Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zelf - (aanwijzend vnw.)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zelf vnw. ‘persoonlijk’
Onl. self ‘zelf’ in that sia bedriegen selua fan idilnussi ‘dat zij zelf door leegheid bedrog plegen’, an sig seluon ‘op zichzelf’ [beide 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. selve in Dat is dines selues selecheit ‘dat is de zaligheid voor jezelf’ [1200; VMNW], hi met sins selues leden ‘hij met zijn eigen familieleden’ [1236; VMNW], portre ne verbord zelue ‘de burger verbeurt dat zelf’ [1254; VMNW], Die gode selue welt ontdragen Sijn recht ‘die aan God zelf zijn rechtmatig deel wil ontnemen’ [1265-70; VMNW], self in daer es dese didderic van hoylede self rechtere ‘deze (voorgenoemde) Diederik van Hooglede is daar zelf rechter’ [1284-87; VMNW].
Os. selƀo, self (mnd. sülve); ohd. selbo, selb (nhd. selb(st), selber); ofri. selva, self (nfri. sels < ofri. selves); oe. selfa, self (ne. -self); on. sjálfr (nzw. själv); got. silba; < pgm. *selba(n)-.
Verdere herkomst onduidelijk. Er zijn in elk geval geen zekere verwante woorden met vergelijkbare betekenis. In het Venetisch, een taal die bekend is van enkele honderden korte inscripties uit de periode 6e eeuw v. Chr.-1e eeuw na Chr. in het gebied tussen de Po-delta en de Alpen, is een woord sselboisselboi geattesteerd, dat veelal als verwant met pgm. *selba- wordt beschouwd en vertaald wordt als ‘(voor) zichzelf’; de vertaling van de betreffende inscriptie is echter zeer onzeker.
Men verklaart pgm. *selba- meestal uit pie. *se-l-bho- (FvW, NEW, Kluge21, Pfeifer), waarin *se- een voornaamwoordelijke stam is als in → zich. Volgens anderen (Verc., Kluge) is pie. *sel- eigenlijk de wortel *selh1- ‘nemen’ (LIV 529) van Latijn cōn-sulere ‘beraadslagen’ (< ‘bijeenverzamelen’), Grieks heleĩn ‘nemen’, Oudiers selb ‘bezit’ en Welsh helw ‘id.’ (Proto-Keltisch selwā < pie. *selh1-uo-) en het causatief pgm. *saljan- ‘overhandigen’, waaruit o.a.: oe. sellan ‘id., verkopen’ (ne. sell ‘verkopen’); on. selja ‘id.’; got. saljan ‘offeren’.
Een analyse van *selba- als *se- + *lība- ‘lijf’ (zie → lijf), dus met een letterlijke betekenis ‘in eigen persoon’ (Postma 1997, 296) en met reductie van de tweede klinker als in → elf 1, → twaalf en → welk, lijkt onwaarschijnlijk, omdat *se niet ‘zijn’ betekende, en omdat er al in de oudste Germaanse talen geen spoor meer is van een klinker tussen *l en *b, i.t.t. wat men bij elf, twaalf en welk kan vaststellen.
De oorspronkelijke en algemeen Germaanse functie van dit woord is die ter versterking van een persoonsaanduiding, die gewoonlijk de vorm heeft van een persoonlijk voornaamwoord (zie de eerste vier attestaties) of naamwoord (zie de laatste twee attestaties). In de continentaal West-Germaanse talen is al vroeg een tweede functie tot ontwikkeling gekomen: voorafgegaan door een lidwoord of aanwijzend voornaamwoord en gevolgd door een zelfstandig naamwoord benadrukte mnl. selve dat de bedoelde zaak of persoon reeds eerder genoemd was. Voor Middelnederlandse attestaties zie → zelfde, dat deze functie heeft overgenomen. Het Engels en de Noord-Germaanse talen hebben hiervoor een ander woord: Engels same, Zweeds samma enz., uit de wortel van → samen.
Lit.: G. Postma (1997), ‘Logical entailment and the possessive nature of reflexive pronouns’, in: H. Bennis e.a. (red.), Atomism and Binding, Dordrecht, 295-322

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zelf1* [aanwijzend vnw.] {oudnederlands selvo, self 901-1000, middelnederlands selve, self} oudsaksisch selƀo, self, oudhoogduits selbo, selb, oudfries selva, self, oudengels selfa, self, oudnoors sjālfr, gotisch silba; buiten het germ. is venetisch sselboisselboi [voor zichzelf] geregistreerd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zelf vnw., mnl. selve, self, onfrank. selvo, self, os. selƀo, self, ohd. selbo, selb (nhd. selb, selber, selbst), ofri. selva, self, oe. selfa, self, sylfa, sylf (ne. -self), on. sjalfr, got. silba. — De enige verwant in het idg. is venetisch sselboi sselboi ‘zich zelf’ (Sommer IF 42, 1924, 128 en Krahe IF 47, 1929, 325).

Men verklaart het idg. *selbho als een bho- afl. van *sel, dat zelf weer met de demonstratiefstam -l- (zoals in lat. talis, qualis) van de pronominaalstam *se gevormd is (Polomé, Fschr. Kretschmer 1958 II, 87).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zelf vnw., mnl. selve, self. = onfr. sëlvo, sëlf, ohd. sëlbo, sëlb (nhd. selb, selber, selbst), os. sëlƀo, sëlf, ofri. sëlva, sëlf, ags. sëlf(a), sylf(a) (eng. him-self), on. sjalfr, got. silba “zelf”. Wordt wel verklaard uit idg. *se-l-bho-, waarin -bho- aan een uit twee pronominaalstammen bestaand *se-l(o)- zou zijn gehecht. Ofschoon die beide stammen in allerlei talen voorkomen (voor *se- zie zich; een l-pronomen in ier. tall enz.; zie elders), blijft deze etymologie onzeker.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zelf. Buiten het Germ. is verwant venetisch sselboisselboi ‘sibi ipsi’ (vgl. ohd. sëlb sëlbo): Sommer IF. 42, 128; Krahe IF. 47,325.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zelf bijv., Mnl. self, Onfra, Os. id. + Ohd. selb (Mhd. selp, Nhd. selb), Ags. self (Eng. id.), Ofri. id., On. sjalfr (Zw. sjelf, De. selv), Go. silba + Oier. selb = bezit; — zoo ook Lit. pats = zelf, tegenover Skr. patiṣ = heer, bezitter.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zelf (aanw. vnw.) zelf; Aajdnederlands self <901-1000>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zelf ‘aanwijzend voornaamwoord’ -> Javindo sellef ‘aanwijzend voornaamwoord’; Negerhollands self, sel ‘aanwijzend voornaamwoord’; Berbice-Nederlands selfu ‘aanwijzend voornaamwoord’; Sranantongo srefi ‘aanwijzend voornaamwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zelf* aanwijzend voornaamwoord 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut