit zemelen ‘van de zemelen ontdoen’, ondanks het parallellisme van trijzelen ‘zeven’, maar Kiliaen ‘langzaam en lui handelen’ (W.de Vries Ts 44, 1925, 198).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zemelen II ww. Zie sammelen. [Zemelen, daar vermeld, is zemelen I.]

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

sammelen. In pl.v. “zemelen” lees: “zemelen I” (zie zemelen II).
Ndd. (Göttingen) seimelær ‘nachlässiger Mensch’, noorw. seimen ‘traag’, zwits. seimelen ‘langzaam eten en drinken’, simeren ‘aarzelen, traag of phlegmatisch zijn’ (Heinertz Et. St. z. Ahd. 120) vormen een woordgroep, die van zemelen II niet te scheiden is, althans er invloed op kan hebben gehad. Deze woorden bij ohd. lancseimi ‘langzaam’: zie sedert.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

semels s.nw.
Uitgesifte, fyngemaalde doppe van graankorrels.
Uit Ndl. zemelen (Mnl. semele).
Ndl. zemelen uit Mnl. semele 'broodjie' uit Latyn simila 'blommeel, witbrood'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

semels: doppe v. gemaalde graan; Ndl. zemelen (Mnl. sēmelen, by Kil semel/semelen en ss. soos semelgruys en semelmeel, lg. o.a. in bet. “blommeel”), Hd. semmel, “witbroodjie”, uit Lat. similia, “blommeel”.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Semels snw. (mv.) Segsw.: Meng jou met semels dan vreet die varke jou. Ndl.: Wie zich met draf mengt, wordt van de zwijnen gegeten. Vgl. die opmerkinge van Boshoff 116 en Malherbe 88. In dieselfde vorm as die Afrikaanse kom die spreekwyse egter reeds in die 17de–eeuse (dialektiese?) Ndl. voor. Sien Harreb. II, 358: Die zich onder de zemelen laat mengen, zal van de varkens gegeten worden. (Uit A. v.d. Venne: Tafereel van de Belacchende Werelt, p. 164.) Eckart 242: Wär sek mank de Kȃw menget, den frätet de Swine. G.G.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zemelen (Latijn simila)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zemelen ‘zeuren’ -> Sranantongo seimel ‘zeuren’; Surinaams-Javaans sémel ‘zeuren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zemelen* zeuren 1633 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut