Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zavel - (grondsoort)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

zavel zn. ‘zand, zandige grondsoort’
Oudnederlands Sauelberga ‘Zavelberg’ (1198), Middelnederlands Thomas de Zavle (Calais, 1282), savel m. ‘zand’ (1324), saveligh ‘zandig’ (1464), Savel ‘plein’ (1450–1470; waarschijnlijk als vertaling van Frans Sablon in dezelfde functie). Nieuwnl. sauel ‘zandige grond’ (1502), ‘grof zand’ (1552), zavel (1602); van de samenstelling sauelkuyl ‘zandgroeve’ (1562). Met -r zaverig ‘zandig’ (ca. 1670), zaver ‘zavel’ (1719). Gewoonlijk mannelijk in het Zuidnederlands, als stofnaam onzijdig in de standaardtaal. Verwante vormen: Moezelfrankisch sāwel.
Het woord komt voor in het Zuidnederlands en in Middenduitse dialecten die direct aan het Frans grenzen. Ontleend aan een Vroegnoordfranse vorm *savlu die zich uit Latijn sabulum ‘zand’ had ontwikkeld, waaruit ook Frans sable ‘zand’ en diens afleiding sablon ‘fijn zand’ stammen. Terwijl in de Franse standaardtaal de Latijnse b in deze woorden bewaard werd, vertonen de noordelijke dialecten, zoals die van Pikardië, Henegouwen, Luik en Lotharingen, een v in sav(e)lon ‘zand’ en saveler ‘met zand bestrooien’. Het tijdstip van ontlening ligt dus na de Noordfranse ontwikkeling b > v in deze woorden.
Gezien de Middeleeuwse toepassing van savel bij de bestrating en in de productie van cement ligt voor de hand om te denken dat deze specifieke technische toepassingen de culturele reden voor de ontlening vormden, waardoor tussen sant en savel gedifferentieerd kon worden.
Literatuur: Französisches Etymologisches Wörterbuch onder sabulum en sabulo; Dictionnaire Étymologique de l’Ancien Français onder sable2
[Gepubliceerd op 01-02-2018 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zavel [grondsoort] {savel, zavel 1345} < latijn sabulum [grof zand] (vgl. zand).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zavel znw. m. o. ‘grondsoort bestaande uit klei en zand’, mnl. savel m. ‘zand; plein’ gaat terug op lat. sabulum ‘zand’.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† zavel znw. o., zuidndl. m. (zand; zand met klei vermengd), mnl. sāvele m. (o.?) ‘zand’. Hoewel het woord niet uit de oudste mnl. teksten is opgetekend, is het eerder uit de rom. voortzetting van lat. sabulum dan uit fr. sable ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zavel o., Mnl. savel, gelijk Fr. sable, uit Lat. sabulum, d.i. *sambulum, *samdhulum en dus verwant met zand (voor Idg. dh = Lat. b: z. woord).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zavel grondsoort 1345 [MNW] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut