Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zeel - (dik touw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zeel zn. (BN) ‘dik touw’
Mnl. seel ‘touw, band, gordel’ [1240; Bern.], in een harijn zeel ‘een koord (gemaakt) van haar’ [1300-25; MNW-R], seel Ende veteren Daer si die gene met souden binden Die ... ‘touw en ketenen, waarmee ze degenen zouden vastbinden die ...’ [1315-35; MNW-R].
Os. sēl (mnd. sēl); ohd. seil (nhd. Seil, in het Nederlands bekend vanwege het leenwoord abseilen ‘m.b.v. een touw zelfstandig afdalen van steile wanden’); ofri. sēl (nfri. seel); oe. sāl; on. seil; alle ‘touw, koord, band e.d.’, < pgm. *saila-. Hierbij ook de afleiding got. insailjan ‘aan touwen binden’. Met andere ablaut on. seli, sili ‘tuig, draagriem’ (nde. sele ‘bretels; tuigje’) < pgm. *silan-.
Verwant met: Lets saiklis ‘koord, band’; Oudkerkslavisch silo ‘touw, koord’ (Pools sidło ‘strik, strop’); < pie. *s(H)ei-dhlo-, *s(H)oi-dhlo-, afleiding van de wortel *sh2ei- ‘(vast)binden’ (LIV 544), zie → snoer.
In NN verouderd; zie ook de oude samenstelling → leidsel. Gewestelijk bestaat nog de uitdrukking aan hetzelfde zeel trekken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zeel* [draagriem] {seel, seil, zeel 1201-1250} oudsaksisch, oudfries sēl, oudhoogduits, oudnoors seil, oudengels sāl, gotisch insailjan [met touwen binden]; buiten het germ. latijn saeta [borstelig haar], grieks himas < ∗simas [riem], litouws atsailė [verbindingsstang], litouws sieti [binden], oudkerkslavisch silo [zeel], oudindisch setu- [band]; verwant met zenuw.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zeel znw. o., mnl. seel o. ‘touw’, os. sēl o., ohd. nhd. seil ofri. sēl, oe. sāl m. v., on. seil v., vgl. got. insailjan ‘aan touwen binden’. — osl. silo (<*sidhlo) ‘touw, strik’, lit. āt-sailė ‘verbindingsstang tussen twee trekdieren’ van de idg. wt. *sei ‘binden’, vgl. oi. syáti, sináti, sinōti ‘bindt’, lett. sìet ‘binden’, hett. isḫii̯a, isḫai ‘binden’. (IEW 891-2) — Zie ook: sim en zenuw.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zeel znw. o., mnl. seel o. “touw”. = ohd. (nhd.) seil, os. sêl o., ofri. sêl (in wind-sêl, o.?), ags. sâl m. (v.), on. seil v. “id.”, got. alleen het ww. in-sailjan “aan touwen binden”. Met ablaut ohd. silo m. (nhd. siele v.), mnd. sēle v., ofri. sil- (in sil-râp m. “riem aan ’t paardentuig”), on. sili, seli m. “riem, trekriem, riemwerk”. Van de basis si- “binden”, waarvan nog met l-formans obg. silo “strik, touw”, lit. àt-sailė “soort verbindingsstang aan den wagen”, alb. gʹałmɛ (of gʹaľmɛ?) “touw”. Direct van de basis: lett. sënu, sët “binden”, lit. sijà “brugbalk”, oi. syáti, sinā́ti, sinóti “hij bindt”. Zie verder bij sim en zenuw en vgl. nog met idg. t-formans ohd. seito m., seita v. “touw, strik, boei, snaar” (nhd. saite), seid o. “strik”, mnd. mnl. seide v. “snaar”, ags. sâda m. “strik”, lat. saeta “dierenhaar”, obg. sětĭ “strik”, lit. saitas “touw”, oi. sétu- “bindend, band, boei, brug”; met n-formans ier. sîn “ketting”, lett. pa-sainis “snoer”; wellicht ook hierbij oi. sénâ- “leger”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zeel. Alb. g'almɛ ‘touw’ moet met enige twijfel in dit verband worden genoemd: Petersson Etym. Misz. 13 vlgg.; *Vasmer Stud. z. alb. Wortf. I, 36.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zeel o., Mnl. seel, Os. sêl + Ohd. seil (Mhd. en Nhd. id.), Ags. sál, Ofri. sél, On. seil, met abl. seli (Zw., De. sele), Go. werkw. in-sail-jan: Germ. wrt. = binden + Skr. setus = band, Gr. himás = riem, Osl. silo = zeel, Lett. sinu = binden: Idg. wrt. sei̯. Hierbij sim 2, zenuw en Hgd. saite = snaar.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1seel s.nw. (minder gebruiklik)
Breë band van seildoek, tou of leer.
Uit Ndl. zeel (1515).

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1406. Eéne (of dezelfde) lijn trekken,

d.w.z. het samen ééns zijn; vgl. Hooft, Ned. Hist. 221, die lyntrekkery bezigt in den zin van partijschapVgl. het 16de-eeuwsche en ook latere zijn strenge trekken, partij kiezen, voor zijn gevoelen uitkomen; iemands streng trekken, zijne partij kiezen (Pers, 636 b); Harreb. II, 313. Vgl. Vondel, Harpoen, 122.. De uitdr. kan ontleend zijn aan het bedrijf van den schipper en wil dan eig. zeggen: samen hetzelfde schip voorttrekken, hetzelfde doel beoogen; zie Winschooten, 140; De Brune, Emblemata, 40 en Sewel, 469: In 't lyntje loopen, to draw a boat with a line. Sedert de middeleeuwen is de uitdr. bekend; zij komt o.a. voor in de N. Doct. 271: Dese twee trecken al éne line; ook vindt men haar bij Campen, 102: sy trekken al eene lijnde, dat aldaar wordt opgegeven als synoniem van: sy pissen (of cacken) al tsaemen in eenen pot; sy steken thoeft al in eenen koevel; sy huylen al mit malcanderen; zie ook Coornhert, Liedekens, XXV, str. 1: Want Venus en de Wijn hier trecken eenen lyn; Servilius, 47*: Si trecken al een zeel (mnl. één seel trecken); Tijdschrift XXI, 89: Een lyni trekken; Sart. IV, 51: Pariter remum ducere, eene lijn trecken; III, 4, 55: Sy trocken een lijn maer elck op een eyndt (vgl. Tuinman I, 180); Hooft, Ned. Hist. 116; Vondel, Adam in Ball. 637: Zy trecken eene lijn: wat d'een begeert wil d'ander; Anna Bijns, N. Refr. 23; Refr. 32; Van Lummel, 109; Asselijn, Jan Kl. vs. 127: Een linie trekken; Sewel, 469; Jong. 273; enz. Andere synonieme uitdrukkingen waren: met iemand een jock trecken (Anna Bijns, Refr. 323); met iemand aan eenen staeck springen (Marnix, Byenc. 6 v); over eenen stock water draegen (Marnix, Byenc. 4 v); samen in een gat blazen (Harreb. I, 205); vgl. Borchardt, 234: se blosen än i loch en in jemandes Horn blasen; onder één hoedje spelen; handjeplak spelen (in De Arbeid, 28 Febr. 1914, p. 4 k. 1; 22 Aug. 1914, p. 2 k. 2; 29 Aug. 1914, p. 2 k. 1); enz.; in Zuid-Nederland zijn verder bekend: aan één koord trekken (Tuerlinckx, 339); op éen fluit spelen (Tuerlinckx, 190 en Rutten, 68 a); aan ééne streng trekken (Schuerm. 690; Waasch Idiot. 635 a; hd. an einem Strange ziehen); ééne zeel of ééne koord trekken (Schuerm. 740 en vgl. Antw. Idiot. 1472; Joos, 80; 106); aan hetzelfde zeel trekken, eendrachtig handelen; éen zeel spannen, samenspannen (Waasch Idiot. 756). In het Friesch: hja lûke mei in-oar (oan) ien line; eng. to pull together.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut