Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zand - (steenstof)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zand zn. ‘steenstof’
Onl. sant ‘zand, zandig gebied’ in plaatsnamen als Boltreshanda ‘Bouterzande (verdronken plaats in Zeeland)’ [988-94, kopie ca. 1035; ONW], in Sandewihc ‘in Zandwijk (Gelderland)’ [893, kopie 1222; ONW], Santfort ‘Zandvoorde (bij Ieper)’ [1102; ONW]; mnl. sand ‘zand’ [1240; Bern.], in Ende groeuene in dat zant ‘en begroef hem in het zand’ [1285; VMNW].
Os. sand (mnd. sant); ohd. sant (nhd. Sand); ofri. sond, sand (nfri. sân); oe. sand, sond (ne. sand); on. sandr (nzw. sand); < pgm. *sanda- ‘zand’. De vormen mhd. sambt, sampt ‘zand’ lijken te wijzen op een oorspr. vorm pgm. *sam(a)da-, waaruit *sanda- door assimilatie is ontstaan, maar gezien het verschil in leeftijd en spreiding van de verschillende vormen is het waarschijnlijker dat de mhd. vormen verbasteringen van het algemeen-Germaanse woord zijn.
Mogelijk in verband te brengen met de stam pgm. *sund- ‘uiteen, stuk’ in → zonder. De oorspronkelijke betekenis zou dan ‘wat kleingemaakt/verbrijzeld is’ kunnen zijn.
zandloper zn. ‘tijdmeter’. Vnnl. met 11/2 dozijn santlopers [1545; iWNT]. Samenstelling van zand en → loper. De tijdmeter bestaat uit een in het midden sterk ingesnoerde glazen buis waardoor zand naar beneden loopt binnen een bepaalde tijd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zand* [steenstof] {in de vroegere Gelderse plaatsnaam Sandewihc <893>, sant 1220} oudhoogduits sant, oudsaksisch sand, oudfries, oudengels sond, oudnoors sandr; buiten het germ. latijn sabulum [grof zand], saburra [zand (als ballast)]; er zijn vormen die wijzen op een oude anlautende ps-, vgl. grieks psammos [zand] naast ammos, van voor-gr. herkomst (vgl. zavel). De uitdrukking in het zand bijten [sneuvelen], middelnederlands int sant leggen [neervellen] stamt van het feit dat in de Middeleeuwen een grasveld waar een toernooi werd gehouden, met zand werd bedekt. De uitdrukking zand erover [laten we erover zwijgen] dateert uit de tijd dat men het papier waarop men schreef afvloeide met stofzand. Op het moment van het afvloeien was de tekst niet leesbaar.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zand znw. o., mnl. sant o. soms m. ‘zand, zandvlakte, strand, oever’, os. sand, ohd. sant m. (nhd. sand), ofri. sond, oe. sond o. ‘zand, strand’ (ne. sand), on. sandr m. ‘zand, zandvlakte’. — Grondvorm *samda-, vgl. gr. hámathos (< *samǝdho).

In mhd. sampt, beiers-tirools samp is de m nog bewaard en wel uit een grondvorm *samat. — F. B. J. Kuiper, Fschr. Kretschmer 1956, 218 vergelijkt gr. hámathos met psámathos en lat. sabulum en overweegt een palaeo-europees substraatwoord.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zand znw. o., mnl. sant (d) o., zelden m. “zand, zandvlakte, strand, oever”. = ohd. sant m. (nhd. sand), os. sand (o. m.?) “id.”, ofri. sond (in sond-wei m. “zandweg”), ags. sond o. “zand, strand” (eng. sand), on. sandr m. “zand, zandvlakte”. Germ. *sanda- < idg. *somdho- of wellicht uit *somǝdho-: op een zwaren wortel saxx-dh- wijst gr. ámathos “zand”. Nog met m hd. dial. samp(t) “id.”, welks grondvorm blijkbaar in de periode, toen germ. of md in resp. nd overging (vgl. schande), nog een vocaal tusschen de m en ð had. Ook lat. simila, gr. semídalis “’t fijnste tarwemeel” is hierbij gebracht, — om van wortelcombinaties hoogerop niet te spreken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zand. De hd. dial. vorm samp(t) is reeds mhd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zand o., Mnl. sant, Os. sand + Ohd. sant (Mhd. id., Nhd. sand), Ags. sond (Eng. sand), Ofri. sond, On. sandr (Zw. en De. sand): Ug. *sandam uit *samdam + Gr. ámathos: Idg. *samədhom; misschien ook Lat. sabulum: z. zavel.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

zand 'zand, zandplaat, zandig gebied'
Onl. sant 'zand, zandplaat, zandig gebied', ofri. sond, sand (nfri. sân), os. sand, ohd. sant, oe. sand, sond, ono. sandr 'zand'. Oudste attestaties in plaatsnamen: 988-994 kopie ca. 1035 Boltreshanda (Boterzande, verdronken, bij Biervliet)1, 893 kopie 1222 in Sandewihc (→Zandwijk)2.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 96, 2Idem 414.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zand (iemand -- in de ogen strooien) (vert. van Latijn alicui pulverem ob oculos aspergere)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Ontelbaar of talrijk als het zand der zee, uitermate talrijk, onvoorstelbaar talrijk.

Een vergelijking van een hoeveelheid van iets met het zand der zee wordt enkele keren in de bijbel gemaakt om aan te geven hoe ontzaglijk veel er van iets is of zal zijn. De bekendste plaats is Genesis 32:13, waar het gaat over de nakomelingen van aartsvader Jakob die tot God bidt: 'Gij toch hebt gezegd: Ik zal u zeker weldoen en uw nageslacht maken als het zand der zee, dat wegens de menigte niet geteld kan worden' (NBG-vertaling; in de NBV is dit 'ze zullen zo talrijk zijn als zandkorrels aan de zee' geworden). Niet alleen mensenaantallen worden met zeezand vergeleken, maar ook zaken: 'Het graan dat Jozef bijeenbracht, was als het zand van de zee: het was zo veel, dat men maar ophield de voorraad te tellen, want er was geen tellen meer aan' (Genesis 41:49, NBV).

Liesveldtbijbel (1526), Genesis 32:12. Ghi hebt gheseyt, ick sal v wel doen, ende uwe saet maken, als dat sant des zees, dat men nyet ghetellen en can, ouermidts der menichten.
Onder der wolken gang / de exodus der schamelen [...]. Onder de gang der wolken / een stréépje onder de volken, / die talrijk zijn als zand. (I. Gerhardt, Verzamelde Gedichten, 1980 (Uittocht uit Rusland, z.j.), p. 277)

Op zand bouwen, (fig.) zonder voldoende grond bepaalde verwachtingen koesteren.
Op zand gebouwd, (fig.) op te weinig concreets, duidelijks e.d. gebaseerd. Gezegd van verwachtingen, geluk etc.
'En wie deze woorden van mij hoort en er niet naar handelt, kan vergeleken worden met een onnadenkend man, die zijn huis bouwde op zand. Toen het begon te regenen en de bergstromen zwollen, en er stormen opstaken en er van alle kanten op het huis werd ingebeukt, stortte het in, en er bleef alleen een ruïne over,' zijn de woorden van Jezus in Matteüs 7:26-27 (NBV). De betekenis is duidelijk: met een onbetrouwbare ondergrond valt daar niets stevigs op te bouwen. De uitdrukking wordt alleen in figuurlijke zin gebruikt.

Statenvertaling (1637), Matteüs 7:26. Ende een yegelick die dese mijne woorden hoort, ende de selve niet en doet, die sal by eenen dwasen man vergeleken worden, die sijn huys op het zant gebouwt heeft.
Wanneer hij dan ook ontdekt, dat zijn leven op zand was gebouwd en dat al de mensen, voor wie hij noodzakelijk dacht te zijn, hem min of meer in het ootje hebben genomen, is de lezer oprecht met hem begaan. (Het Vrije Volk, 30-5-1953)
Ze benijdde Lies plotseling haar geluk, of het nu op zand gebouwd was op niet. (N. van der Zee, Zuster Juuls Ereprijs, 1963, p. 140)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zand ‘steenstof’ -> Negerhollands sand, san ‘steenstof’; Berbice-Nederlands sandi ‘steenstof’; Papiaments santu (ouder: zantoe) ‘steenstof’; Sranantongo santi (ouder: sandi, sani) ‘steenstof’;? Saramakkaans sándu ‘steenstof’; Sarnami santi ‘steenstof’; Surinaams-Javaans santi ‘steenstof’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zand* steenstof 0893 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2624. Iemand zand in de oogen strooien (of werpen),

d.w.z. iemand bedriegen, misleiden; eig. door zand in iemands oogen te strooien maken dat hij niet goed kan zienVgl. Rein. II, 7053; Klaas Vaak, het zandmannetje; Pier Luik (in Waasch Idiot. 414 a); fr. le marchand de sable; hd. das Sandmannchen; eng. the sandman, dustman.; lat. alicui pulverem ob oculos adspergere (Otto, 290); Grimm VIII, 1757: Ein alter fechterkniff ist es, den gegner dadurch zu blenden, dasz man ihm sand in die augen streut, wirft; diese ausdrücke werden dann bildlich gebraucht für jemanden durch allerhand kunstgriffe täuschen, betrügen. De uitdr. is in de 17de eeuw bekend geweest; ze komt voor bij Hooft, Ned. Hist. 384: Hun wit was den vyandt dit zandt in de ooghen te werpen; vgl. ook Kaele Uitr. Edelman, anno 1698, dl. I, 148: So dunct my dat dese actie al mee voor een hand vol sand kan verstrekken, die 't oude wyf, of Climenes Moeder, hier door in de oogen is geworpen, waar door se al de verdichte bullen en brieven so nauw niet sal besien; ook Huygens VII, 332 zinspeelt er op. Zie verder Tuinman I, 162 en 183; W. Leevend I, 296; VIII, 251; C. Wildsch. I, 176; Br. v. Abr. Blank. I, 169: Vooroordeelen die niet anders doen dan de menschen stof in de oogen smyten; afrik. iemand sand in die oë strooi (gooi); Ndl. Wdb. X, 2257 en Wander III, 1862: einem Sand in die Augen streuen; fr. jeter de la poudre aux yeux; eng. to throw dust into a person's eyes; am. to pull wool over a p's eyes. Ook in Zuid-Nederland algemeen bekend (Antw. Idiot. 2169).

2625. In het zand bijten,

d.w.z. ter aarde storten in het gevecht; met den neus in het zand duiken (Pers, 749 b); op het veld van eer sneuvelen; voorheen ook in het gras bijten of het gras bijtenNdl. Wdb. V, 581; Volkskunde, XVI, 192; voor de oorspr. beteekenis zie R. Pischel in de Sitzungsber. der Kön. Preussischen Akad. der Wissensch. 1908, p. 445-465 en Seiler, 233.; hd. ins Gras beiszen; fr. mordre la poussière; it. mordere la terra; eng. to bite the dust. Het is mogelijk, dat we de herkomst dezer uitdr. moeten zoeken in de middeleeuwen, toen het grasveld, waar een steekspel zou gehouden worden, met zand bedekt werd, zooals blijkt uit Invent. v. Br. Gloss. 119: 381 carre zands daer de bane die ghemaect was ten steicspele mede ghezand wasMnl. Wdb. IV, 1482; Grimm VIII, 1759 denkt aan den uit zand bestaanden aardbodem.. Ook het strijdperk zelf werd toen dat sant genoemd (vgl. lat. pulvis, worstelperk). Zie Harreb. II, 491 b; Ndl. Wdb. II, 2650; Mnl. Wdb. VII, 151; afrik. sand vreet. Vgl. een zandruiter (Winschooten, 218); in Adagia, 54: Ridder in 't sant, ab asino delapsus; Ruiter te voet (Tuinman I, 38; Ndl. Wdb. XIII, 1788).

2627. Op zand (of op een zandgrond) bouwen,

d.w.z. ‘op lossen grondslag iets ondernemen, een plan vormen, eene verwachting koesteren’; ontleend aan Matth. VII, vs. 26: End een yegelick die dese mijne woorden hoort, ende deselve niet en doet, die sal by eenen dwasen man vergeleken worden, die sijn huys op 't zant gebouwt heeft. Zie Zeeman, 483; J.v.d. Veen, Zinnebeelden, XXXII: Soo een stijfkop gink vertrouwen tegen raet van al de lien op de strant te willen bouwen, ieder sal te vooren sien wat het eynde wesen sal, en voorseggen sijnen val; Sewel, 978; Halma, 800; Ndl. Wdb. III, 783 en vgl. de aldaar aangehaalde synonieme verouderde uitdr. op het (ook een) ijs bouwen; mhd. ûf wolken, ûf regenbogen buwen, zimbern; vgl. ook het lat. fundamenta tamquam in aqua ponere; fr. bâtir sur le sable, la boue; hd. auf Sand bauen; eng. to build on sand.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut