Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zanglijster - (merelachtige vogel)

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Zanglijster Turdus philomelos C L Brehm 1831. Op de Merel na de algemeenst voorkomende Lijstersoort in de Lage Landen. D Singdrossel; E Song Thrush; friese volksnaam Sjonglyster. Al deze namen geven aan dat hij speciaal om zijn uitbundige zang gewaardeerd werd/wordt. Houttuyn 1763 en B&O 1822 noemen deze soort Zing-Lyster, resp. “De Zinglijster”. Het staat bij Houttuyn bij Turdus musicus, de 4e Lijster van Linnaeus. Schlegel 1828 geeft de naam van het lemma (p.217) en Schlegel 1852 geeft ZANG- LIJSTER (vet).
ETYMOLOGIE N zang (Ge)Sang sanc sang; E song song, sang; ijslands söngur, zweeds sång, noors/deens sang söngr ‘gezang, muziek; godsdienstoefening’; gotisch saggws. Genoemde woorden horen bij het ww. zingen (zie sub Zinglijster). Mnl sanc kon al betrekking hebben op vogelzang (bijv. van de Koekoek). Voor lijster ↑.

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

ZANGLIJSTERTurdus philomelos
Duits Singdrossel
Engels Song Thrush
Frans Grive musicienne
Fries Bûnte Lyster
Betekenis wetenschappelijke naam: philomelos = liefhebber van de zang. Een vogel die zo mooi zingt als een Nachtegaal (zie aldaar Philomela). Zijn heldere gevarieerde zang leende zich tot allerlei nabootsingen, zoals “Frederiek, Frederiek, Pietje”; “papierr, papierr” of “kiss me, kiss me, do-it-quick, do-it-quick!”. Verder is zijn zanglust uitgedrukt in de namen Sanglyster (SFr), Sjonglyster (Fr), Zingliester (Lb), Zangmerel, Franse Zanglijster (Goe) en Oostelijke Zanglijster, waarvan de laatste namen aangeven uit welke streken de vogel ons land binnenkomt. Men onderscheidt de ondersoort T.ph. clarkei (of: ericetorum), de z.g. Britse vorm, die broedvogel in ons land is en die ook als Rosse Zanglijster te boek werd gesteld, en de T.ph. philomelos, de z.g. continentale of oostelijke vorm, ook Grauwe Zanglijster geheten, een wintergast en doortrekker. Ze verschillen van elkaar door hun rugkleur, die olijfkleurig-rossig respectievelijk olijfkleurig-grijs is. De roep, die onder meer als alarm wordt geuit, bezorgde hem de namen Sjakker(t) (Ens) en Titser (Vla). Met Bûnte Klyster (Fr) of ‘bonte schetteraar’ wordt ook op de verscheidenheid van z’n kleuren gewezen, net als in de Friese naam en in Bonte Liesting (Dr). De namen Geelvleugeltie(n) (Dr), Gele Liester (Dr) en Ketellapper (Tex) dankt hij aan z’n enigszins kopergele borst en flanken. De naam Ketellapper is overigens meer gebruikelijk voor de Koperwiek. Buiten het broedseizoen vallen die kleuren niet zo op en wordt hij gezien als Grauwe Lijster (Eem, Haa, Kat), Grauwtje (Haa), Grauklyster (Ste), Grouwe Gieteling (Gr) – waarvan Gieteling als ‘melodische zanger’ kan worden omschreven –, Grijze Lijster (ZH) en Skiere Lyster (Fr). In Slijkmerel (Lb) wordt de modder bedoeld, die als materiaal voor nestbouw dient. Misschien doelt de naam Vermolmthouter (Goe) eveneens op nestmateriaal, n.l. houtmolm. Ook kan hiermee z’n uiterlijk zijn beschreven, dat op de grond tussen dorre bladeren nauwelijks opvalt. In Enkele Lijster (Vla), Fiene Liester (Ens), Klein Lijsterke, Kleine Grauwe Lijster, Liestertje (Tex) en Luttje Grieze Liester (Gr) wordt gewezen op het verschil in afmeting ten opzichte van de Kramsvogel en de Grote Lijster. De Zanglijster wordt ook wel kort Lijster, Liester, Lisjter (MLb) of Lyster ge noemd. Namen als Oostlijster (Lb), Oastlyster (ZWF) en Oastmantsje (Fr) dateren uit de tijd dat de lijstervangst floreerde en de grootste vangsten bij oostenwind in het najaar werden gedaan. Toen kon een boer soms zoveel lijsters strikken dat hij van de opbrengst een koe kon kopen. Ook de naam Inlander (Dr) zou door vogelvangers zijn bedacht en erop kunnen duiden dat het om een inheemse broedvogel gaat. De Zanglijster trekt niet altijd in groepen of koppels. Wanneer hij alleen komt spreekt men van een Ainspanjer (Gr), dat is ‘één van een paardenspan’ of een vrijgezel. Barkemeier (Twe) betekent ‘berkentak’, met welke naam men misschien wilde zeggen dat de vogel in een berk zit te zingen of dat er overeenkomst bestaat tussen de onderzijde van de vogel en een berk in kleur en tekening. Van oorsprong is een barkemeier een beker die uit een dikke berkentak werd vervaardigd.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut