Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zalig - (intens gelukkig; het eeuwig heil deelachtig; verrukking teweegbrengend, heerlijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zalig bn. ‘intens gelukkig; het eeuwig heil deelachtig; verrukking teweegbrengend, heerlijk’
Onl. sālig ‘gezegend, gelukkig’ in salig thana thu gecuri ‘gelukkig is degene die u hebt gekozen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. salich ‘gelukkig, vervuld van goddelijk heil, gezegend; deugdzaam’, als saleg, selech (oostelijke vorm) [1240; Bern.], in Der doet ... die v rike Sal maken ende salech mede ‘de dood, die u rijk en ook zalig zal maken’, en salech lijf ‘een deugdzaam leven’ [1265-70; VMNW]; vnnl. zalig ook ‘heerlijk, zeer aangenaam’ in Dits de zalighe plaetse die ick meene ‘dit is de heerlijke plaats die ik bedoel’ [ca. 1530; iWNT]; nnl. 'k Sliep zalig, als op rozen [1826; iWNT], en van lekkernijen in zalige schuimpjes [1919; iWNT].
Os. sālig (mnd. salig, selig); ohd. sālīg (nhd. selig); ofri. sēlich (nfri. sillich); oe. (ge)sǣlig ‘gelukkig’ (ne. silly (zie onder), vero. seely); on. sælligr; < pgm. *sēlīga- ‘gelukkig’.
Afleiding van sēli- ‘id.’, waaruit: oe. un-sǣle ‘boosaardig’; on. sæll ‘gelukkig’ (nzw. säll ‘gelukzalig’); on. úsæll ‘arm(zalig)’ (nzw. usel ‘slecht’); got. sēls ‘goed, deugdelijk’.
Verdere herkomst onzeker. Misschien verwant met: Latijn sōlārī ‘troosten’; Grieks hilarós ‘vriendelijk, vrolijk’ (zie ook → hilariteit), hiláskesthai ‘gunstig stemmen’; Armeens ałačʿem ‘bidden’; < pie. *selh2-, solh2-, slh2- ‘gunstig gestemd worden’ (LIV 530).
De basisbetekenis van zalig is ‘gelukkig (van personen); geluk teweegbrengend (van zaken)’. In de continentaal West-Germaanse talen werd het woord al vroeg gebruikt als vertaling van christelijk Latijn beatus ‘gezegend, het eeuwig heil deelachtig’ (bij klassiek Latijn ‘gelukkig’). Het katholicisme duidde het zalig zijn sinds 1625 het stadium vóór heiligverklaring aan. Buiten christelijke context ontwikkelde zich de betekenis ‘verrukking teweegbrengend (van zaken)’. In het Middelnederlands (hierboven verder niet geattesteerd) bestond nog de betekenis ‘onschuldig, eenvoudig, onnozel’ (van personen), die vergelijkbaar is met de (bij)betekenis van bijv. goedig en goedgelovig. De hieruit ontstane versterkte betekenis ‘dom; beklagenswaardig, arm’ strookte niet met de christelijke hoofdbetekenis van zalig en raakte dan ook uiteindelijk in onbruik. Het corresponderende Middelengelse woord sely was daarentegen christelijk niet zwaarbeladen en onderging een vergelijkbare betekenisverandering, die uiteindelijk leidde tot Nieuwengels silly ‘dwaas, dom’.
Als tweede lid in samenstellingen komt -zalig onder meer voor in godzalig en gelukzalig. Op grond van deze woorden en het op een iets andere manier ontstane → rampzalig ontstond een bijbetekenis -zalig ‘rijkelijk voorzien van’, bijv. in kinderzalig. Het begrip → armzalig is ontleend aan Duits armselig, dat een geheel andere etymologie heeft.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zalig* [lekker, zedelijk gelukkig] {oudnederlands salig 901-1000, middelnederlands salich [gelukkig, hemels]} oudsaksisch, oudhoogduits salig, oudfries selich, oudengels sælig (engels silly, betekenisontwikkeling van ‘gelukkig’ tot ‘onnozel’, vgl. nederlands sul); buiten het germ. latijn salvus [behouden], grieks holos, ( < ∗solwos) [geheel], oudiers slán [geheel, ongedeerd], oudindisch sarva- [geheel].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

zalig

Het woord zalig is van de kerkelijke taal in de dagelijkse omgangstaal doorgedrongen. Het is verwant met het Latijnse salus dat: heil betekent, met salvus: behouden en met solari: troosten, maar men heeft ook wel gedacht aan verwantschap met zaaien volgens de ingewikkelde en gewrongen redenering: zaaitijd—juiste tijd—dat wat bij de tijd past—goed—gelukkig. Wij kennen het woord vooral uit de bijbel: zalig zijn de zachtmoedigen, waarin zalig betekent: het eeuwige heil deelachtig. Aardser klinkt al: geld alleen maakt niet zalig, waarin zalig staat voor: gelukkig. Geheel buiten de religieuze betekenis is zalig geraakt, wanneer men spreekt over zalig weer en, nog sterker, over zalige taartjes.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zalig bnw., mnl. sâlich, oostmnl. ook sêlich ‘gelukkig, zalig, vroom, argeloos, armzalig, heilzaam’, onfrank. sālig ‘beatus’, os. sālig ‘gelukkig, zalig, vroom’, ohd. salig ‘gelukkig, zalig, heilzaam’ (nhd. selig), oe. (ge-)sælig ‘gelukkig, zalig’ (ne. silly ‘onnozel’). — Afl. van germ. *sēli, vgl. on. sœll, ‘gelukkig; medelijdenswaardig’, got. sēls ‘goed, deugdelijk’, vgl. oe. sēl, sēlra ‘beter’ (< *sōliz-). Verder nog afl. mnl. saelde, os. sāltha, ohd. sālida, oe. sælð. on. sæld v. ‘geluk’.

De etymologie is onzeker. — 1. bij gr. hólos ‘geheel’, lat. salvus ‘behouden, gezond’, salus ‘heil, gezondheid’, oi. sarva- ‘ongedeerd, geheel’, osl. sŭlěj ‘beter’, oiers slān ‘gezond’, toch. A salu ‘geheel’ (F. Specht KZ 64, 1937, 21). — Bij lat. sōlāri ‘troosten, verzachten’ en hierbij ook iers slān (IEW 900). — Bij osk. sivom ‘omnino’ (< ouder sē-) (Holthausen Wb. Alt-westnord. 207). — Bij zaaien en dan dus bet. ontw. ‘zaaitijd’ > ‘de juiste tijď > ‘met de tijd passend’ > ‘goed, gelukkig’ (Wood JEG Ph 24, 1925, 40). — Het woord zalig is een woord der kerktaal, wat daaruit blijkt, dat in nnl. dial. waar men œ, of o als klinker zou verwachten, toch â optreedt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zalig bnw. Jn de meeste diall., waar men æ̂- of å-, ô-vocalisme verwachten zou, vinden we â; ’t woord is er uit de kerkelijke en devote taal ontleend. Mnl. sâlich, oostmnl. ook sêlich (gh) “gelukkig, zalig, vroom, argeloos, armzalig, heilzaam”. = onfr. sâlig “beatus”, ohd. sâlîg “gelukkig, zalig, heilzaam” (nhd. selig), os. sâlig “gelukkig, zalig, vroom”, ofri. sêlig “vroom”, ags. sæ̂lig, gew. ge-sæ̂lig “gelukkig, zalig” (eng. silly “onnoozel”). Afl. van germ. *sêli-, got. sels “goed, deugdelijk”, on. sæ̂ll “gelukkig”, ags. als znw. m. v. sæ̂l “geluk, geschikte tijd, tijd”, mhd. in sâl-lîche “op gelukkige wijze”. Van *sêli- ook mnl. saelde (uit ’t Du.), ohd. sâlida, os. sâltha, ags. sæ̂lð, on. sæ̂ld v. “geluk” (resp. “goedheid”). Met ablaut: 1. ags. sêlra (sælra) “beter”, 2. on. seljast “zalig worden”. De eenige aannemelijke etymologie combineert deze woordfamilie met kymr. holl “geheel, al”, ier. slân “gezond, geheel, vol”, oudlat. sollus “totus et solidus”, lat. solidus “volledig, vast, duurzaam”, salûs “heil, gezondheid”, salvus “behouden, gezond”, gr. att. hólos, ion. oúlos “geheel”, alb. gˊałɛ “krachtig, vet, levendig, moedig”, oi. sárva- “ongedeerd, geheel, al, ieder”; wsch. niet hierbij gr. lōíōn “heilzamer, beter”, arm. lav “beter”. Zie armzalig, gelukzalig, rampzalig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zalig 1 bijv.(gelukkig), Mnl. salech, Onfra., Os. sâlig + Ohd. id. (Mhd sæ̂lec , Nhd. selig), Ags. sǽleg (Eng. silly): z. sul), Ofri. sélig: afgel. van *zaal = gelukkig + Ags. sæl, Go. sels + Skr. sarvas, Gr. hólos (d.i. *solvos), Lat. sollus = geheel, ongedeerd, solidus = vast, salvus = behouden, Oier. slán = geheel.

-zalig 2 suffix, bestaat in 't Ndl. slechts in schijn: z. armzalig, lamzalig en rampzalig, de drie eenige Nndl. woorden op -zalig. Het Hgd. suff. -selig was oorzaak dat men in 't Ndl. ook aan een suff. -zalig dacht; de Hgd. adj. op -selig echter zijn afleid. van subst. op -sal, hetz. als ons suff. -sel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zaoleg (bn.) zalig; Aajdnederlands salig <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

za’lig bn. (vóór een naam), zaliger (achter een naam), wijlen. Deze was had ze gehouden, ook toen zij met zalig oom Ludwig, zo heette de overleden concubaan* van mijn moeder, ging samenleven en hij, Erik, verhuisd was (Dobru 1968c: 57). - Etym.: Vgl. S sargi, dat op dezelfde wijze wordt toegepast. - Zie ook: nu wijlen*.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Zalig, gelukkig (in zedelijk opzicht), in harmonie met God levend.
Zalig (zijn) de ...., gelukkig zijn de ..., de beginwoorden van de zaligsprekingen
Zaligsprekingen, acht spreuken aan het begin van de bergrede, waar Jezus over het Koninkrijk der Hemelen preekt en vertelt welke mensen daar aanspraak op kunnen maken: de armen en eenvoudigen.

De tekst van de zaligsprekingen luidt in de NBG-vertaling, Matteüs 5:3-12, als volgt (in de NBV is op deze plaatsen 'gelukkig' te vinden):
Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden.
Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.
Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden.
Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien.
Zalig de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.
Zalig de vervolgden om der gerechtigheid wil, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil.
Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten vóór u vervolgd.
De eerste spreuk is de bekendste: zalig de armen van geest. Deze wordt nog het meeste gebruikt, ook in varianten met in plaats van armen woorden als onnozelen en dergelijke. Ook veel varianten op de constructie zalig zijn zij, die... komen voor. De naam zaligspreking wordt in de NBG gebruikt in de hoofdstuktitel boven Matteüs 5:1-12. Elders komt het voor in Romeinen 4:9, waar het betrekking heeft op een andere spreuk, die begint met zalig de man... : 'Geldt deze zaligspreking dan de besnedene of ook de onbesnedene?' (NBG-vertaling). Het bij zaligspreking gevormde werkwoord zaligspreken is een incidenteel verschijnsel: 'Tijdens de middagpauze inderhaast / oververteld met wind en zaligspreken, gaat ons gesprek de stilte ruggespreken' (G. Achterberg, Verzamelde gedichten, 1985 (Diana, 1957), p. 875).

Rijmbijbel (1271), v. 22666-72. God heuet aldus eist bescreuen. / Vp sine ionghers doghen verheuen. / Dus scriuet mateus terre steden. / Ende leerdem .viii. salicheden. / Salich sijn die armoede. / Na den gheest doghen in gode. / Hemelrike es hare miede. [...] (Jezus heeft, zo staat beschreven, zijn ogen opgeslagen naar zijn discipelen, zo schrijft Matteüs op deze plaats, en preekte hun acht zaligheden. Zalig zijn degenen die armoede van geest lijden terwijl zij in God geloven; de hemel zal hun beloning zijn. [...])
Zalig is kramiek, want het rijk gods behoort hem toe omdat hij simpel van geest is, en zich overal weet aan te passen. (L.P. Boon, De Kapellekensbaan/Zomer te Termuren, 1980 (1953/1956), p. 851)
Als Nick een hersenchirurg ontmoette, dan was hij er zelf een, of toch bijna. Praatte hij met een archeoloog, dan had hij na drie zinnen zelf belangrijke vondsten opgegraven. Kwam hij met een diepzeeduiker in gesprek, bleek hij op de hoogte van alle kneepjes van het vak. Zalig de onschuldigen van geest. (K. Hemmerechts, Margot en de engelen, 1997, p. 67)
Nergens kan je nog met goed fatsoen rookwaar aansteken. Zalig zijn zij die over een eigen ruimte beschikken, maar zij die dit niet hebben, dienen buiten te roken, ongeacht het weertype. (Mare 18-2-1999, p. 4)
Statenvertaling (1637), Romeinen 4:9. Dese saligh-sprekinge dan, is die alleen over de Besnijdenisse, ofte oock over de Voor-huyt?
Weer een heel ander stempel is er op het christendom gedrukt door de omstandigheid dat de eerste christenen tot de sociaal-economisch zwakken behoorden. Waarschijnlijk moeten we hier de oorsprong zoeken voor de Zaligspreking dat de armen van geest het Koninkrijk der Hemelen zullen beërven (Matt. 5: 3-11). (Liberaal Reveil, 1994, nr. 1)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zalig, door ig verlengd van een oud, maar niet aangetoond zaal (vgl. ’t Got. sei + s = goed, deugdelijk, heilzaam; Angels. sael = geluk en gelukkig; Mhd. saelde = geluk, heil). Zalig w.d.z.: gelukkig, heilvol.
Het achtervoegsel -zalig in rampzalig, armzalig, enz. heeft met zalig niets te maken; het is een navolging van enkele Hgd. woorden als trübselig (volgens onze letterlijke vertaling „droefzalig”), mühselig (”moeizalig”) enz., waarin selig niet ons zalig is, zooals men meende, maar afkomt van het achtervoegsel sal met ’t achtervoegsel ig; m.a.w.: trübselig is afgeleid van Trübsal (= droefenis), waarin sal ongeveer aan ons sel (baksel, enz.) beantwoordt, en van dit Trübsal komt als afl. met ig: trübselig.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zalig ‘lekker; heilzaam; zeer gelukkig; het eeuwig heil deelachtig; wijlen’ -> Fries salich ‘lekker; heilzaam; zeer gelukkig; het eeuwig heil deelachtig, wijlen’; Deens salig ‘gelukkig; (over een dode) wijlen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors salig ‘verlost; zeer gelukkig’; Zweeds salig ‘lekker; heilzaam; zeer gelukkig’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands salig, zaalig, saelig ‘lekker; heilzaam’; Sranantongo sargi ‘wijlen, overleden’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

zomerzotheid [dwaze verliefdheid, dwaasheid] (1927). In 1927 verschijnt Een zomerzotheid, geschreven door Cissy van Marxveldt (1889-1948), die bekend is door haar razend populaire meisjesboeken over bakvis Joop ter Heul. Het boek gaat over vijf jonge vrouwen die hun zomervakantie doorbrengen op hetzelfde landgoed als vijf jonge mannen. Verliefdheid en allerlei komische verwikkelingen zijn het gevolg. De titel van het boek (Een zomerzotheid) werd hierdoor een begrip, met als betekenis ‘dwaze verliefdheid, dwaasheid’. Van Marxveldts boeken staan bekend om de vele mode-uitdrukkingen, zoals fuiven, fuifnummer, jolig, lam, leut, mal, moppig, puf, reuze, zalig en zielig.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zalig* lekker, zedelijk gelukkig 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2623. Het is zaliger te geven dan te ontvangen.

Deze spreuk is ontleend aan Hand. XX, vs. 35, waar Paulus zegt: Ick hebbe u in allen getoont, dat men alsoo arbeydende de swacke moet opnemen, ende gedencken aen de woorden des Heeren Jesu, dat hy geseght heeft: Het is saliger te geven dan te ontvangen; zie Zeeman, 225; Wander I, 1368; afrik. dis saliger om te gee as om te ontvang; fr. mieux vaut donner que recevoir; hd. Geben ist seliger denn Nehmen; eng. it is more blessed to give than to receive.

1362. Iemand de les lezen,

d.w.z. iemand eene flinke berisping toedienen; mnl. enen onderwisen of enen ene lesse lesen, iemand eene vermaning of een voorschrift geven, hem iets voorschrijven; ook: iemand onder handen nemen, hem berispen. Onder les moet eig. verstaan worden de voorlezing van de wettelijke bepalingen in de kloosters of eene andere geestelijke vereeniging. Vgl. het ndl. en hd. einem den Tekst lesen, die Leviten lesen; verder einem eine Lection lesen, einem das Kapitel lesen en ndl. iemand kapittelen; mnl. enen die prime (eig. de eerste der getijden) lesen; Servilius, 209: Ick sal u uwen text lesen; De Brune, 129: Hy heeft zyn les hem wel ghezonghen. In de 17de eeuw: iemand de grammatica lezen (V. Moerk. 549 en Tuinman I, 80). In Limburg zegt men iemand de les oplezen (Welters, 101); in Friesland: immen it leksum lêze of immen it mannewaer (manuaal) opsizze (W. Dijkstra, 424 a); in Groningen: iemand de leks oplezen; in Zuid-Nederland: iemand zijnen struik (stamboom) uitleggen (Waasch Idiot. 638 a); iemand zijn eieren, zijn zaad, zijn zaligheidZie Brieven van Abr. Bl. I, 121., zijn acht zaligheden geven of zeggen (Waasch Idiot. 204 a; Schuerm. 877 a; De Bo, 1418; 't Daghet XII, 127); iemand zijn kapittel (of evangelie) voorlezen ('t Daghet XII, 187); iemand zijne zeven hoofdzonden opzeggen (Schuerm. Bijv. 126 a; Breuls, 92); iemand de les opzeggen, opspellen (Schuerm. Bijv. 223 b; Antw. Idiot. 756) of opleggen; iemand de les spellen (Joos, 73; Teirl. II, 208; Antw. Idiot. 756); iemand den boel opschuppen (Schuerm. 64 a). In Twente: eenen de getiden opzeggen of veurlèzen. Zie no. 1081; Ndl. Wdb. VIII, 1614; Villiers, 72; fr. faire la leçon à qqn; eng. to lecture a p.; to read some one a lecture.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut