Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zaligheid - (hoogste geluk)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zaligheid ‘toestand van deel te hebben aan het eeuwig heil’ -> Fries salichheid ‘toestand van deel te hebben aan het eeuwig heil’; Negerhollands saligheit ‘toestand van deel te hebben aan het eeuwig heil’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1362. Iemand de les lezen,

d.w.z. iemand eene flinke berisping toedienen; mnl. enen onderwisen of enen ene lesse lesen, iemand eene vermaning of een voorschrift geven, hem iets voorschrijven; ook: iemand onder handen nemen, hem berispen. Onder les moet eig. verstaan worden de voorlezing van de wettelijke bepalingen in de kloosters of eene andere geestelijke vereeniging. Vgl. het ndl. en hd. einem den Tekst lesen, die Leviten lesen; verder einem eine Lection lesen, einem das Kapitel lesen en ndl. iemand kapittelen; mnl. enen die prime (eig. de eerste der getijden) lesen; Servilius, 209: Ick sal u uwen text lesen; De Brune, 129: Hy heeft zyn les hem wel ghezonghen. In de 17de eeuw: iemand de grammatica lezen (V. Moerk. 549 en Tuinman I, 80). In Limburg zegt men iemand de les oplezen (Welters, 101); in Friesland: immen it leksum lêze of immen it mannewaer (manuaal) opsizze (W. Dijkstra, 424 a); in Groningen: iemand de leks oplezen; in Zuid-Nederland: iemand zijnen struik (stamboom) uitleggen (Waasch Idiot. 638 a); iemand zijn eieren, zijn zaad, zijn zaligheidZie Brieven van Abr. Bl. I, 121., zijn acht zaligheden geven of zeggen (Waasch Idiot. 204 a; Schuerm. 877 a; De Bo, 1418; 't Daghet XII, 127); iemand zijn kapittel (of evangelie) voorlezen ('t Daghet XII, 187); iemand zijne zeven hoofdzonden opzeggen (Schuerm. Bijv. 126 a; Breuls, 92); iemand de les opzeggen, opspellen (Schuerm. Bijv. 223 b; Antw. Idiot. 756) of opleggen; iemand de les spellen (Joos, 73; Teirl. II, 208; Antw. Idiot. 756); iemand den boel opschuppen (Schuerm. 64 a). In Twente: eenen de getiden opzeggen of veurlèzen. Zie no. 1081; Ndl. Wdb. VIII, 1614; Villiers, 72; fr. faire la leçon à qqn; eng. to lecture a p.; to read some one a lecture.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut