Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zelfkant - (buitenkant)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2019

Zelfkant

In 2014 bracht Gospel Recordings een cd uit om het evangelie uit te leggen aan “criminelen, verslaafden, daklozen, asielzoekers, mensen met een dubbelleven en (bezoekers van) prostituees”, kortom: “mensen aan de zelfkant van de samenleving”. Deze ‘zelfkant’ wordt in het woordenboek van Koenen uit 1911 weinig vleiend omschreven als “schorrimorrie, janhagel of jongens van de vlakte”. Kennelijk had de lexicograaf vooral het oog op jeugdige mannelijke criminelen. Waar komt die beladen benaming zelfkant vandaan?

Losse eindjes
Zelfkant stamt uit de wereld van het textiel. Tijdens het weven van een stof wordt een draad, de ‘inslag’ geheten, door een aantal gespannen draden gevoerd, die de ‘schering’ worden genoemd. Dit gebeurt met een spoel, die heen en weer schiet. Aan de kanten van het weefsel maakt de inslagdraad een lusje, waardoor een weefrand ontstaat. De twee buitenste lengtezijdes van een weefsel, die wat dikker zijn doordat de spoel hier van richting verandert, noemt men de ‘zelfkant’.
Het woord zelfkant is voor het eerst opgetekend in 1573. Oudere benamingen waren selfende (‘zelfeinde’) en egge (‘schuine zijde’), verwant met het Engelse edge. Later maakte men daar zelfegge van. Ook dat woord wordt in het Nederlands pas in 1573 aangetroffen, maar het moet ouder zijn. De term is namelijk geleend door het Engels als selvage, en dat Engelse woord wordt al in 1475 genoemd. In al deze samenstellingen verwijst zelf naar het feit dat de lengtezijden een eigen einde hebben. Dat is het verschil met de beide korte zijden, die worden afgeknipt, waarbij er ‘losse eindjes’ ontstaan, die moeten worden afgezoomd of aan elkaar worden geknoopt.
De uitdrukkingen schering en inslag, losse eindjes en zelfkant zijn dus alle afkomstig van het weefgetouw. Dat geldt trouwens ook voor het woord tekst, dat teruggaat op het Latijnse textum (‘weefsel, geweven kleed’). Zo’n tweeduizend jaar geleden gebruikte de Romeinse redenaar Quintilianus het woord textum in de overdrachtelijke betekenis ‘gestructureerd geheel van woorden’. Het woord tekst is ook verwant met textiel, dat we via het Frans hebben geleend. Heel toepasselijk zegt Jan Renkema in Tekst en uitleg. Een inleiding in de tekstwetenschap: “Een tekst is eigenlijk een weefsel van zinnen op papier of uitingen in een gesprek.”

Buitengrens
Om de draad weer op te pakken: na verloop van tijd werd zelfkant ook buiten de textiele sector gebruikt, als geografische aanduiding in de betekenis ‘buitenrand, buitengrens van een bepaald gebied’. Zo schreef een krant in 1736: “Deze Tartaren zyn beschaafder als [sic] de andere, wyl ze op den zelfkant van China wonen.” In deze context is zelfkant een neutrale term. In zijn al genoemde woordenboek uit 1911 verklaarde Koenen ‘Hij komt van den zelfkant’ met: “Hij woont op de grens: b.v. van Limburg, Twente, den Achterhoek.” Zo ook draagt een Duitse gemeente aan de grens bij Sittard de naam Selfkant. Van 1949 tot 1963, toen deze gemeente deel uitmaakte van Nederland, luidde de naam Zelfkant.
Omdat de zelfkant van stof dikker was dan de rest van het weefsel, gold deze als inferieur. Vaak werden de zelfkanten afgesneden en als stofresten gebruikt. Al in de achttiende eeuw kreeg zelfkant daardoor de negatieve betekenis ‘minderwaardig gedeelte’. Zo wordt in een satirisch toneelstuk uit 1729 van Jacob Campo Weyerman gezegd: “Wy leeven in de zelfkant van de ondankbaarste en verbasterdste aller eeuwen.”

Samenleving
In 1884 schreef Conrad Busken Huet in Het land van Rembrand over een aantal schilders die in zijn ogen “maatschappelijke vagebonden” waren: “Frans Hals, Adriaan Brouwer, Adriaan van Ostade, Jan Steen, bewogen zich (...) aan den zelfkant der zamenleving.” Dit citaat is tot dusver het oudst bekende voorbeeld van het gebruik van de uitdrukking zelfkant van de samenleving/maatschappij. De beeldspraak sloeg aan. Enkele jaren later publiceerde de naturalistische schrijver Gerard van Hulzen twee romans onder de titel Van de zelfkant der samenleving; de eerste was De man uit de slop (1903).
In de jaren twintig van de vorige eeuw is nog een andere, alledaagse betekenis opgetekend: ‘rand die overblijft wanneer men een kopje, glas of beker niet boordevol schenkt’. Ter illustratie geeft het Woordenboek der Nederlandsche Taal het zinnetje: “Het spijt mij dat ik U zoo’n zelfkant geven moet, maar ik had niet meer melk.” We zijn benieuwd of er lezers van Onze Taal zijn die deze betekenis nog kennen.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2018), ‘Zelfkant’, in: Onze Taal 2/3, 7.]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zelfkant [buitenkant] {selfcant 1573} wellicht < nederduits sulfkante, vgl. fries selskant; ouder middelnederlands selfende, selfegge {1337} middelnederduits sulvende, middelhoogduits selpende (hoogduits Selbende), van zelf1 + einde respectievelijk egge, zo genoemd in tegenstelling tot de beide korte einden van het weefsel, die vast zitten op het getouw.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zelfkant znw. m., sedert Kiliaen, vgl. ook nnd. sulfkante, fri. selfkant. Daarnaast mnl. selfende, mnd. sulvende, mhd. selpende en Kiliaen selfegghe, mnd. sulvegge > ne. selvedge, selvage (sedert ± 1460, vgl. Bense 364).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zelfkant znw., sedert Kil. Ook ndd. fri. Mnl. wel al selfende o., ook mhd. mnd. en Teuth., nog nnl. dial. Bij Kil. ook ’t nog dial. selfegghe, ook ndd. dial. en eng. (selvage, selvedge).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zelfkant m., + Hgd. selbende: zoo genoemd in tegenstelling met den kant die vast is aan ʼt getouw.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Zelfkant, de neg, of afzonderlijk, meestal met anders gekleurde draad geweven, rand van een stuk goed, die in den regel weggedaan wordt. Komt voor ’t eerst bij Kil. voor; in ’t mnl. selfende; bij Kil. ook selfegghe, eng. selvage, selvedge. Overdr. b.v. Langendijk 2, 338: “Hy is groothartig in zyn wapen; Hoewel hy woont ook op de zelfkant van het Sticht”. Zelfkant wordt fig. ook gebruikt voor iets minderwaardigs: dat is ook van den zelfkant! Zoo ook de titel van een romanserie van Van Hulzen: Van den zelfkant des levens, waarvan een deel heet: De man uit de slop.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zelfkant ‘buitenkant van weefsel’ -> Papiaments sèlfekan, sèlfkant (ouder: zelfkant) ‘buitenkant van weefsel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zelfkant buitenkant 1573 [Plantijn]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut