Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zeker - (veilig; vaststaand; overtuigd, stellig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zeker 1 bn. ‘veilig; vaststaand; overtuigd, stellig’
Mnl. seker ‘onbezorgd, betrouwbaar, veilig; vastgesteld, onbetwistbaar; overtuigd’ [1240; Bern.], zelfstandig gebruikt in hi moet zeker doen dat goed gheheel tehoudene ‘hij moet zekerheid (betrouwbaarheid) verschaffen om het bezit in zijn geheel te behouden’ [1254; VMNW seker I], ic dis wale seker ben Dat si mesdoen sere utermaten ‘ik ben ervan overtuigd dat zij zich zeer misdragen’ [1265-70; VMNW], in Edelheit is ene sieker duogt ‘edelmoedigheid is een deugd waar men wat aan heeft’ [1270-90; VMNW], iet is en groit dink sin leuen te versmain. Jnde die duot die is sieker van allen angste. Want huome en ruokt waner hie stiruet ‘het is een gewichtige zaak om zijn leven te minachten. En wie dat doet die is veilig voor alle angst, want het kan hem niet schelen wanneer hij sterft’ [1270-90; VMNW], Jnde dar vombe sone salmere gene sieker hope vop heben in diese werelt ‘en daarom moet men er in deze wereld geen vast vertrouwen in stellen’ [1270-90; VMNW], als bw. ‘zonder twijfel, stellig’ in v sone sal seker werdden verloest ‘uw zoon zal zeker worden verlost’ [1276-1300; VMNW]; vnnl. Dat weet ick sekers [1555; iWNT], Om dat wy het seker weten souden 1646; iWNT].
Ontleend aan vulgair Latijn sicurus, uit klassiek Latijn sēcūrus ‘geen zorgen hebbend; veilig, beschermd’, in het middeleeuws Latijn ook ‘vrijgesteld van belasting of schuld of straf’ [9e eeuw; Niermeyer], zie verder het jongere leenwoord → secuur.
Evenzo ontleend zijn: os. sikor ‘zeker, vrij van’ (mnd. seker, vanwaar nzw. säker); ohd. sihhur ‘onbezorgd, onbetwistbaar e.d.’ (nhd. sicher); ofri. siker, sikur ‘onschuldig’ (nfri. siker ‘zeker’, naast seker ‘id.’ dat ontleend is aan het nnl.); oe. sicor (ne. dial. sicker); alle ‘zeker (in de diverse betekenissen)’, ofri. ook ‘onschuldig’. Bij deze laatstgenoemde betekenis horen ook de afleidingen os. sikorôn ‘vrij spreken’ en ofri. sikeria ‘(zich) vrijpleiten’.
Men vermoedt dat het woord is ontleend als rechtsterm in de middeleeuws-Latijnse betekenis ‘vrij(gesteld) van schuld of straf’.

zeker 2 vnw. ‘bepaald’
Mnl. seker ‘bepaald’ in ene zeker summe van peneghen ‘een bepaalde som geld’ [1271; CG I], ligghende jn sekeren steden die men hir nomen sal ‘zich bevindende op bepaalde plaatsen die men hierna zal noemen’ [1289; VMNW].
Hetzelfde woord als → zeker 1. Het woord betekent hier ‘met zekerheid vastgesteld’; kenmerkend bij het gebruik van een zeker(e) is dat de bedoelde “vastgestelde” persoon of zaak juist niet expliciet genoemd wordt. Het woord bepaald, letterlijk ‘vastgesteld’, heeft dezelfde functie.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zeker [veilig, stellig] {seker [veilig, stellig] 1201-1250} oudsaksisch sikor, oudhoogduits sihhur, oudfries sikur, oudengels sicor < latijn securus [zonder zorg, gerust, veilig], van se [uiteen, zonder] + cura [zorg]; een latere ontlening aan latijn securus is nederlands sekuur.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zeker bnw., mnl. sēker ‘gerust, kalm, veilig, betrouwbaar, vaststaand, gerust op, zeker van’ (laat-mnl. ook als ‘een zekere’), os. sikor ‘zeker, vrij van’, ohd. sichor, sichū̆r(e) ‘zonder zorg, veilig, betrouwbaar’ (nhd. sicher), oe. sicor (zelden) ‘veilig voor, vrij van schuld en straf’ (uit het mnd. zijn ontleend nde. sikker, nzw. säker). — Nog voor het wegtrekken der Angelsaksen uit hun oorsprongsgebied ontleend aan lat. šecurus ‘zonder zorg’; oorspronkelijk gebruikt in de bet. ‘vrij van schuld en straf’ en eerst later ‘onbezorgd, betrouwbaar’; de westgerm. vormen met i gaan terug op een laat-lat. vorm sicurus.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zeker bnw., mnl. sēker “gerust, kalm, veilig, betrouwbaar, vaststaand, gerust op, zeker van”, laat-mnl. ook al “quidam”. = ohd. sihhū̆r, sihhûri, sihhar “zonder zorg, veilig, betrouwbaar” (nhd. sicher), os. sikor “zeker, vrij van”, ofri. sikur, siker “id., onschuldig, betrouwbaar”, ags. (zeldzaam) sicor “veilig voor, vrij van schuld en straf”. Uit later-lat. sĕcûrus < ouder lat. sêcûrus “zonder zorg, veilig, zeker”. De i voor e kan op een uitspraak *sĭcûrus berusten, minder wsch. is ’t, dat in ’t Ohd. Os. Onfr. i vóór u uit e ontstaan is. De fri.-ags. vormen zouden dan een os. vorm hebben, m.a.w. op os. sikor teruggaan. Nnl. is lat. securus nog eens als sekuur, sikuur ontleend: vgl. fr. sécurité (> nnl. sekuriteit), aan lat. securitas ontleend, terwijl sûr “zeker” klankwettig uit vulgairlat. secûrus ontstaan is.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zeker bijv., Mnl. seker, Os. sikor, gelijk Ohd. sihhur (Mhd. sicher, Nhd. id.), Ofri. sikur, Ags. sicor, uit Lat. securus, met opgeschoven klemtoon (securus: se = vrij van, — cura = zorg: z. kuur).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zeker ‘veilig, stellig’ (Latijn securus); ‘onbepaald’ (Frans certain)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zeker, van ’t Lat. securus, van se = vrij, en cura = zorg, dus: zonder zorg, n.1. voor gevaar; alzoo: veilig, betrouwbaar en hier uit: ontwijfelbaar, vaststaand.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zeker ‘veilig, stellig’ -> Fries seker ‘veilig, vast’; Duits dialect ssäcker, säcker, seker ‘stellig, bepaald’; Deens sikker ‘veilig, stellig’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors sikker ‘veilig, stellig’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds säker ‘veilig, stellig’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands sekur, seeker, siki ‘veilig, stellig’; Sranantongo seiker ‘veilig, stellig’; Surinaams-Javaans séker ‘zeker (weten)’ .

zeker ‘onbepaald voornaamwoord’ -> Fries seker ‘onbepaald voornaamwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zeker veilig, stellig 1240 [Bern.] <Latijn

zeker onbepaald voornaamwoord 1299 [CG I Brugge]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

zeker weten, informeel voor ‘dat staat vast; er is geen twijfel mogelijk’. Nadrukkelijke bevestiging van iets. Deze modieuze stoplap werd begin jaren tachtig populair.

‘Pak ze aan, die fraudeurs!’ hoorde hij zich terugroepen. ‘Zeker weten!!!’ brulde de wederpartij. (Heere Heeresma: Eén robuuste buste, 1989)
Het zinnetje ‘zeker weten!’ is uiterst onbeholpen Nederlands. Op de vraag: ‘Kom jij morgen ook?’ klinkt ‘zeker weten!’ door het regelmatig gebruik al gewoon, maar stel dat iemand in plaats van ‘ja’ ‘misschien’ wil antwoorden, zegt hij dan: ‘Niet zeker weten’? (Driek van Wissen:... een doorn in mijn oog en een doorn in mijn oor, 1996)
Onzin, die meneer zat er heel ontspannen bij. Hij zou niets hebben gedaan, zeker weten. (Nieuwe Revu, 18/03/98)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

160. Zoo vast (sekuur, zeker) als de bank,

d.w.z. zoo zeker, zoo te vertrouwen als de Nederlandsche bank. ‘De zekerheid der Amsterdamsche bank was ten spreekwoord geworden, om eene zekerheid, welke boven alle bedenking verheven was, aan te duiden’; Ndl. Wdb. II, 981. Ook als de bank zijn, o.a. M.z.A. 161: 't Was zijn trots dat hij (een kruier) van zich zelven kon zeggen, dat hij ‘als de bank’ was. In het Friesch: dat stiet sa fêst as de bank; sa grif, sa wis as de bank. Eertijds in Zaandam: zoo wis als Calf; in Amsterdam: zoo wis als Pels, twee bekende handelaars. Zie Nav. XXXIX, 237; Harrebomée II, 177 a; hd. so sicher wie die Bank; eng. his word is as good as the bank; fr. solide comme la banque de France.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut