Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zeep - (reinigingsmiddel)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zeep* [reinigingsmiddel] {se(i)pe, seep 1288} middelnederduits sepe, oudhoogduits seifa, seifar [schuim], oudengels sāpe, sap [hars], oudijslands sāpa; de lat. vorm sapo is ontleend aan het germ. De uitdrukking om zeep gaan [sterven] betekende aanvankelijk ‘weggaan voor een boodschap, zeep halen’, dan dit als excuus gebruiken om weg te gaan, ten slotte ‘verdwijnen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zeep znw. v., mnl. sêpe v., mnd. sēpe ‘zeep’, ohd. seifa (nhd. seife), seipfa (zwab. zwits. seipfe) v. ‘zeep, hars’, oe. sāp v. ‘barnsteen, pommade’, sāpe v. ‘zeep’ (ne. soap), on. sāpa ‘zeep’ (maar oern. *saipion blijkens fins saippio naast saip(p)ua).

Het woord betekende ook ‘hars’, dus een ‘druppelend vocht’. Waarschijnlijk werd in de germ. tijd met *saipō een bijtende stof aangeduid, die diende om de haren roodachtig te kleuren, zoals dat door Plinius Hist. nat. 28, 191 van de Galliërs, (eigenlijk van de Germanen?) bericht wordt; dit had wellicht oorspr. een religieus doel, vgl. het roodverven van Civilis’ haren (Tacitus Hist. 4, 61). — Men kan dit woord verbinden met de groep van sijpelen (IEW 894). — Voor de opvallende klank van on. sāpa, die niet uit het oe. behoeft te zijn ontleend, vgl. AEW 462-3. — Ontlening uit lat. sapo is onaannemelijk; het zal eerder uit het germ. zijn overgenomen. Voor de germ. a vermoedt V. Pisani, Die Sprache 1, 1949, 141 herkomst uit de (inguaeoonse) kusttaal.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zeep znw., mnl. sêpe v. = ohd. seifa (nhd. seife), seipfa (nog zwa. zwits. seipfe) v. “zeep, hars”, mnd. sêpe v. “zeep”, ags. sâp v. “barnsteen, pommade”, sâpe v. “zeep” (eng. soap), germ. *saipô(n)-, *saipiô(n)-. Uit het Germ. finsch saippio “zeep”. De overgeleverde bett., die op een grondbet. “het druipende” kunnen teruggaan, maken verwantschap met sijpelen wsch.: vloeibare waschmiddelen zijn ouder dan wat wij onder “zeep” verstaan. ’t Is moeilijk lat. sâpo “zeep” (> fr. savon) van germ. *saipô(n)- te scheiden. Het is eer een germ. woord dan een kelt. niettegenstaande Plinius Hist. natur. 28, 191: Prodest et sapo, Gallorum hoc inventum rutilandis capillis. fit ex sebo et cinere..... duobus modis, spissus ac liquidus, uterque apud Germanos majore in usu viris quam feminis. Eer is sâpo een vervormde ontl. uit germ. *saipô(n)- dan dat ’t op een al of niet hiermee hoogerop verwanten vorm met germ. of wgerm. â teruggaat.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zeep v., Mnl. sepe + Ohd. seifa (Mhd. seife, Nhd. id.), Ags. sápe (Eng. soap) + Lat. sebum = vet. Het behoort tot denz. wortel (st. gr.) als zijpen (z.d.w). Uit het Germ. Finn. saippio en over het Gallisch, Lat. sapo. Zw. såpa uit Ags. en De. sæbe uit Ndd. — In om zeep zijn wordt gezinspeeld op de gevaarlijke reis naar de Middell. Zee om Marseillesche zeep; cf. om peper zijn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zeip (zn.) zeep; Vreugmiddelnederlands seipe <1288>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

seep: preparaat uit vetsure en bytpotas om mee te was; Ndl. zeep (Mnl. sepe), Hd. seife, Eng. soap – Lat. sapo, “seep”, is wsk. aan Germ. ontln.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Zeep (Om) gaan, sterven, eig. om een boodschap gaan, of een voorwendsel gebruiken om weg te gaan, er tusschen uit gaan; zoo zeide men vroeger ook: om mosterd gaan, om raapzaad gaan. Hieruit ontstond weder de causatieve uitdrukking iemand om zeep brengen of helpen, door contaminatie met andere uitdrukkingen met brengen en derg.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zeep ‘reinigingsmiddel’ -> Deens sæbe ‘reinigingsmiddel’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors såpe ‘reinigingsmiddel’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests seep ‘reinigingsmiddel’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect zep, zieppe ‘reinigingsmiddel’; Noord-Sotho sesepe ‘reinigingsmiddel’ ; Tswana sesepa ‘reinigingsmiddel’ ; Xhosa sepha ‘reinigingsmiddel’ ; Zoeloe sipho ‘reinigingsmiddel’ (uit Nederlands of Engels); Zuid-Sotho sesepa ‘reinigingsmiddel’ ; Negerhollands seife ‘reinigingsmiddel’; Berbice-Nederlands sepu ‘reinigingsmiddel’; Skepi-Nederlands sepu ‘reinigingsmiddel’; Sranantongo sopo ‘reinigingsmiddel’ (uit Nederlands of Engels); Saramakkaans sópu ‘reinigingsmiddel’ ; Akawaio en Arekuna seepoo, sawana ‘reinigingsmiddel’ ; Arowaks sêpo ‘reinigingsmiddel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zeep* reinigingsmiddel 1288 [CG I2, 1337]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1621. Iemand (een gat of een rietje) door den neus boren,

d.w.z. bedriegen, afzetten; oorspr. gezegd van een dier, dat een ring door den neus krijgt; en vandaar in het algemeen iemand pijnlijk aandoen, hem te pakken hebben, beetnemenVgl. voor dezen overgang o.a. Claes, 293: Iemand scheren zonder zeep, hem listig, heimelijk bedriegen; en verder no. 980., bedriegen (in dezen zin in de 17de eeuw ook iemand boren), snijden, afzetten; thans ook iemand iets (geld, loon) onthouden, waarop hij recht heeft. De uitdr. komt sedert de 17de eeuw voor. Vgl. Winschooten, 4: Iemand met een Avegaar door de neus booren: iemand groovelijk bedriegen; Cats II, 171 b: Sy boord' hem door den neus, hoe seer hy was geslepenAangehaald in Ndl. Wdb. III, 543.; Westerbaen II, 268; W.v. Geck, 81; Tengnagel, Frick, 8: De luy zijn langer soo sot niet, dat s'er neus met ien avegaer laten deur-boren; Pluckvogel, 227: Sy heeft hem met een korte reden lustig door den neus geboort; K.U.E. 46; Kluchtspel III, 266: Zy zullen Anselmus met zijn weeten geen gat door de neus booren; Sewel, 520: Iemand iets door de neus booren, to cheat one of a thing; Halma, 86; Handelsblad, 29 Maart 1918 (O), p. 5 k. 5: Dat was een geleerde snuiter; die zou je geen rietje door z'n neus boren. Hiernaast iemand iets door den of uit den neus boren, iemand iets ontfutselen (Winschooten, 32); V. Avant. 277: Onze keukenmeid is mij daar door voorgekomen om my dat voordeeltje uit de neus te boren; Halma, 380: Iemand iets door den neus booren of ontfutzelen; Gallée, 6: iemand iets ût den nöze boren, door list doen verliezen; in de Hollandsche volkstaal: dat is je door je neus geboord, dat is je ontgaan (Ndl. Wdb. III, 544; Jord. II, 392); Nav. XVII, 150: iemand iets in den neus boren; Het Volk, 3 Oct. 1913, p. 5 kol. 1: Achttien vakantiedagen worden hem door den neus geboord. 't Is schande; Dsch. 160: As mijn baas mijn 'n gulde door de neus ken hale, dan doet-ie 't; Landl. 178: En dan de premie, die hun in deze armzalige tijden door den neus was geboord; J. Feith, Uit Piet's Vlegeljaren bl. 194: Die Braks had hem den laatsten dans met Hetty door den neus geboord, en dat kon hij hem niet zoo makkelijk vergeven3de druk, Amsterdam, Scheltens en Giltay.; Nw. School, II, 259: De taalkundige man met de schraperigheid van een vrek er steeds op lettende of hem bij zijn lidwoord geen ‘ennetje’ door den neus geboord werd; Handelsblad, 27 Mei 1917, p. 7 k. 1 (O); Haagsche Post, 2 Febr. 1918, p. 131, k. 3; enz. In West-Friesland beteekent iemand door den neus boren, iemand een geheim ontlokken (De Vries, 85; vgl. fr. tirer les vers du nez à qqn.?). Ook in Zuid-Nederland kent men 't Is deur den neus geboord of 't verken is deur den neus geboord, doch in den zin van: het is te voren heimelijk beraamd of beslist (Antw. Idiot. 853; Schuermans, 407; Claes, 159); deur den neus of de neuze (geboord) zijn, een beetje dronken zijn (Waasch Idiot. 457; De Bo, 738; Antw. Idiot. 853), syn. van 'nen steek deur den neus hebben (vgl. fr. se piquer le nez, zich bedrinken), waarvoor wij zeggen een snee in den neus hebbenNederland (Aug) 1914, p. 380: Maar vroeger dronk-i nog al 'n glaasje - en dan kwam-i nog al 's met 'n klein sneedje in z'n neus thuis. of een scheet in den neus hebben (zie Ndl. Wdb. XIV, 350), syn. van een snip in 't oor hebben (Molema, 564). Bij Rutten, 153 wordt hij is (wel drijmaal) door den neus geboord opgegeven in den zin van: hij is zeer slim. Ook het Engelsch kende to bore through the nose, afzetten, in den nek zienTaal en Letteren XIV, 469..

2630. Om zeep gaan (of raken),

d.i. doodgaan, om chajes (hebr. chajoes, levenZie Voorzanger en Polak, 130: gajut, toestand van leven, levenslust.) gaan (Köster Henke, 18); mortje gaan (Jord. 48); ook: in zwijm vallen, den wind kwijt raken (in N. Taalgids XII, 149), in katzwijm vallenHiermede wordt bedoeld de kortstondige bezwijming, of liever een stuip, van een kat. Sedert de 17de eeuw is de uitdr. bekend. Zie o.a. Winschooten, 307; Doedijns, Merc. I. 445; Van Effen, Spect. I. 119; Esopet, Napelsche Hengst, 8; Boere-Pinxstervreugt, Rotterdam, 1733, bl. 18: Hy viel van angst en schrik en 't schreinen van den kogel in katzwijm op zyn' rug; Sewel, 381; Halma, 257; Het Volk, 20 Aug. 1915 p. 5 k. 4: De gansche pers van Rechts ligt in katzwijm over dit vreeselyk geval. - In zeemanstaal beteekent deze uitdr. windstilte hebben, het slap neerhangen der zeilen; stuurloos zijn (Ndl. Wdb. VII, 1883).. De uitdrukking wil eig. zeggen: uitgaan om zeep te halen, eene boodschap te doen, daarna: dit voorwenden om weg te kunnen gaan, en vervolgens weggaan, verdwijnen, stervenZie no 1810; 1833; vgl. Taal- en Letterbode I, 48. Op dezelfde wijze zijn ook verschillende uitdrukkingen te verklaren, die beteekenen een middagdutje doen, een uiltje knappen (zie no. 2306). Zoo geeft men te Zutphen voor naar Gorssel te gaan, te Harlingen naar Piaam, te Woudsend naar Balk, te Drachten naar Bakkeveen (Harreb. II, XXVI), te Breda naar Oosterhout, in de Zaanstreek naar Wormer, te Amsterdam naar Buiksloot, naar Kadoelen, naar Landsmeer of over 't IJ; te Vollenhove naar Meppel (Harreb. II, LII); te Corinchem naar Heusden (Harreb. II, XXX); te Appingadam: nao Zuudbrouk (Driem. Bl. IX, 106); enz. Zie Noord en Zuid XIX, 167 en Schrijnen, Volksk. II, 127.. Sedert de 17de eeuw is zij algemeen in Noord- en Zuid-Nederland bekend. Vgl. Huygens IV, 43:

 Als Tryn uyt snoepen gaet, soo seidt sy dat's om seep gaet,
 En datmen wasschen moet; maer Jan, die voor de sweep gaet,
 En siet syn schoone geld verdwijnen en vergaen,
 Wel, seidt hij, dit's wat vreemds, dus staegh om seep te gaen.
 Maer emmers, moet het zyn, en moet ick door den reep,
 Wat schaedde 'twijf? maer all mijn goedjen gaet om seep.

Rusting, 323:

 Kees ging om Zeep, en brak den hals, was dat niet leep?
 Men vroeg waar Kees was? en zyn moer zei, hy 's om zeep.

Focquenb. Klucht v.d. Weyery, 1ste bedr.: Toen quamse de strop los maecken, en seyde 't is nouw genoegh Vaer, je raeckten aers light om siep. Op dezelfde wijze gebruikt men ook om mosterd gaanWesterbaen II, 28; 549: Het singht'er of op straet al wat bij avond-ty om zeep of mostert gaet., eig. mostaard gaan halen, doch daarna in de algemeene beteekenis van eene boodschap gaan doen, uitgaan; iemand om mosterd zenden, iemand wegzenden, met een mooi praatje de deur uit krijgen (Paffenr. 99); om uien trekken, met de noorderzon vertrekken, bankroet gaan; iemand om raapzaad zenden en om raapzaad zijn, varen, dood zijn of gaan. Thans kennen wij nog om een luchtje gaan of zijn (no. 1442), dat te vergelijken is met iemand om een luchtje of een wandelingetje zenden, iemand wegzenden, wegjagen (V. Janus, 178); dial. is ook bekend om kroosjes, -ies (kleine pruimen) gaanLaurillard, Sprokkelhout, 228; Opprel, 68 a.; om kool gaan, om kool te koop zijn (zie Nav. XXIII, 621); elders üm küyer gaon, uitgaan om te kuieren, sterven (Gallée, 24 b); in Friesland naast om sjippe gean ook nei Gichem om nije nuten geanFri. Wdb. I, 456 a.; in Zuid-Nederland: wiss(ch)en snijden gaan ('t Daghet XII, 159; Rutten, 279 b); reepen snijden (Antw. Idiot. 1019). Zie verder Tijdschrift XV, 122-127; Nkr. II, 29 Nov. p. 3; VI, 25 Mei p. 4; Het Volk, 15 April 1914 p. 1 k. 1: Het Grieksche treurspel, waarin de hoofdpersonen om zeep gaan; Handelsblad, 17 Maart 1914 p. 6 k. 6 (avondbl.): Anderen, die meenen dat indien zij niet blijven door manifesteeren heel hun arbeid om zeep is; Prikk. II, 59; Amstelv. 56; De Bo, 336; 1422: Om zeepe gaan, -loopen ten onderen gaan, vergaan, te kwiste gaan, gezegd van personen en zaken; Rutten, 284 b: om zeep, arm; om zeep gaan, achteruit gaan; Antw. Idiot 1473; Waasch Idiot. 756: om zeep gaan of zijn, ten onder gaan, ten onder zijn, vergaan, sterven. Hiernaast iemand om zeep brengen of helpen, iemand dooden; vgl. o.a. Schoolm., 25: Wij moeten hier handelen als mannen of wij worden om zeep gebracht; Handelsblad, 21 April 1915 (avondbl.) p. 1 k. 4: Hier deze mannen om mij heb ik om zeep gebracht; Handelsblad, 3 Maart 1914 (avondbl.) p. 5 k. 1: De Duitsche Rijksdag heeft verleden week zelfmoord gepleegd. Hij heeft zich om zeep gebracht; De Arbeid, 29 Aug. 1914 p. 2 k. 1: Alle constitutioneele rechten en alle democratie worden in weinige uren om zeep gebracht; Slop, 159: Als je er eentje om zeep brengt; Handelsblad, 12 Juni 1921 (O.) p. 2 k. 4: De tyran wordt op het juiste oogenblik door een sluipmoordenaar met een edel gezicht om zeep geholpen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal