Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zeilen - (varen met een zeilschip)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zeil zn. ‘groot doek’
Onl. segil ‘(scheeps)zeil’ in de samenstelling s[e]g[i]lg[e]rden ‘zeilstangen’ [891-900; ONW]; mnl. seil ‘scheepszeil’ (naast oostelijk segel [1240; Bern.]) in Jtem .viij. d vanden zeile te duaene ‘... acht penning voor het wassen van het zeil’ [1284; VMNW], ‘gespannen doek, voorhangsel’ in het was ghemaect als I zeil, ende het bedect thooft ende al den lechame ‘het was uit één stuk doek gemaakt en het bedekte het hoofd en het hele lichaam’ [1318; MNW].
Ontwikkeld uit onl. segil met de klankwettige overgang -egi- > -ei- als in → dweil.
Os. segel (mnd. segel); ohd. segal (nhd. Segel); ofri. seil (nfri. seil); oe. segl (ne. sail); on. segl (nzw. segel); alle ‘zeil’, < pgm. *segla-.
Wrsch. is de oorspr. betekenis ‘stukgesneden doek’ en gaat het woord terug op een afleiding van de wortel van → zaag.
zeilen ww. ‘varen met een zeilboot’. Mnl. seilen in wart gesielet al in gront ‘was volledig verloren gegaan’ (letterlijk ‘was geheel ten gronde gezeild’) [1265-70; VMNW], alst i scip seilen siet ‘als het een schip ziet zeilen’ [1287; VMNW] Afleiding van zeil.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zeilen ww. mnl. seilen, sēghelen, mnd. sēgelen, ohd. segelen (nhd. segeln), oe. seglian (ne. sail), siglan, on. sigla. — Afl. van zeil. — Uit het on. sigla is overgenomen ofra. sigler (12de eeuw), sedert de 14/15de eeuw de vorm cingler.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2seil ww.
1. Met behulp van 'n seil (1seil 1) deur die wind voortbeweeg word. 2. Jou voortbeweeg op die manier van 'n skip wat seil (2seil 1). 3. 'n Seevaartuig waarmee geseil (2seil 1) word, bestuur. 4. Gly, vinnig oor die aarde beweeg.
Uit Ndl. zeilen (Mnl. seilen in bet. 1, 1561 in bet. 2, einde 16de eeu in bet. 3, 1723 in bet. 4). Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884).
D. segeln, Eng. sail (ongeveer 893).

seiljag s.nw.
Klein, vinnige seevaartuig waarmee geseil word.
Uit Ndl. zeiljacht (1723).
D. Segeljacht, Eng. sailing-yacht.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zeilen ‘varen’ -> Negerhollands seel, segel, zeil, zeilǝ ‘varen’; Papiaments zeil, zeila, zeilu ‘varen, zwalken, slingeren’; Sranantongo seiri ‘varen’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † zeil ‘varen’ .

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1718. Opdoeken,

d.w.z. in eig. zin de zeilen opdoeken, nd. auftuchenKluge, Seemanssprache, 41.; deze in breede vouwen neerleggen en daarna in de onderste dier plooien stijf oprollen en met kabelgarens bijeenbinden; daarna iets opheffen; afschaffen en met verzwegen object van personen: weggaan, uitrukken, opkramen (17de eeuw), mnl. cramen, eig. gezegd van een koopman, die zijne kraam opbreekt. Zie no. 229; Ndl. Wdb. VIII, 79; XI, 431; 948; Het Volk, 9 Dec. 1913, p. 2 k. 3; Bergsma, 91.

1962. Ruimschoots,

d.w.z. in ruime mate, volop. Dit woord is aan het zeewezen ontleend, waarbij men onder ruimschoots zeilen (nd. raumschots segeln) verstaat zeilen met gevierden schoot, d.i. het touw, waarmede men het zeil kan aanhalen en vieren (Winschooten, 236); voor den wind. Zie Krul, Minnespiegel, 226; Beaumont, 78; Vondel, Adam in Ball. 49:

 Wy zullen in den wint dien hoeck te boven zeilen,
 En dryven dan ruim-schoots de rijcke haven in.

Vgl. ook Tuinman I, 142: Hy zeilt ruim schoots; dat is, hy hoeft het niet nauw te nemen, maar mag het zeil of den schoot vieren; Sewel 684: Ruimschoots aanzeilen, to sail with a fair wind; ruimschoots freely; Van Eijk I, 163; Ndl. Wdb. XIII, 1726.

1922. Zooals het reilt en zeilt.

Eig. gezegd van een schip, zooals het ten anker ligt en in volle zee zeilt; dus: zooals het daar is (met al zijn toebehooren); overdrachtelijk wordt dit ook gezegd van andere zaken en personen, in den zin van: zooals ze daar zijn; fri. in skip sa 't it seilt en reilt; it hiele spil, sa 't rydt en fart; Joos, 53: gelijk het reist en zeilt. De oorspronkelijke vorm dezer uitdrukking luidt: zooals het rijdt en zeiltZie deze verklaring ook bij Van Eijk I, Nal. 48; Harreb. II, 344.. Onder rijden verstaat men ten anker liggen (vooral in een storm), door de golven op en neder geslingerd wordenNdl Wdb. XIII, 203., terwijl men ten anker ligt.; eng. to ride at anchor (reeds in 't Ags.). Zie R. Visscher, Brabbeling (ed. 1669), bl. 86:

 Om duysent gulden soo het rijt en zeylt
 Is 't schip dat Joris gekocht heeft geveylt.

In de 17de en ook nog in de 18de eeuw was dit de gewone vorm (Noord en Zuid XVII, 35-38; Ndl. Wdb. XIII, 204In Navorscher LXI, 181 wordt vermeld uit de I7de eeuw: een speeljacht zooals 't drijft en zeilt.; vgl. o.a. nog Van Effen, Spect. II, 78: Vraagje my, wat ik in de waereld gedaan heb? wel die heb ik laaten ryden en zeilen, zo als hy het zelf goedvind. De tegenwoordige vorm ‘reilt en zeilt’ komt echter in het laatste gedeelte der 17de eeuw ook reeds voor in de K.U.E. II, 240: Eindelijk wierd hy met bieden en looven de koop met mijn vader eens, en hy telden hem voor dit beest, zo als 't reilde en zeilde, tien rijksdaalders aan geld; vgl. verder V. Janus, 372: Zoo als het daar rijlt en zijlt; B.B. 183: Hij trekt zich van het schip, hoe het reilt of zeilt, al heel weinig aan; Handelsblad, 7 April 1914, p. 5 k. 1 (avondbl.): Een markt is het stellig niet, al kan men hier echter wel constateeren, dat alles wat in deze buurt reilt en zeilt tot het aardappelvak in verband staat; 9 Sept. 1914, p. 2 k. 6 (ochtendbl.): Men haalde levensmiddelen van boord, liet de zaak maar over den kant van het schip vallen, bekommerde er zich niet om of het heel was oftewel kapot en liet alles maar reilen en zeilen; Gids, Maart 1915 bl. 568: De struische kerel zooals hij reilt en zeilt, met al zijn ruwheid en al zijn teerheid; H. Post, 18 Dec. 1920, p. 1 k. 3: Zoowel Bismarck als Wilhelm worden in dit boek voorgesteld ongeveer in Adams costuum, precies zooals ze reilen en zeilen. - Oorzaak van deze verandering is de zucht om te rijmen. Vgl. voor dit verschijnsel mnl. etten noch tretten (voor tredden, betreden); praatjes vullen geen gaatjes (vroeger zakken); iemand kennen van haver tot klaver (vroeger gort); het Zuidnederl. eeuwig en ervig (zie no. 531); groote berommers (beroemers) zijn ijdele bommersNdl. Wdb. III, 337.; die wel doet, wel ontmoetVgl. C. Wildsch. VI, 13: die wèl doet, wèl vind, dat ook in de middeleeuwen bekend was; zie Hild. 154, vs. 151 en vgl. wye den anderen reden doet, reden dat hem gairne moet (Mloop IV, 481); in Prov. Comm. 308: Die wel doet die baet es sijn.; die quaet doet, quaet ontmoet (Brederoo I, 278); van hot noch tot weten (zie no. 966); het gron. brijven en brullen (= bullen), oude documenten, koopacten, enz. (Molema, 60 a); kanten en ranten (randen; Molema, 190 b); die 't eerst komt, 't eerst pompt (Nieuwe Taalgids VI, 182; XIII, 136); het Zuidndl. hulten en bulten (of knulten); het 17de-eeuwsche: een groot hart, en een kleine start (= staartWinschooten, 284; Harreb. I, 287 b.); hd. wei deits, zo geits (gelijk gij het deedt, zoo gaat het u; zie Sinnepoppen, 140); wie thon also lohn (Wander IV, 1183); later lat. uti vixit, ita morixit (Tuinman I, 265Vgl. hd. er hat morexit gemacht, hij is gestorven (Schrader, 500).); tu ibi eris, ubi non peris (Archiv I, 377); aut capita aut navia (kruis of munt); enz.Zie over dit verschijnsel W. Wundt, Völkerpsychologie I, 424 vlgg.; Nyrop-Vogt, das Leben der Wörter, 186; O. Weise, Aesthetik der deutschen Sprache, 263.. In Zuid-Nederland gebruikt men in denzelfden zin: gelijk het waait (of haait) en draait (Rutten, 270 b; Antw. Idiot. 1411); vgl. ook ‘zooals hij daar gaat en staat’ (hd. wie es geht und steht); eene zaak zooals zij rekt en strekt (Joos, 50).

Naast ‘zooals het reilt en zeilt’ leest men ‘zooals het treilt en zeilt’; vgl. Harreb. III, 68; Handelsblad, 21 Juli 1913 p. 7 k. 4 (avondbl.): De tentoonstelling der Vrouw, zooals zij daar treilt en zeilt, is het werk der Vrouw; Het Volk, 11 Maart 1914 p. 1 k. 2: Wij wensten wel dat zij in streng incognito gedurende enige tijd het schoolleven, zoals het treilt en zeilt, konden medemaken. Deze vorm der zegswijze is ontstaan onder invloed van de 17de-eeuwsche uitdr. met seil en treil (treklijn; ofr. trailleWinschooten, 318: Treil noemen de seelui een lijn, daar men een schuit mee' voort trekt: en hier van het seggen: Ik verkoop uuw de schuit met seil en treil, dat is, soo als sij rijd, en seild: het een met het ander; Brederoo, Griana, 1512. en het wkw. treilen, een schip voorttrekken (Kil.; in het Mnl. is het intr.Vgl. Mnl. Wdb. VIII, 662: Wilden zee (zij) treelen in Zeelant of elre met haren scepen.; ofr. trailler; eng. to trail); vgl. nd. treideln (Kluge, Seemansspr. 793). Nog in het oostfri. 't ganse schip mit seil un treilTen Doornk. Koolm. III, 432.; fri. in skip mei seil en treil.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut