Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zegen - (blijk van gunst)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zegenen ww. ‘Gods gunst en bescherming overbrengen; begunstigen’
Mnl. seghenen ‘Gods gunst en bescherming overbrengen’ in dat icse sechhende altehant ‘dat ik hen meteen zegende’ [1265-70; VMNW]; vnnl. ook overdrachtelijk ‘begunstigen’ [1526; WNT].
Ontleend aan christelijk Latijn signare ‘zegenen’, uit klassiek Latijn signāre ‘een teken geven’, een afleiding van signum ‘teken’, zie → sein. Bij het geven van de zegen werd het christelijk kruisteken gemaakt.
zegen zn. ‘daad van het zegenen, benedictie; begunstiging’. Vnnl. segen ‘id.’, zelden seghe in Van alder eeren, gheluck, zeghe ende spoet ‘van alle eer, geluk, gunst en voorspoed’ [1548; WNT], ick hebbe v het leuen ende den doot, den seghen ende vloeck, voorgheleydt [1562; WNT]. Afleiding van zegenen (WNT).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zegen1 [blijk van gunst] {segen [gevoel van geluk] 1548-1560; de betekenis ‘kerkelijke zegening’ 1567; als ‘iets heilzaams’ 1651} < latijn signum [teken, bewijs, voorteken, in me. lat. wonder] → sein1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zegen 1 znw. m. ‘het zegenen’, mnl.sēghen ‘het maken van een kruisteken’ (laat en zelden; eerder afgeleid van het ww. zegenen), mnd. sēgen, ohd. segan ‘kruisteken, het zegenen door het kruisteken, toverspreuk’ (nhd. segen), reeds langob. runisch (± 600) segun; in alle germ. talen op te vatten als een christelijk woord en wel afl. van het ww.

Uit het volks-latijn *seŋno zijn ontleend oiers sēn ‘teken, zegen, geluk’, kymr. swyn ‘toverspreuk, toverij, hekserij’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zegen I (het zegenen), mnl. sēghen “het maken van een kruisteeken”, laat en zeldzaam, wsch. deverbatief van sēghenen. Mnl. is benedixie v. ’t woord voor “zegen”. Ohd. sëgan m. “kruisteeken, zegening door ’t kruisteeken, tooverspreuk” (nhd. segen), mnd. sēgen m. “id.” is een christelijke ontl. uit rom. *segnu < vulgairlat. sĭgnum “teeken, kruisteeken” (> it. segno “teeken” enz., zie sein); met andere bet. is dit ontleend in ’t Ags.: sëgn m. o. “banier”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zegen 1 m. (zegening), Mnl. seghen, Os. werkw. seginon, gelijk Ohd. segan (Mhd. segen, Nhd. id.), Ags. segn, uit Lat. signum = teeken. Zegen = kruisteeken; vergel. Fr. se signer.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

seën II: mv. seëninge, “benediksie; geluk”; Ndl. zegen (Mnl. sēghen, wsk. uit d. ww. sēghenen), Hd. segen, It. segno, “teken”, uit Ll. signum, “kruisteken”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zegen (Latijn signum)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Zegen, eig. het teeken des kruises (signum crucis), dat men over iemand, of op iemands voorhoofd maakt, daarna kreeg het de ruimere beteekenis van zegening, en van geluk, voorspoed enz. Op dat zelfde woord signum gaat sein terug. Een geheel andere afkomst heeft zegen = vischnet, dat ontleend is aan lat. sagena.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zegen, van ’t Lat. signum = teeken, hier n.1. het teeken des kruises; zegenen is dus lett.: het teeken des kruises maken, om daardoor Gods bescherming enz. tegen het kwade in te roepen; zoo kreeg zegenen de bet. van: gelukkig maken, voorspoed geven, enz. Hetzelfde woord is seinen, van ’t Lat. signare (ig of eg wordt ei, zegde, zeide) = teekens geven; maar in ’t Mnl. was seinen óók zegenen = het kruisteeken maken; vgl.: „Hi seinde hem (= zich) en was in vare (= vrees), ende waende, dat (het) di duvel ware”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zegen ‘kerkelijke zegening’ -> Negerhollands segen, zegen ‘kerkelijke zegening’; Sranantongo seigi ‘kerkelijke zegening’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zegen kerkelijke zegening 1567 [WNT] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1144. Kinderen zijn een zegen des Heeren,

gewoonlijk met het achtervoegsel maar zij houden de noppen van de kleerenVgl. De Brune, 182: 't Ghetal van kinders aen den heyrt de noppen van de kleeren weert.. Vgl. Smetius, 49: Een jeghelijck seght dat kinderen een segen Godes sijn; 59: Kinderen zijn een segen des heeren, dan sie keeren de noppen van de kleeren; Brederoo I, 325, 484: Kinderen zijn gaven Gods. Deze zegswijze herinnert aan Psalm 127 vs. 3: Siet, de kinderen zijn een erfdeel des Heeren (met de kantteekening: dat is: een segen van den Heere gegevenIn de Leidsche Bijbelvertaling: Zie, zonen zijn een erfdeel van Jahwe.. Zie verder Tuinman I, 91: Kinderen zyn een zegen des Heeren; maar zy houden de noppen van de kleeren; Antw. Idiot. 650: de kinderen houden de knoppen van de kleeren; Zeeman, 272 en Wander II, 1294: Kinder sind Gottes Segen; viel Kinder, viel Segen; fr. les enfants sont une bénédiction du Seigneur; oostfri. föl kinner, föl segen (Dirksen II, 48In de Leidsche Bijbelvertaling wordt de volgende toelichting bij Psalm CXXVII, vs. 3-4 gegeven: Ook hierom zijn dezen (de zonen der jeugd = de krachtigsten) voor de ouders een groote zegen, omdat zij, nog bij hun leven volwassen, dezen het meest steun kunnen bieden tegen hunne vijanden.); Afrik.: kinders is 'n seën van die Here, maar hulle hou die mot uit die klere.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut