Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zelden - (bijna nooit, niet vaak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zelden bw. ‘bijna nooit, niet vaak’
Onl. seldon ‘bijna nooit’ in Selden se godes hulde gewinnen ‘zelden verwerven ze Gods genegenheid’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. selden ‘bijna nooit’ [1240; Bern.].
Mnd. selden; ohd. seltan (nhd. selten); ofri. sielden (nfri. selden); oe. seldan, seldum (ne. seldom); on. sjaldan (nzw. sällan); alle ‘zelden’, < pgm. *seld-ana-.
Afleiding met een bijwoordelijk achtervoegsel *-ana- van *selda-, dat ook voorkomt als eerste lid in → zeldzaam en in os. seldlīk en got. sildaleiks ‘zeldzaam, wonderbaarlijk’ en waarvan de herkomst onbekend is.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zelden* [zeer weinig] {selden [zeldzaam, schaars] 1201-1250} middelnederduits selden, oudsaksisch seldlīk, oudhoogduits seltan, oudfries selden, oudengels seldan (engels seldom), oudnoors sjaldan; etymologie onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zelden bijw., mnl. selden, mnd. selden, ohd. seltan (nhd. selten), owfri. sielden, oe. seldan, seldon, seldum (ne. seldom), on. sjaldan. — Een afl. van een stam *selda, waarvan ook os. seldlīk, oe. seldlīc, got. sildaleiks ‘wonderbaar, zeldzaam’ en ook: zeldzaam.

De herkomst is onbekend. De verbinding met de pronominaal-stam *se is weinig aannemelijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zelden bijw., mnl. selden. = ohd. sëltan (nhd. selten), mnd. sëlden, owfri. sielden, ags. sëldan (-on, -um; eng. seldom), on. sjaldan “zelden”. Met n-formans van een germ. stam *sëlða-, die ook in samenstt. voorkomt zooals mnl. sel(t)-sien(e), -sen(e), ook al, met substitutie van -zaam voor ’t als suffix gevoelde tweede lid, sel(t)sam (nnl. zeldzaam), ohd. sëlt-sâni (nhd. seltsam), ags. sëld-sîene, on. sjald-sênn “zelden gezien, zeldzaam”, os. sëld-lîk, ags. sëld-lîc, got. silda-leiks “wonderbaar, zeldzaam”. Men gaat wel van den pronominaalstam *se- (zie zelf en zich) uit. Eer < idg. *sel-tó- met de grondbet. “uitgenomen, uitgezocht”, vandaar “zeldzaam”: bij ier. selaim “ik neem”, gr. heleīn “nemen”, waarbij uit ’t Germ. Kil. “sellen, vetus. Vendere”, ohd. sellen, os. sellian (in samenst.), ofri. sella, ags. sellan (eng. to sell), on. selja “overdragen, overgeven”, in sommige talen ook “verkoopen”, got. saljan “offeren”, ohd. sala v. “overdracht, overgave”, ags. salu (eng. sale), on. sala v. “verkoop”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zelden. De voorgestelde etymologie is weinig overtuigend. Na “got. sildaleiks ‘wonderbaar, zeldzaam’.”te lezen: “Oorsprong onbekend”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zelden schijnt verwant met het Got. silda-leiks = wonderlijk; sildaleikjan = zich verwonderen. Het woord w.d.z.: wonder, vreemd, weinig voorkomende. Verwant is: zeldzaam.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zelden ‘zeer weinig’ -> Negerhollands selden ‘zeer weinig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zelden* zeer weinig 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2134. Haastige spoed is zelden goed,

in Zuid-Nederland haast en spoed is zelden goed, d.w.z. door te groote haast mist men dikwijls zijn doel; lat. qui nimium properat, serius absolvit; mlat. qui festinavit non hunc deus juvabit. Zie voor de middeleeuwen Lanc. III, 1191: Quade haeste es dicken onspoet; Mloop I, 1253: Haesticheyt brenct alle weghe onspoet; Limb. X, 770:

Salamon seide dat:
 Die hem te sere haesten doet,
 Dat hi dicke quetst sinen voet
 Ende achter moet bliven sinen wille.

Servilius, 95: grooten spoet is selden goet of grooten spoet was noyt goet; 270*: grooten spoet was selden goet; Prov. Comm. 372: grote haest es dicwile onspoet, qui nimis accelerant obstacula talibus obstant. Vgl. verder Spieghel, 274: haast en is gheen spoed; 294: grote spoed zelden goed; Cats I, 464: haestige spoet is selden goet; Sart. II, 1, 73: Festina lente. Seylt sacht. Te grooten spoet, is selden goet. Eerst wel versint, dan kloeckelijck begint; Brederoo I, 58, vs. 1485: Sacht, sacht ghy domme Maaght, de spoedt die voordert selden; Vondel, Adonias, 230: Hy struickelt menighmael die haestigh voort wil vaeren; V.d. Venne, Voor-Beduydsel, 8: Haest hinckt haest; bl. 14: Te rassen spoet doet selden goet; Sewel, 741: Groote spoed is zelden goed; Harreb. II, 291 a; Afrik. hoe meer haas, hoe minder spoed; Joos, 178: haast en spoed is zelden goed (tenzij men 't vlooien vangen doet); Wander I, 776; fr. qui se hâte trop, se fourvoie (ou reste en chemin); hd. Eile mit Weile; Eileviel kommt zu spät ans Ziel; eng. (the) more haste (the) less speed.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal