Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zeil - (groot doek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zeil zn. ‘groot doek’
Onl. segil ‘(scheeps)zeil’ in de samenstelling s[e]g[i]lg[e]rden ‘zeilstangen’ [891-900; ONW]; mnl. seil ‘scheepszeil’ (naast oostelijk segel [1240; Bern.]) in Jtem .viij. d vanden zeile te duaene ‘... acht penning voor het wassen van het zeil’ [1284; VMNW], ‘gespannen doek, voorhangsel’ in het was ghemaect als I zeil, ende het bedect thooft ende al den lechame ‘het was uit één stuk doek gemaakt en het bedekte het hoofd en het hele lichaam’ [1318; MNW].
Ontwikkeld uit onl. segil met de klankwettige overgang -egi- > -ei- als in → dweil.
Os. segel (mnd. segel); ohd. segal (nhd. Segel); ofri. seil (nfri. seil); oe. segl (ne. sail); on. segl (nzw. segel); alle ‘zeil’, < pgm. *segla-.
Wrsch. is de oorspr. betekenis ‘stukgesneden doek’ en gaat het woord terug op een afleiding van de wortel van → zaag.
zeilen ww. ‘varen met een zeilboot’. Mnl. seilen in wart gesielet al in gront ‘was volledig verloren gegaan’ (letterlijk ‘was geheel ten gronde gezeild’) [1265-70; VMNW], alst i scip seilen siet ‘als het een schip ziet zeilen’ [1287; VMNW] Afleiding van zeil.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zeil* [doek (aan mast)] {segel, seil 1201-1250} met de overgang van -egel in -eil als bv. ook in dweil, oudsaksisch sĕgel, oudhoogduits sĕgal, oudengels, oudnoors segl, ook in het kelt., vgl. oudiers séol, welsh hwyl. De uitdrukking met een nat zeil thuiskomen [beschonken] komt uit de zeemanstaal: vroeger overgoot men de zeilen bij het laveren met water, omdat zij dan de wind beter vasthielden. Dronken mannen lopen ook vaak laverend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zeil znw. o., mnl. seil, seel (zelden sēghel), os. sēgel, ohd. segal m. (nhd. segel o.), oe. segl, segel m. o. (ne. sail), on. segl.

De keltische woorden oiers seol, kymr. hwyl beschouwt men als germ. leenwoorden. — De etymologie is onzeker van dit uitsluitend germ. woord 1. Bij de wt. *sek ‘snijden’ (waarvoor zie: zaag) en dan dus ‘afgesneden stuk doek’ (Falk WS 4, 1912, 62); een kleurloze benaming: waarom zou men juist het zeil als afgesneden stuk hebben aangeduid? — 2. Bij de wt. *seku̯ ‘volgen’ met verwijzing naar gr. hóplon ‘wapen’ (< *soku̯lom), dus eig. ‘wat men zich meeneemt’ > ‘uitrusting’ > ‘scheepstuig’ > ‘zeil’ (Much ZfdA 36, 1892, 50); een niet minder abstrakte constructie.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zeil znw. o., mnl. seil (seel, zeer zelden sēghel) o. = ohd. sëgal m. (nhd. segel o.), os. sëgel (o.?), ags. sëgl, sëgel m. o. (eng. sail), on. sëgl o. “zeil”, germ. *seʒla-. Met ier. seol “zeil” (minder wsch. als germ. leenwoord beschouwd) uit idg. *segh-lo- of *seq-lo-. In ’t laatste, meer wsch. geval evenals on. segi, sigi, sø̂gr m. “afgescheurd stuk” van de basis seq- “snijden” (zie zaag), in ’t tweede geval verwant met lat. sagum (oorspr. gall.) “vierkant stuk goed, soldatenmantel”, lit. sagis “reiskleed van lit. vrouwen”; minder wsch., want de grondbet. van deze basis was wsch. “bedekken”: vgl. lett. segt “dekken, hullen”. — Van w.- en ngerm. *seʒla- de ww. *seʒlôn en *siʒlian, ndl. zeilen, mnl. seilen (sēghelen), ohd. sëgelen, mhd. sëgelen, sigelen (nhd. segeln), mnd. sēgelen, ags. sëglian (eng. to sail) en siglan, on. sigla “zeilen”. Uit ’t Germ. fr. cingler “id.”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zeil. Volgens Pedersen bij Loewenthal PBB. 53, 303 zou oerverwantschap van ier. seol met het germ. woord idg. i veronderstellen, waarmee dus de beide in het art. vermelde combinaties zouden vervallen; deze blijven echter mogelijk, indien men — als WP. II, 475 — het ierse woord als ontl. beschouwt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zeil o., Mnl. seil, seghel, Os. segel + Ohd. segal (Mhd. segel, Nhd. id.), Ags. id. (Eng. sail), On. segl (Zw. segel, De. seil) + Ier. seól, We.. hwyl: met bet. afgesneden stuk bij den wortel van zagen. Hieruit Fr. cingler = zeilen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1seil s.nw.
1. Doek van sterk linne wat aan 'n mas vasgemaak word om wind op te vang en 'n vaartuig vorentoe te laat beweeg. 2. Soortgelyke doek gebruik om iets mee te bedek, of om op te slaap, ens. 3. Skip.
Uit Ndl. zeil (Mnl. seil, segel in bet. 1, 1556 in bet. 2, 1600 in bet. 3). Eerste optekening in Afr. by Changuion (1844) in die samestelling zeilgaren.
D. Segel (8ste eeu), Eng. sail (ongeveer 888).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

zeil (de, -en), jute zak. Zie Schoonhoven 155. - Etym.: AN zeil = o.m. vloerbedekking van juteweefsel met een laag verf op de boven- en menie op de onderkant. - Syn. zeilzak*. Zie ook: karpet*.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Seiltjie snw., voortuig van trekdiere. Moet ons in hierdie woord die gewone woord seil sien (omdat ’n gedeelte van die tuig dikwels van sterk seildoek gemaak is), of het ons met glad ’n ander woord te doen? Vgl. Ter Laan 1224: “Zeel... een brede band van gevlochten of geweven touw... in ’t bijzonder ’t zeel, waarvan het paardetuig gemaakt is, of in ’t algemeen, waaraan men trekt... ’t Zeeltuug, het tuig, waaraan het paard of de paarden trekken voor wagen of ploeg. Bij één paard bestaat het uit 1 knuppel met 2 stringṇ” (hierdie laaste stem nie heeltemal ooreen met die Afr. seiltjie nie). Ook Gunnink 245: “Zēle, paardentuig.”

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Zeil, mnl. seil, seel, zelden seghel, ohd. sëgal, nhd. Segel, os, sëgel, ags. sëgl, segel, eng. sail. Waarsch. van denzelfden stam als zagen, lat. secare = snijden, en dan ongeveer = afgesneden stuk doek, verg. ono. segi, sigi, soegr = afgescheurd stuk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zeil ‘(hoeveelheid) doek ter afdekking’ -> Zuid-Afrikaans-Engels sail ‘(hoeveelheid) doek ter afdekking, huifdoek’.

zeil ‘doek aan mast’ -> Deens (uitdrukking) gå under sejl ‘onder zeil gaan’; Noors (uitdrukking) gå under seil ‘onder zeil gaan’; Frans dialect † siecle ‘doek aan mast’; Noord-Sotho seila ‘doek aan mast’ (uit Afrikaans of Engels); Tswana seile ‘doek aan mast’ (uit Afrikaans of Engels); Xhosa seyile ‘doek aan mast’ (uit Afrikaans of Engels); Zoeloe seyili ‘doek aan mast’ (uit Afrikaans of Engels); Zuid-Sotho seile ‘doek aan mast’ (uit Afrikaans of Engels); Sranantongo seiri ‘doek aan mast’; Saramakkaans zéi ‘grote vlag’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zeil* doek (aan mast) 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

907. Zijn hoed staat op drie haartjes.

Men zegt dit van iemand, wiens hoed parmantig, scheef, 17de eeuw kuin, op zijn hoofd staat. De zegswijze, die thans ook in het Noorsch wordt aangetroffen, komt in de 16de eeuw voor bij Sartorius I, 9, 3: 't Bonetken op drie haerkens; vgl. ook Brederoo, Sp. Brab. 511: Jonker jou hoetje staet wel netjens op drie haertjens; Hondius, Moufeschans, 510: Om de mutse naer de wetten op een enckel haer te setten; Tuinman II, 185: Op drie hairtjes staan; Jong. 235: Soms vergat hij in het vuur zijner rede den op drie haren staanden kachelpijp af te nemen. Synoniem is de zegswijze: den hoed (de muts, de pet) op half zeven (of half elf) zetten (vgl. o.a. Jord. 22: Jen Terwee het se pet op half elf), waarbij wellicht moet worden gedacht aan den schuinen stand van den eenigen wijzer op een oud torenuurwerkNdl Wdb. V, 1641 en vgl. in Antw. Idiot. 1821: Het kloksken van elf uren luidt zegt men spottend van iemand die mank gaat.; vgl. O.K. 54: Toon! zet je hoed recht, hij staat op halfzeven! In Antwerpen zegt men hiervoor zijn klak staat op halverzeven (Antw. Idiot. 528; 1482). In Groningen beteekent halfzeven zijn dronken zijn (Molema, 143 bHarreb. II, 499 b.), waarbij sommigen denken aan het eng. half seas over, dat in denzelfden zin gebruikt wordtNoord en Zuid V, 270 en Woeste, 236 b: He es half siewen, er ist toll und voll; hd. halb sieben sein.), doch dat eerder te verklaren is uit Pers, 246 b: Men lette onder de maeltijd wel op Heer Dirk, dat hem doch geen glaesjen mocht voor-by-slippen; nu ter halver zee en in den geest opgetogen. In Zuid-Nederland half zeil zijn (Volkskunde XIV, 144). Ook in Duitsche dialecten is in beide beteekenissen bekend den Hut auf elf (oder auf halber zwölf, op halver achte, aufs Ohr) setzen, tragen (Wander II, 944; Eckart, 229); eng. on nine hairs.

981. De huik naar den wind hingen,

d.w.z. van partij veranderen naarmate de omstandigheden dit raadzaam schijnen te maken; ook wel het vaantje of de zeilen naar den wind hangen. Onder een huik verstond men een langen mantel zonder mouwen, die zoowel door mannen als vrouwen gedragen werd, tot op de voeten reikte en van voren over het hoofd heen in een langen hoorn uitliep. De eig. bet. is: de huik zoo hangen, omslaan, dat men tegen den wind beschut is; fig. ‘eene zoodanige houding aannemen, dat men altijd gedekt is; met beide partijen op een goeden voet willen blijven’; zie Kiliaen: Huyck of huycksken nae den wind hanghen, servire scenae, servire tempori, versare suam naturam et regere tempus; Plantijn: De huycke na de wint hangen, tourner la cappe au vent, adag. flechir à touts vents; mlat. versa sit adversum tua semper penula ventum. In de middeleeuwen zeide men die hoyke tegen (of na) den wint hangen; zie het Mnl. Wdb. III, 525-527; Stallaert II, 625 en Ons Volksleven V, 182. Hij, die dit deed, werd een wendehoyke genoemd. Thans wordt ook, omdat men de uitdr. niet begrijpt, gezegd: ‘de huig naar den wind hangen’. Zie verder Goedthals, 57: De huycke naer den wint hangen, t hooft inden windt houden, tourner a tout vent; Everaert, 160, vs. 437; Pers, 137 b; Coster, 55, vs. 1344; Bebel, no. 282; Taalgids 4, 255; Woeste, 95: et haüken nam winde draigen; Eckart, 215: dä wêss de Hock no'n Wedder ze hangen; Dirksen I, 37: de wêt de heike na de wind to setten (of na de wind to hangen) en vgl. onze uitdr. zijn rokje omkeeren of omhangen (Sewel en Halma), fr. tourner casaque; het Vlaamsche: het vaan of vaanken naar den wind hangen of zijn molen naar den wind hangen (Schuermans, 770 a); het hekken naar den wind hangen (bl. 182; ook Teirl. II, 25); den staart naar den wind draaien ('t Daghet XI, 80); de leuke naar den wind hangen (De Bo, 627); het Neder-Betuwsche: zooas de wijnd waoit, waoit zijn ja(a)s; Onze Volkstaal II, 114; Breuls, 86; De Cock1, 148; Antw. Idiot. 1476: e zeiltje naar de(n) wind spannen; hd. den Mantel nach dem Winde hängen; man musz den Mantel kehren wie das Wetter geht.

1069. Hij is kanon,

d.w.z. hij is stomdronken, eig. hij is zoo vol geladen als een kanon. Vgl. Landl. 32: Maar die kerel die zuipt en astie kanon is, slaat ie dat wijf; bl. 153: Ik ben er (van champagne) maar één enkele keer van me leven zoo zalig kanon van geweest; Jord. II, 444: Toen de meiden en het vaarvolk op den Zeedijk weerkeerden, was Corry kanon. Ze lalde, vloekte en zoende. - Eenigszins anders in Sjof. 28: Zuipen deeën ze allemaal, de een liep as een kanon over de straat; bl. 239: Daar zit ie (de dronkaard) als een kanon bij de melkboer voor de deur. In Zuid-Nederland: Zoo zat als een kanon (Antw. Idiot. 1471; hd. betrunken wie eine Kanone), dat te vergelijken is met Hij is geladen (of zoo vol) als een kanon (Harreb. II, XXXI); syn. van Hij is zoo vol als een kartou (Van Effen, XI, 207; Ndl. Wdb. VII, 1683), waarvoor in het hd. gezegd wordt Er ist kanonenvoll oder voll wie eine Kanone oder Er hat einen kanonenrausch, er ist sehr stark betrunken (Wander II, 1131Het door Kluge, Studentenspr. 97 vermelde die völlige Kanone, betrunkenheit, zal wel niets met deze uitdr. te maken hebben. Kanon toch was de naam van een bierglas; vgl. ook het fr. canon, glas wijn; canonner, drinken. Ook zoo dronken als een katrol in Handelsblad 12 Juni 1921 (O.) p. 9 k. 3: Een grooten moordenaar heb ik aangereden. Die was zoo dronken als een katrol en vloekte erger dan een katrol.); fri. in rûs as in kartou of in kartouwer; Maastricht: zat wie kertong (= hd. kartaune; Houben, 99Mogen we dronken zijn als een stoel (Tuinman II, 49) of als een kakstoel (Bergsma, 21) als komische navolgingen beschouwen?). Voor het ontstaan der zegsw. vergelijk Hij is zeil (hij is dronken; eig. hij loopt met een nat zeil); hij raakt knel (Sjof. 209), welk adj. knel ontleend is aan in de knel raken; hij is kous, hij heeft niets gevangen, komt met een ledige schuit terug (Boekenoogen. 503), ontleend aan met de kous op den kop thuiskomen; het 17de-eeuwsche brief, pochhans, ontleend aan een brief hebben, zich veel inbeelden (Ndl. Wdb. III, 1324); hij is kriek, krankzinnig, ontleend aan het voor zijn kriek hebben (Boekenoogen, 515); het hd. barg. er ist Flanell ontleend aan Flanellwache stehen, Flanellwache halten, von verheirateten Dieben, wenn sie sich durch die Flitterwochen abhalten lassen, ihren alten Verkehr zu frequentieren (Rabben, 49); enz.

1682. Een oog (oogje) in het zeil houden.

‘Oog in het seil houden: dit is het werk van een goed seeman, om geduurig op sijn hoede te sijn:.... oneigenlijk: op sijn beroep passen, een waakend oog houden’ (Winschooten, 249). De uitdr. komt in de latere middeleeuwen voor bij Despars, 2, 252 en Froissart, 384 (oge int seil houden) en wordt in de litteratuur zeer dikwijls aangetroffen. Zie Campen, 129: hy heft steets hem (l. het) een ooghe int seyl; Anna Bijns, Refr. 311; Idinau, 212; Van Lummel, 377; Hooft, Brieven, 188; Vondel, Gebroeders, vs. 1107; Lof der Zeevaert, 456: een oog in't seyl slaen; Pers, 377 b; Asselijn, 255; Halma, 449; C. Wildsch. II, 56; enz. Zie verder het Ndl. Wdb. X, 2272; Harrebomée II, 144 a; Waasch Idiot. 758; Antw. Idiot. 2171. Ook in het Friesch: in each yn 't seil hâlde; nd. en Oge int Seil hebben (Eckart, 24).

1913. Een rakje in den wind (of het zeil),

d.w.z. tegenspoed, wanneer het niet vóór den wind gaat. Onder een rak(je) verstaat men ‘een end, of endje sees, of weegs, dat men nog te seilen heeft’ (Winschooten, 201); thans een gedeelte van een kanaal, afwijkende van de hoofdrichting, kromming in eene vaart of rivier (Molema, 340; Boekenoogen, 808; fri. rak, rek, een recht of nagenoeg rechtloopend gedeelte van een vaarwater). Een rakje in den wind (of het zeil) wil dus zeggen: een eindje in den wind op, met tegenwind. De uitdrukking dateert uit de 17de eeuw; zie Cats I, 458; Winschooten, 201: Daar is een rakje in de wind, daar is eenige haapering, en teegenspoed; Tuinman I, 143; Harreb. II, 209; Van Lennep, Ferd. Huyck: Wij hadden altijd voordewind en geen rakje in 't zeil gehad; Boekenoogen, 808: As er maar geen in-de-winds-rakkie komt, als er maar geen letsel komt. Syn. in de 18de eeuw: een rukje in den windNdl. Wdb. XIII, 1811..

2591. Voor den wind gaan,

slechts onpers. gebruikt in den zin van voorspoedig gaan, onder begunstiging van alle omstandigheden; evenals een schip, dat den wind vlak achter zich heeft; fr. avoir le vent en poupe; eng. to sail before the wind; vgl. voor wind en stroom gaan (Ndl. Wdb. IV, 86); voor het lapje gaan (zie no. 1340); mnl. voorwint hebben of den wint int seil hebben; Anna Bijns, Refr. 115: Haer scheepken zeyldt hier nu al voor den windt; Servilius, 35: 'tgaet al voor den wint, secundis ventis (navigare); Sart. I, 2, 11: heel voor stroom ende voor windt seylen, Neptuno propitio navigari; II, 5, 91: voor de wint seylen, 't geluck mede hebben, de eo cui res et sententia succedunt; Hooft, Ged. I, 53: Soo gaet het mij noch al voor wint, voor stroom; Pers, 460 b; 868 b; 912; Winschooten, 362: Vaaren met een voorwind of voor de wind; 363: De saaken gaan voor de wind: dat is, voorspoedig; Huydecoper, Proeve III, 198-200; Sewel, 960: Voor de wind zeilen, voorspoedig zijn; Halma, 789; Harreb. II, 316; afrik. dat gaat hom voor die wind; fri. foar de wyn gean; oostfri. vör die Wind gân. Vgl. nog andere uitdr. als hij heeft den wind mee (o.a. De Vrijheid, 12 Maart 1924 bl. 1 p. 4 k. 1); Joos, 84: hij heeft den wind van achter of 't waait in zijn zeilen (N. Taalgids, XII, 148); Tuerlinckx, 731: de wind van achter! gelukkige reis! Waasch Idiot. 717: het waait in zijnen vlieger, in zijn zeilen, hij heeft geluk (Antw. Idiot. 2162); iemand (den) wind in de zeilen blazen (Haagsche Post, 5 Juli 1924 p. 1 k. 2; Amsterdammer, 29 Maart 1924 p. 1 k. 2), hem helpen, begunstigen, naast iemand den wind uit de zeilen nemen (Handelsblad, 31 Juli 1924 p. 5 k. 1 (A); Amsterdammer, 5 April 1924 p. 3), d.i. hem den wind onderscheppen, hem tegenwerken; vgl. eng. to take the wind out of one's sails, to frustate him by anticipating his arguments, using his material.

2634. Het zeil in top halen (of voeren),

d.w.z. het zeil zoo hoog mogelijk ophalen; bij overdracht op grooten voet leven; een hoogen staat voeren, bram boven bram voeren. Vgl. Winschooten, 248: Het seil in top haalen of setten, dat bij swaaren storm gevaarlijk isDoet men dit, dan bestaat er gevaar, dat het schip omslaat; vgl. De Brune, Bank. I, 114: Die 't zoo hoogh in den top zetten, moeten van de gyb wachten. en daarom werd het oneigendlijk genoomen voor sijn staat soo hoog setten, als immers doendelijk is; bl. 164: Veiligst is het in voorspoed te denken om teegenspoed: en het seiltje niet al te hoog haalen; Witsen, 311: t Zeil in top halen, een grooten staet voeren, zo hoog of hooger als de middelen konnen lijden; Sart. II, 6, 21: Haelt u seyl niet te hoogh, kent staet ende hout maet; ne majora viribus suscipias, aut ne magnificentius te geras, quam pro tua conditione; zie verder Starter, Steek-boekjen, 58:

 Eer dat gy bent uyt den dop
 Zo trekje 't Zeil al in den top:
 Jou hert is groots.

Vgl. nog Haerl. Somerbloempjes, 134: Die het zeyl te hoogh ophalen en in hovaerdy en pracht brallen boven hare macht; Huygens, Oogentroost, vs. 150: Soo vierense staegh schoot, en voeren 't in den top tot dat's een slingerbuy zien vallen in haer laken, die 't schip op zyde werpt; Hofwijck, vs. 783; Tuinman I, 259: 't zeil is te hoog in top gehyst; Van Effen, Spect. VI, 31; Halma, 647; Sewel, 792: Het zeil in top zetten, to carry it high, to live very prodigal; Harreb. II, 340; Van Eijk I, 162. Ook kende men in de 17de eeuw: het zeil te wijd zetten (zich voornamer voordoen dan men is) en een hoog zeil voeren, bluffen, snoeven (De Brune, Bank. I, 208). In het fri. it seil to heech hize, een te grooten staat voeren; hja lûke 't seil heger as de mêst, zij voeren een staat boven hun stand.

2635. Het zeil strijken voor iemand,

d.w.z. voor iemand onderdoen; eig. het zeil laten zakken; lat. vela contrahere. Op groote schepen liet men ten teeken van eerbied het zeil een weinig zakken; vandaar dat de uitdr. de bet. kreeg van: iemand als meerdere erkennen, voor hem onderdoen, zwichten; Winschooten, 249. Zie Kil.: Strijcken het seyl, deducere vela, legere vela; Gew. Weuw. II, 22; De Brune, Bank. II, 234: De spreeck-konst moet voor de zwijghkonst wijcken, en 't zeyltjen laeghe strijcken; Pers, 171 a; 791 a; Paffenr. 197; Starter, 397; 401; Vondel, Gebroeders (ed. 1650), bl. 48: Noch waer 't voorzichtigheit te wijcken, en leeren 't zeil by tijts, voor zulk een onweêr strijcken; Van Effen, Spect. XII, 82: Een smakelijke broeder, die (na echter, met een verdienstelijke zedigheid het zeil gestreeken te hebben, voor Aarnoud van Overbeek) ons vertelde, dat hy onlangs met drie andere Tafelridders een aanzienlyke Kabeljauw tot de graten toe had helpen vernielen; Halma, 805: 't Zeil strijken, met het zeil groeten; eene reef inbinden, caler la voile, filer doux; Sewel, 767: Voor iemand stryken, to yield (or give way) to one. Syn. was 't zeil inhalen (Pers, 8 rVolgens Van Eijk I, 164 zegt men van iemand, die van zich zelven valt hij heeft het zeiltje gestreken; vgl. Halma, 805: 't Zeil strijken, zieltoogen, op sterven leggen.. Vgl. no. 2421; hd. vor einem die Segel streichen.

2636. Alle zeilen bijzetten,

d.w.z. alle krachten inspannen, alle middelen aanwenden om het doel te bereiken; hetzelfde als: alle lappen uithangen; de bramzeilen bijzetten; fok en lul of lul en fok bijzettenPaffenrode, 59; Harreb. I, 194 a; Ndl. Wdb. VIII, 3313.; alle topseilen bijzettenPers, 153 a; 705 a.. Sedert de 17de eeuw, blijkens Pers, 331 a en Winschooten, 24 gebruikelijk. Voor de 18de eeuw zie Van Effen, Spect. IX, 38; W. Leevend V, 202: Alle zeilen bijzetten om den hoek om te komen; Tuinman I, 147; Sewel, 983; Halma, 805: Alle zeilen bijzetten, zijn uiterste best doen om tot zijn oogmerk te geraaken; Ndl. Wdb. II, 2675; Waasch Idiot. 758: al zijn zeilen bijzetten, rap loopen; Eckart, 478: alle Seil's bisett'n. Ook in het Friesch alle seilen bysette; in het gri. παντα καλων κινειν, εξιεναι, εκτεινειν; hd. mit vollen Segeln fahren (lat. plenis velis navigare) oder alle Segel aufziehen, aufspannen; fr. mettre toutes voiles dehors, chercher à paraître dans tous ses avantages (Hatzf. 2266 a); mettre toutes les voiles au vent; eng. to make all sail.

2637. Met een nat zeil thuiskomen (of loopen),

d.w.z. dronken thuiskomen. Men was vroeger gewoon de zeilen te begieten, wanneer men in den wind op moest; ze vingen dan meer wind, zoodat het laveeren gemakkelijker ging. Daar nu een dronken man ook over de straat laveert, zegt men van hem, dat hij met een nat zeil loopt. Deze verklaring geeft Winschooten, 250. Eene bevestiging hiervan vindt men in het omschrift op het mondstuk van een grooten drinkhoorn van het schippersgild te Nijmegen (anno 1646), dat luidt:

 Met natte seylen ist goet laveere,
 Die my veel drinckt salt oock wel leerenSchotel, Maatschappelijk Leven, 165; Trou m. Bl. 10, vs. 196: 't seyl begieten, drinken; Amsterd. Vreugdestr. II, 19: De yverende Jacht-man ylt na jacht en sloep en schuyt, slaet aen en nat sijn seylen; hd. die Segel benetzen, damit sie desto besser anziehen (Grimm X, 86)..

Zie verder Smetius, 190: Hij seijlt altijt met een nat seyl; hij heeft meer gedroncken dan gegeten; de Tien Vermakelikheden des Houwelyks (anno 1678), bl. 157: Veele andere die haar in brandewijn en andere stercke wateren verfoeyelijk vergeten, en schier den heelen dag met een nat zeyl loopen; Het Kind van weelde of de Haagsche Lichtmis (anno 1679) I, 116: Het gebeurde op zekere dag, dat wy ons gat zoo vol zoopen, dat wy genoeg te doen hadden om de regel te rooyen; wy gingen aldus met een nat zeil na het bosch toe; Sewel, 983; Tuinman I, nal. 24; Halma, 805: Met een nat zeil loopen, 't zeil nat maaken om den wind beter te vatten; met een nat zeil loopen, marcher comme un ivrogne; Schoolm. 316: Daar ik een nat zeil heb, zoo ben ik bang, dat de weg eer te breed zal zijn dan te lang; Ndl. Wdb. IX, 1582. In het Friesch: hy rint mei in wiet seil, synoniem van hij loopt met een vol zeil (Harreb. I, 342 b); vgl. ook het Gron. met 'n natte krös (karos) in hoes komen, doornat thuiskomen (Molema, 229 b); in Twente: 't zeil vol hebben; De Cock1, 240; Antw. Idiot. 1477: hij zeilt met volle zeilen, hij is dronken; zeilen, dronken loopen; Nav. 1897, 59: hij heeft te diep gezeild; fri. hy had to djip syld. Vgl. eng. to be (or have) a sheet (or three sheets) in the wind; fr. avoir du vent dans les voiles.

2638. Met een opgestreken zeil naar iemand toekomen,

d.w.z. driftig en toornig op iemand afkomen; vooral met het oogmerk om zijn toorn te luchten, voldoening te vragen, enz.; eig. gezegd van een schip, dat met opgeheschen zeilen naar een ander toezeilt om het aan te vallen. In de 17de en 18de eeuw met een opgetogen, opgeset, opgehaelt, opgerecht, opstaend, staend zeil; thans ook met een opgestoken zeil (Van Eijk I, 163); eerst in de 18de eeuw ontmoette ik ‘met een opgestreken zeil’ bij Halma, 805, die het verklaart door ‘heel grammoedig, en colère, tout trouble, sans modération’. Zie Harreb. I, 80 b en II, 497 b; Ndl. Wdb. XI, 1275; Het Volk, 17 April 1914 p. 6 k. 3: Tegen de waarheid helpt geen opgestreken zeil, van wie ook; 5 Juni 1914 p. 7 k. 4: Toen de heer S. dit gewaar werd, kwam hij met een opgestreken zeil bij dezen kleermaker en gelastte hem de meisjes weer te ontslaan; Kalv. II, 99: Ze liepen met een opgestreken zeil (trots) door de Kalverstraat alsof alle huizen van hen hoorden; 120; Dievenp. 137; Kmz. 334; Nkr. IX, 13 Maart p. 6: De patroon woedend dat 't zoover was gekomen, stoof met een opgestreken zeil naar moeder; in het Friesch: hy gyng mei in opstritsen (of opstouwen) seil dêr hinne; oostfri. mit 'n upgeblasen, upspand, upstreken, uptrukken seil kamen. Vgl. eng. to be on the high ropes, aanmatigend zijn.

2639. Onder zeil gaan,

d.w.z. vertrekken; ook: naar bed gaan, 't anker gaan windenOp Goeree en Overflakkee; zie N. Taalgids XIII, 132.; inslapen; eig. gezegd van een schip, dat de zeilen hijscht om te vertrekken (eertijds t' seil gaen) en dan onder de zeilen ligt (vgl. fr. être sous voile); hd. unter Segel gehen, abfahren; eng. to get under sail. Zie Winschooten, 249; Huygens, Oogentroost, 724 en Brandt, De Ruiter, 134: Den volgenden morgen deed de Ruiter sein om onder seil te gaen en elk lichtte zyn anker; Köster Henke, 49: iemand onder zeil brengen, in slaap maken; B.B. 57: De kapitein geeuwt even, terwijl hij al half onder zeil is; blz. 62: Jozef is eenigszins verontwaardigd over zijn auditorium, dat zij bij zoo'n mooi stukje onder zeil kunnen gaan; Sprotje II, 109: Ze zei 's avonds dat ze naar kooi ging of onder zeil. Met iemand onder zeil gaan, met iemand in het huwelijksbootje stappen; zie W. Leevend I, 210; Br. v. Abr. Bl. II, 50; Van Eijk I, 161; Harreb. II, 497 a; P.K. 98: Toen ik met m'n Jans onder zeil ging, was ik machtig blij, dat 'k een bovenhuis met drie kamers had; vgl. ook het oostfri. hê geid tô seil, hij gaat slapen; hê geid under seil, er geht unter Segel; fig. er geht unter; fri. hy giet under seil, hij gaat slapen. Zie no. 2298.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut