Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zaterdag - (zevende dag van de week)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zaterdag zn. ‘zevende dag van de week’
Mnl. saterdag ‘zaterdag, sabbath’ [1240; Bern.].
Vertaling van Latijn diēs Sāturnī ‘dag van Saturnus’, de laatste in het rijtje van namen voor de dagen van de week die in de Romeinse tijd werden ingevoerd, vernoemd naar de hemellichamen zon, maan en de vijf toen bekende planeten, die op hun beurt naar Romeinse godennamen waren genoemd. De eerste vier planeetnamen werden in het Germaans vervangen door Germaanse godennamen, maar omdat er geen equivalent bestond voor Saturnus, bleef diens naam in zaterdag bewaard.
Mnd. sater(s)dach; ofri. sāterdei (nfri. saterdei); oe. sæter(nes)dæg (ne. Saturday).
In tegenstelling tot de andere namen van de dagen van de week heeft zaterdag slechts een kleine verspreiding. In het Noord-Germaans heet de zaterdag letterlijk ‘baddag, wasdag’, zoals in Zweeds lördag, zie → loog. In het noorden en oosten van Duitsland spreekt men van Sonnabend, letterlijk ‘de vooravond van de zondag’, terwijl in het Hoogduitse taalgebied, inclusief Oostenrijk en Zwitserland, de vorm Samstag overheerst, waarvoor zie → sabbat. Gewestelijk komt in Duitsland ook de vorm Sater(s)tag voor.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zaterdag [laatste dag van de week] {saterdach 1254} < latijn dies Saturni [dag van Saturnus], vertalende ontlening aan grieks Kronou hèmera [de dag van Kronos]; Kronos werd door de Romeinen gelijkgesteld aan Saturnus.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zaterdag znw. m., mnl. saterdach m., mnd. sater(s)dach hebben â terwijl daartegenover staan owfri. saterdei, oe. sætern(es)dæg, sæter(es)dæg (ne. saturday), is een weergave van lat. Saturni dies, toen in de 3de eeuw de weeknamen in het Germ. grotendeels met inheemse equivalenten werden overgenomen. Het woord zaterdag reikt tot in het Rijnland en Westfalen en werd in het gebied van de Beneden-Rijn overgenomen, vanwaar het zich oostwaarts verspreidde tot in het gebied van Keulen toe (zie Frings-Nieszen IF 45, 1927, 292-293 met kaart).

In Duitsland staat daartegenover samstag, dat door de ariaanse missie naar Zuid-Duitsland kwam, vgl. ohd. sambaztag uit een got. *sambatō < vulg.-gr. sambaton (> roem. sambata, hong. szombat, osl. sǫbota) naast gr. sábbaton < hebr. šabbāth ‘wekelijkse rustdag’. — Daarnaast Kiliaen sonavond (Sax. Sicamb.), mnd. sunnāvent, ohd. sunnūnāband (nhd. md. sonnabend), oofri. sunna ēwend, fri. snjoen, sneaun, oe. sunnun-æfen, waarsch. door de angelsaksiche missie naar het continent overgebracht, is een verkorting van sunnundæg-æfen ‘de avond voorafgaande aan de Zondag’, dan uitgebreid op de hele dag. — Het on. heeft geheel nieuwe woorden gekozen: laugardagr, þvāttdagr ‘baddag’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zaterdag znw., mnl. saterdach (gh) m. In de saks. streken van ons land, die ā en â nog onderscheiden, en ook in Westfalen heeft ’t woord ǻ uit â. ’t Ags. heeft echter sætern(es)dæg, sæter(es)dæg m. (eng. saturday), evenzoo ’t Owfri. saterdei m. (nog fri., hoewel zeldzaam). De mnd. vorm was sâter(s)dach m. In welk deel van ’t nederfrank. gebied een â-vorm, in welk een ā-vorm is aan te nemen, is bezwaarlijk uit te maken. Misschien waren in den tijd der ontl. in een groot deel van ’t Nederfrank. ā en â al samengevallen. Voor den dubbelen vorm vgl. school I. Zaterdag is half ontleend half vertaald uit lat. Saturni dies (ă; in ’t oudere Lat. met â). Hiervan ook ier. dia sathairnn. Obg. sąbota, hong. szombat enz., benevens ohd. sambaʒtag (nhd. samstag, opperdu. en rijnsch) m., Teuth. sampsdach komen van gr. *sámbaton voor ’t oudere (oorspr. hebr.) sábbaton (voor de ontl. uit ’t Gr. vgl. kerk), terwijl it. sabbato, fr. samedi e.a. op mlat. sabbatum, sabbati dies teruggaan. Kil. sonavond (“Sax. Sicamb.”), Teuth. sonaevend = ohd. sunnûn-âband (nhd. sonnabend, md.), mnd. sunn-âvent m., oofri. sunna êwend m., fri. snjoen, sneaun, ags. sunnen-æ̂fen m. De on. namen van den Zaterdag zijn laugardagr, þvâttdagr m., eig. “baddag”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zaterdag. Waarschijnlijker dan van kerk (zie dat woord Suppl.) is de herkomst van hd. samstag uit de oostelijke, gotisch-christelijke wereld. Daarentegen zal het type hd. Sonnabend blijkens het voorkomen in het Md. en Fri. door de ags. zending zijn ingevoerd. Frings Germ. Rom. 26 vlg.
Zie nog bij sabbat Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

Zaterdag m., Mnl. saterdach + Ags. sæterndæg (Eng. saturday): aanpassing van Lat. Saturni dies (De naam van den god Saturnus, is een afleid. van satus, v.d. van serere = zaaien (z.d.w.) en = de zaaier). In Hgd. samstag en Fr. samedi is het eerste lid het Lat. sabbatum = sabbat; z. ook zondag.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

Saterdag s.nw.
Sewende dag van die week, maar tradisioneel en volgens internasionale afspraak in 1976 in Genève die sesde dag van die week.
Uit Ndl. zaterdag (Mnl. saterdag).
Ndl. zaterdag is 'n leenvertaling van Latyn dies Saturni 'dag van Saturnus' na aanleiding daarvan dat die planeet Saturnus op Saterdae, destyds die eerste dag van die week, sigbaar geword het vir die ou Romeine.
D. Samstag (9de eeu), Eng. Saturday (900).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zaterdag (vert. van Latijn dies Saturni)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

zaterdag. Van Dale ( (1) (3)e druk) kent voor het hedendaags Nederlands zaterdag als bastaardvloek in de uitroep wel zaterdag nog toe, is het nu uit! De vloek is synoniem van drommels en satans.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zaterdag ‘laatste dag van de week’ -> Mohegan-Pequot zotortar ‘laatste dag van de week’; Negerhollands saeterdag, saterdag ‘laatste dag van de week’; Sranantongo satra ‘laatste dag van de week’; Aucaans sataa ‘laatste dag van de week’; Arowaks satdakha, satradakha ‘laatste dag van de week’; Karaïbisch satra ‘laatste dag van de week’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zaterdag laatste dag van de week 1240 [VMNW] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut