Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zalf - (vettig smeersel met helende of rituele werking)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zalf zn. ‘vettig smeersel met helende of rituele werking’
Onl. salva ‘zalf’, eerst nog in Nederrijnse vorm salba [951-1000; CG II-1, 116], in ther stank thinero saluon ther is ouer alle stankwurze ‘de vieze lucht van jouw zalven die gaat (de geur van) alle reukwerk te boven’ [ca. 1100; Will.]; mnl. salve ‘zalf, olie, smeersel’ [1240; Bern.].
Os. salƀa (mnd. salve, en door ontlening nzw. salva); ohd. salba (nhd. Salbe); nfri. salve; oe. sealf (ne. vero. salve); alle ‘zalf’, < pgm. *salbōn-.
Hierbij de afleiding *salbōn- ‘zalven’, waaruit: onl. salvon, zie onder; os. salƀon (mnd. salven); ohd. salbōn (nhd. salben); ofri. salvia (nfri. salvje); oe. sealfian (ne. salve ‘troosten, tevreden stellen’); nzw. salva; got. salbōn.
Verwant met: Sanskrit sarpís- ‘gesmolten boter’; Albanees gjalpë ‘boter’; Tochaars B ṣalype ‘smeersel’; < pie. *selp-, *solp- (IEW 901). Hierbij misschien ook Grieks élpos ‘olie, vet’ en Latijn sulpur, zie → zwavel.
zalven ww. ‘met zalf bestrijken, met zalfolie begieten’. Onl. salvon ‘zalven’ in thiu salua, thar mide Maria Magdalena saluado pedes domini ‘de olie, waarmee Maria Magdalena de voeten van de Heer zalfde’ [ca. 1100; Will.]; mnl. salven ‘zalven, insmeren’ [1240; Bern.]. Afleiding van zalf.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zalf* [smeersel] {salve 1250} oudsaksisch salƀa, oudhoogduits salba, oudengels sealf, gotisch salbon [zalven]; buiten het germ. grieks elpos [vet, olie], albaans galpe [boter], oudindisch sarpiṣ- [boterolie].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zalf znw. v., mnl. salve v., os. salƀa, ohd. salba (nhd. salbe), oe. sealf (ne. salve). — gr. élpos o. ‘vet, olie, boter’, ólpē, ólpis ‘olieflesje’, oi. sarpís o. ‘gesmolten boter, vet’, alb. gjalp ‘boter’, toch. A şälyp, Β şalype ‘vet, boter, olie’ van idg. wt. *selp (IEW 901). — Zie: zalven.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zalf znw., mnl. salve v. = ohd. salba (nhd. salbe), os. salƀa, ags. sealf v. (eng. salve) “zalf”, ohd. ook salb o. “id.”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zalf v., Mnl. salve, Os. salƀa + Ohd. salba (Mhd. salbe, Nhd. id.), Ags. sealf (Eng. salve), Ofri. werkw. salva, Go. werkw. salbon: Germ. wrt. selƀ + Skr. sarpis = vet, Gr. hélpos = olie, Alb. g'alpɛ = boter: Idg. wrt. selp. Zw. salva, De. salve uit Ndd.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zalf, van ’t Germ. salbo, verwant met het Gr. elpos = olie.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zalf ‘smeersel’ -> Deens salve ‘smeersel’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors salve ‘smeersel’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds salva ‘smeersel’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins salva ‘smeersel (als geneesmiddel)’ ; Ests salv ‘smeersel’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch salap, salep, zalf ‘smeersel’; Jakartaans-Maleis salep ‘smeersel’; Javaans salep ‘smeersel’; Madoerees salēp ‘smeersel’; Menadonees salef ‘smeersel’; Soendanees salĕp ‘smeersel’; Negerhollands salv ‘smeersel’; Papiaments salfi, zalfi ‘smeersel’; Sranantongo salf, sarfu ‘smeersel’; Surinaams-Javaans salep ‘smeersel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zalf* smeersel 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1875. In de kleinste potjes bewaart men de beste zalf.

Dit wordt gezegd als een soort compliment tegen kleine personen, om daar mede te kennen te geven, dat zij veel geest of veel verdienste bezitten. Syn. van gooj waor verpak me in klein pekskes (in N. Taalgids XIV, 197); in de kleinste fleschjes vindt men den kostelijksten balsem. Vgl. De Brune, 291: in kleyne kasjes, zonder schijn, de beste droguen (kruiden) dickwils zijn. Hetzelfde wordt uitgedrukt door

 In kleyne zackxkens wert bewaert,
 De specery van d'hooghste waerd,

dat we lezen bij De Brune, 403; vgl. ook Bank. I, 439: De beste speceryen werden in kleyne doosjes en potjes gevonden; Afrik. in die kleinste potjies bewaar mens die beste salf. De Franschen kennen eveneens en petits sacs sont les meilleures épices; dans les petites boîtes les bons onguents (= parfums); hd. kleine Büchsen, gute Salben; nd. ehn de klengste Doppchen es döcks de beiszte Salf (zie Taalgids IV, 283).

2622. Daar is geen zalf aan te strijken

zegt men van iemand, die naar geen raad wil luisteren, die zich niet beteren wilVgl. het ‘Lied van Halewijn’ bij Flor. v. Duyse I, 3 en het synonieme daar is geen kruid voor gewassen, ‘tegen de doodt en is geen schilt’ (Brederoo II, 164), daar is niets aan te doen; Tijdschrift, XXII, 195; Mergh, 59: Voor de dood is geen kruyd gewossen; Pers, 346 b: Men wist geen kruyd tegen den dood; 900 b: Maer also voor den dood geen kruyt is te vinden; Ndl. Wdb. VIII, 385; Volksk. XXVI, 192; fri. for de âlderdom binne gjin krûden woechsen; mnl. jeghen de doot en es gheen scilt; voor die doot en es gheen cure; hd. für den Tod ist kein Kraut gewachsen; fr. contre la mort il n'y a pas de remède.; eig. gezegd van eene wonde of eene kneuzing, die door geen zalf te genezen is. Voor de 17de eeuw zie V. Moerk. 486:

 De fielt het my lang genoegh gebrutst, hy moet nou voort
 Met dese Schepen; daer is doch geen salf aen hem te smeeren.

Tengnagel, de Spaensche Heidin, 1671, bl. 70: Zoo dat'er (volgens 't oude, en waere spreekwoord) geen zalf aen dat volk te stryken is; Bed. Huish. 14: Hier is geen zalf aan te stryken, 't is een bedurven Huishouwen; De Brune, Emblemata, 264: Is zy (de juffrouw) oock merckelick leelick, en daer geen zalve van schoone woorden aen te strijcken is, daer wert al raet toe gevonden. Voor de 18de eeuw zie Halma, 800: Daar is geen zalf aan hem te strijken, 't is verloorene moeite iets aan hem te doen; Sewel, 977; Harreb. II, 491; afrik. aan hom is nie meer salf te smeer nie. Voor Zuid-Nederland zie Joos, 78; Antw. Idiot. 1469 en vgl. voor het Limburgsch Welters, 86: er is geen zalf aan te strijken, er is geen vet aan te scheppen; ook in het fri. der is gjin sâlve oan to striken. In het nd. dar is kên Salbe mehr an to strîken (Eckart, 444); hd. daran ist Hopfen und Malz verloren.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut