Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zegel - (stempel; gegomd stukje papier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zegel zn. ‘stempel; gegomd stukje papier’
Onl. *sigil alleen in een afgeleide vorm in brunno besigelad ‘verzegelde bron’ [ca. 1100; Will.]; mnl. segel in daden wi desen brief scriuen ende onsen segel dran hangen ‘lieten we deze brief schrijven en ons zegel daaraan hangen’ [1236; VMNW], zegel ‘zegel, verzegeling’ [1300-25; MNW-R]; vnnl. mijt des conventes seghel verseghelt ‘met de zegelafdruk van het convent verzegeld’ [1526-27; iWNT]; nnl. franco zegeltje op een brief (postzegel) [1864; iWNT].
Vroege ontlening aan Latijn sigillum (< *signolom), een verkleinwoord van signum ‘teken, beeld’, zie → sein. Oorspr. aanduiding voor de afbeelding die op het stempel resp. het zegel stond.
Mnd. sēgel ‘zegel’; mhd. sigel (nhd. Siegel) ‘zegel’; ofri. sigil ‘zegel’ (nfri. sigel, naast segel uit het Nederlands); oe. sigil ‘broche, mantelspeld’; on. sigli ‘sieraad, halsketting’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zegel [stempel] {segel 1201-1250} < latijn sigillum [beeldje, reliëf, (afdruk van een) zegel], verkleiningsvorm van signum [(merk)teken, herkenningsteken] (vgl. zegen1, design, sein1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zegel znw. o., mnl. sēghel m.o., mnd. sēgel, mhd. sigel (nhd. siegel), ofri. sigil o. ‘zegel’ < lat. sigillum ‘zegel, afdruk’ < signolom, verkleinw. van signum ‘teken’.

Een oudere vorm is mnl. mnd. ingesēghel, ohd. insigili, ofri. insigel, oe. insegel, on. insigli ontstaan uit kruising van lat. sigillum en insigne. Het woord zegel treedt eerst in de 13de eeuw op. — Een ander woord is ohd. sigilla ‘lunula’, dat ook wel op lat. sigillum zou kunnen teruggaan; maar oe. sigle, segl ‘fibula’ (> on. sigli ‘siernaald’) heeft men wel in verband willen brengen met oe. sigel, segel ‘zon’ — got. sugil en zie dan verder: zon.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zegel (het, de), mnl. sēghel m. o. = mhd. sigel (nhd. siegel), mnd. sēghel, ofri. sigil o. “zegel”. Uit lat. sigillum “id.”. Opvallend is het vroegere voorkomen in de wgerm. talen en in ’t On. van het woord ohd. insigili, mnl. mnd. ingesēgel, ofri. insigil, ags. insegel, insigle, on. innsigli o. “zegel”. Men ziet er een contaminatievorm van lat. sigillum en insigne “teeken, kenteeken” in. Misschien mogen wij uit mnl. sēghelen (nnl. zegelen), ohd. bi-sigilen, os. siglian en ofri. sig(e)lia “zegelen” afleiden, dat er reeds vroeger dan uit de bronnen blijkt een continentaal-wgerm. *siʒila- bestaan heeft. In ’t Mnl. is sēghel inderdaad ouder en gewoner dan inghesēghel. ’t Got. heeft sigljo o. “zegel”, sigljan “zegelen”. Met andere bet. komen voor laat-ohd. sigilla v. “lunula”, ags. sigl (o.?) “gesp, juweelen versiersel”: ook deze uit lat. sigillum resp. den korteren vorm siglum, die in ’t Vulgairlat. ook andere bett. dan de geleerde bet. “abbreviatuur” gehad zal hebben.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zegel, zegelen znw. resp. ww. De aan het slot vermelde woorden “met andere bet.” worden wel hiervan gescheiden. Men beschouwt dan ags. sig(e)l, seg(e)l o. ‘gesp, juwelen versiersel’ als identisch met het bij zon vermelde ags. sygel ‘zon, naam van de s-rune’ = got. sugil. Hierbij verder ags. sig(e)le v. o. ‘halsband’; ook laat-ohd. sigilla v. ‘lunula’ zou met umlaut van u hierbij kunnen behoren, terwijl on. sigli o. ‘sieraad’ uit het Ags. kan ontleend zijn. Hoewel niet alle feiten zich vlot met deze hypothese laten verklaren, is ze toch de overweging waard, omdat ook de afl. uit lat. sigillum semantische bezwaren heeft.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zegel o., Mnl. seghel, gelijk Mhd. sigel (Nhd. siegel) en Go. sigljo, uit Lat. sigillum = stempel, dimin. van signum = teeken (z. zegen 1). Uit Lat. sigillum ook Fr. sceau.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1seël s.nw.
1. Voorwerp met 'n figuur, letter of wapen op waarmee 'n afdruk in was gemaak word om die egtheid van 'n dokument te waarborg. 2. Figuur, letter of wapen in was afgedruk om die egtheid van 'n dokument te waarborg. 3. Klein stukkie gegomde papier wat op posstukke geplak word as bewys van posgelde betaal.
Uit Ndl. zegel (1501 in bet. 1, 1515 in bet. 2, 1665 in bet. 3).
D. Siegel (14de eeu), Eng. seal (1258 in bet. 1, 1230 in bet. 2).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

seël: afdruk v. stempel, stempel (in ss. soos posseël); Ndl. zegel (Mnl. seghel), Hd. siegel, Eng. seal, Fr. sceau, uit Lat. sigillum (dim. v. signum, “afdruk, beeld, teken”).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zegel (Latijn sigillum)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zegel, van ’t Lat. sigillum, verkleinwoord van signum = teeken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zegel ‘stempel’ -> Deens segl ‘stempel’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors segl ‘stempel’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch ségel ‘verzegeling; stempel; voedselbon’; Ambons-Maleis ségel ‘stempel’; Atjehnees sigé, sègè ‘stempel, bewijs van verkoop van grond’; Boeginees sêgelé ‘stempel’; Jakartaans-Maleis sègèl, kartu sègèl ‘reeds bestempeld papier’; Javaans sègel ‘stempel, gezegeld papier’; Keiëes segel ‘stempel’; Kupang-Maleis ségèl, surat ségèl ‘stempel’; Madoerees segēl ‘stempel’; Makassaars sêgelé ‘gezegeld papier, akte, contract op gezegeld papier’; Menadonees ségèl, surat ségèl ‘stempel’; Rotinees sègel ‘stempel’; Sasaks segel ‘plakzegel, gezegeld papier’; Soendanees segĕl ‘stempel’; Ternataans-Maleis ségèl, surat ségèl ‘stempel’; Petjoh segel ‘plakzegel’; Creools-Portugees (Ceylon) segel ‘stempel’; Negerhollands siegel, siel ‘stempel’; Papiaments † zegel ‘stempel’; Aucaans sekili ‘postzegel’; Surinaams-Javaans sèkhel ‘stempel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zegel stempel 1240 [Bern.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2633. Zijn zegel aan iets hechten (of hangen),

d.w.z. iets goedkeuren; ontleend aan de gewoonte der wereldlijke en geestelijke heeren, om besluiten welke zij moesten bekrachtigen, met hun zegel te voorzien, d.w.z. hun zegel in was gedrukt, door koorden, banden of reepen perkament aan de brieven of charters te bevestigen, te hangen; ze te bezegelen. Toen men in de tweede helft der 16de eeuw het gezegeld papier uitdacht, kwamen de papierstempels in gebruik. In vroegeren tijd sprak men evenwel ook van zijn zegel steken aan iets (zie Mnl. Wdb. VII, 2050; Anna Bijns, Refr. 122; Vondel, Jephta, vs. 1128; Hooft, Ned. Hist. 174; 233; enz), daar men, als het zegel met dubbele strooken perkament, staarten genoemd, aan den brief bevestigd werd, deze door eene insnijding stak, welke in een dubbel gevouwen onderkant van den brief was aangebracht. Thans nu het zegel op den brief gedrukt wordt, zeggen we ook: Zijn zegel op iets drukken of zetten. Vgl. Servilius, 25*: Ic hanger mynen segel ooc aen, pedibus in sententiam discedere; Van Effen, Spect. III, 2: By gevolg is het dwaas iemand voor ligtgelovig uit te kryten, alleenlyk, om dat hy zyn zegel hangt aen 't een of 't ander gevoelen van den gemenen man; Tuinman I, 43; Halma, 804: Zijn zegel aan iets hangen of steeken, iets goedkeuren; V. Janus III, 50: Stond hij er over in twijfel, of hij er zijn zegel aan wilde hangen; III, 268: Eene diepe, maar beämende stilte hechtte het zegel aan het voorstel van den President; Harreb. II, 496 b; afrik. die seël op (aan) iets druk (sit, heg); Ndl. Wdb. V, 2086; VI, 239; VIII, 1432 (zijn zegel leggen op); eng. to set one's seal to (or to put the seal upon) a thing; fri. it segel der op sette.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut