Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zeik - (in pejoratieve samenstellingen en afleidingen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zeikmier* [zeurkous] {na 1950; als ‘soort mier’ 1881} blijkens engels pismire, middelengels pissemyre, dat eerst in de 16e eeuw overdrachtelijk ‘zeur’ ging betekenen, vgl. ook ijslands mīgamaur [letterlijk pismier] (nederlands miegen [pissen]), oorspr. gezegd van mieren en wel vanwege de urinelucht van het nest.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zeikmier v., vergel. Eng. pismire, IJsl. migamaurr: wegens den pisreuk van een mierennest of het geloof dat het bijtend vocht der mier hare pis is.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

zeikdoos, zeikdweil, zeikteil: onaangenaam, vervelend iemand; klagerig persoon; zeur; pietlut*. Zeikteil komt vnl. voor in Vlaanderen.

Die seikdweil zat ook vaak te zeuren dat ze in de rimboe zat… (Jan Cremer, De Hunnen. III: Vrede, 1983)
Godallemachtig, wat een stelletje kinnesinnige sikkeneurige zeikdozen schrijven er tegenwoordig voor Oor. (Oor, 02/05/1992)

zeiker, zeikerd: iemand die voortdurend zanikt; zeur. In Vlaanderen wordt het meer gebruikt in de zin van ‘kleinmoedige vent; lafaard’. In Gent heeft het woord de betekenis van ‘haarklover, vitter’.

Maar die seikert was bang voor z’n nette pak en liep gebogen. (Jan Cremer, Ik Jan Cremer, 1964)
Amerikanen zijn zeikers, nooit heb ik van die supersonische klootzakken meegemaakt. (Paul A. Wilking, De roerige wereld van Pistolen Paul, 1968)
‘Ach zeikerd,’ zei Drumbo geërgerd. (Peter Andriesse, Desperado’s, 1981)

zeikmier: zie zeikhannes*

zeikstraal, zeikzever: iemand die voortdurend klaagt; zeurpiet.

Nou, ze was weleens gevraagd in een speelgoedshop, maar daar kreeg ze alsmaar ‘zeikzevers’ die verantwoorde treintjes met gifvrije verf wilden hebben. (Jos Brink, Laat mij maar schuiven, 1988)
Zeikstraal! Gedane zaken nemen geen keer ouwehoer! (Dirk Dufraing, Rock ’n’ Roll, 1989)
Zeven uur zeg ik toch. Zeikstraal. (De Volkskrant, 01/04/2000)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

zeik. In Leiden noteerde ik op 10 oktober 1999 de verwensing krijg de zeik!, die ergernis, teleurstelling en verachting uitdrukt. → vallen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut