Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zat - (vol; dronken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zat bn. ‘vol; dronken’
Onl. sat ‘verzadigd’ in of geuuisso ne uuerthint sada in murmulon sulun ‘als zij echter niet verzadigd worden, dan zullen zij morren’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. sat ‘verzadigd; genoeg hebbend van iets’ [1240; Bern.], in hi was van stride sat ‘hij had genoeg van het vechten’ [1285; VMNW], ook al ‘verzadigd van de alcohol’, oftewel ‘dronken’ in dranc ... soe. Dat hi was sad ende vro ‘(hij) dronk zoveel, dat hij er zat en vrolijk van werd’ [1285; VMNW], soms saet [1290-1310; MNW-P]. Vnnl. zat ook attributief in den ydelen, maer waen-zatten Menschen ‘... vol waanideeën ...’ [ca. 1570; iWNT waan I], hooghe verwe ... satte verwe ‘verzadigde (donkere) kleur’ [1599; Kil.].
De -d- in de Oudnederlandse vorm sada (nominatief meervoud) is klankwettig. Maar omdat het woord in het Middelnederlands overwegend predicatief werd gebruikt, in de vorm sat met verscherpte auslaut, behield het ook in het Nieuwnederlands de -t en ontstond later een nieuwe verbogen attributieve vorm zatte. Sporen van de oorspronkelijke verbuiging zijn de Middelnederlandse nevenspelling sad en nevenvorm saed/saet (met lange klinker naar analogie van de gerekte klinker in de verbogen vormen), en de afleiding → verzadigen.
Os. sad; ohd. sat (nhd. satt); nfri. sêd; oe. sæd (ne. sad ‘bedroefd’); on. saðr; got. saþs; alle oorspr. ‘verzadigd’, < pgm. *sada-.
Verwant met: Latijn sat(is) ‘genoeg’, satur ‘verzadigd’ (zie ook → satire); Grieks á-atos ‘onverzadigd’; Litouws sótus ‘verzadigd, vol’; Oudkerkslavisch syta (met onverwachte klinker) ‘verzadigd’ (Russisch sýtyj); Oudiers sáith ‘volle maat’; < pie. *sh2-to/ti- (Germaans, Latijn), *seh2-to-. Afleiding van de wortel pie. *seh2- ‘verzadigen’ (IEW 876), waarbij verder nog horen: Grieks hádēn ‘genoeg’; Armeens at-ok ‘volgroeid’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zat* [verzadigd] {oudnederlands sad 901-1000, middelnederlands sat, zat} oudsaksisch sad, oudhoogduits sat, oudengels sæd (engels sad [vermoeid, droevig]), oudnoors saðr, gotisch saþs [verzadigd]; buiten het germ. latijn satur [verzadigd], satis, sat [genoeg], grieks a(a)tos < ∗asatos [onverzadelijk] (van ontkennend a + (s)atos waarin vóór de tweede a de s wegviel) en oudiers sáith [verzadiging], litouws sotus, oudindisch asinvan- [onverzadigbaar].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zat bnw., mnl. sat ‘verzadigd’, met verscherpte uitgang in onverbogen vorm, vgl. onfrank. sad, os. sad, ohd. sat (nhd. satt), oe. sæd (ne. sad ‘bedroefd’), on. saðr, got. saþs ‘verzadigd’. — lat. satur ‘zat’, sat, satis ‘genoeg’, gr. hádēn ‘genoeg’, oi. asinva- ‘onverzadigbaar’, lit. sōtùs ‘verzadigend’, oiers sāithech ‘verzadigd’, sāith ‘verzadiging’ (IEW 876). De idg. wt. is *sā: vgl. gr. áetai ‘verzadigt zich’, á-atos ‘onverzadigbaar’.

Hochstufe van het woord in got. sōþ o. of sōþs m. ‘verzadiging’ en het ww. gasōþjan — oe. gesēdan ‘verzadigen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zat bnw., mnl. sat “verzadigd”. Doordat dit bnw. bijna uitsluitend predicatief in den onverbogen vorm sat voorkwam, voelde men hierin den stam (oorspr. *saða-), vandaar de verbogen vorm zatte(n) (vgl. kruit); met d nog verzaden, verzadigen. Zat = onfr. sad, ohd. sat (nhd. satt), os. sad, ags. sæd (eng. sad “bedroefd”), on. saðr, got. saþs “verzadigd”. Verwant met ier. sathech “id.”, lat. satis “genoeg”, oorspr. nomin. enk. van *sati-s “verzadiging”, satur “verzadigd”, gr. á-atos “onverzadiglijk”. Evenals de langvocalische vormen got. soþs m. (?, soþ o.?) “verzadiging”, waarbij ga-soþjan, ags. ge-sêdan “verzadigen”, ier. sâith “verzadiging”, lit. sotùs “verzadigd”, sótis “verzadiging” afll. met idg. t-formantia van de basis sâ-, sǝ-, waarvan ook gr. * āmenai “verzadigen”, hádēn “toereikend, genoeg”, oi. a-si-nvá- “onverzadelijk”. Germ. *saða- is een regelmatig deelw. = gr. (á-)atos, idg. *sǝ-tó-. Obg. sytŭ “verzadigd” is òf uit idg. *sâ-tu-, *sâ-to- vervormd (’t heeft bezwaarlijk idg. û, ablautend met â(u)) òf ’t is ontleend: ontl. uit ’t Balt. is echter weinig wsch. en een germ. bnw. *sôþa-, waaruit ontl. desnoods mogelijk zou zijn, is onbekend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zat bijv., met t voor d uit *zad, Mnl. sat, Onfra., Os. sad + Ohd. sat (Mhd. id., Nhd. satt), Ags. sæd (Eng. sad = verzadigd, vermoeid, droevig), On. sađr, Go. saþs: een particip. afleid. van Germ. wrt. sa + Gr. á-atos (= onverzadelijk), Lat. satis (= genoeg), Oier. sathech ( = zat), Lit. sotus (= verzadigd): Idg. wrt. sa.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zaat (bn.) dronken; Vreugmiddelnederlands sat <1285>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

sat b.nw.
1. Versadig. 2. Moeg vir iets of iemand.
Uit Ndl. zat (Mnl. sat). Ndl. zat uit Oudnederlands sad (901 - 1000).
D. satt. Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1970).

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Zat, verzadigd, ook in ‘’t bijzonder dronken, had vroeger een d op ’t eind, wat nog blijkt uit de verwanten verzaden en verzadigen; mnl. zat (fonetisch voor sad), go. saths, gen. sadis, lat. sat in satis en satur (verg. vader, fadar, pater). Men hoorde vroeger en nu dialectisch ook nog den vorm zadder, waar de korte klinker, en de zachte dentaal voorkomen. De verscherping had plaats, omdat het woord meest predicatief gebruikt werd. Het woord komt nu eigenlijk alleen nog voor in hoogeren, philosophischen stijl: zat van wereldsche genietingen enz. of in gemeenzame uitdrukkingen: ik ben die redeneeringen zat, die kerel is zat. In verbogen vorm: een zatte kerel. Samenstelling: zatlap.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zat (eig. zad, vgl. verzadigd), afl. van den Idg. wt. sa = genoeg geven. Vgl. Lat. sat in sapienti sat! = voor den wijze genoeg (een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg; „a bon entendeur demi mot suffit”). Vgl. ’t Mnl.: „Mochtijs iet, ie souts u saden” = Lust gij iets (er is sprake van honig), ik zou u er mee verzadigen kunnen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zat* verzadigd van eten of drinken 0901-1000 [WPs]

zat* dronken 1546 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut