Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zakken - (dalen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zakken ww. ‘dalen’
Vnnl. sacken ‘in een bepaalde richting gedreven worden’ in zoodat al herwaers sacken zal ‘zodat iedereen hierheen gedreven zal worden’ [1566; iWNT], Des winters als de sluijsen bij stormen van winde drije ofte vier getijden toe moeten blijven staen, soodat daerdoore het opperwater soo aensackt dat het gesaijt lant seer onderloopt ‘... zodat (bij langdurig gesloten sluizen) het bovenstroomse water zo sterk toeneemt, dat het zaailand onderloopt’ [ca. 1578; iWNT aanzakken]; vervolgens vnnl. sacken eenmalig overgankelijk gebruikt in Du haddest my daer neer gesmackt, End inden gront der zee gesackt [1590-99; iWNT], daarna overwegend ‘dalen, doorzakken’ in Of nu ... zijn gheld-kantoor niet sackt Van Spaansche kluyten veel ‘dat zijn geldkantoor niet doorzakt van de vele Spaanse munten’ [1610; iWNT kluit I], Heylighe liefde ...: Sackt neder op de logge Aerde [1615; iWNT nederzakken], is nu weder ghesackt ‘(het waterpeil) is nu weer gezakt’ [1624; iWNT].
Herkomst onduidelijk. De oorspr. betekenis lijkt ‘door een bepaalde kracht geleidelijk in een bepaalde richting gedreven worden’; daaruit is via ‘naar beneden gedreven worden’ de latere betekenis ‘zakken’ eenvoudig te verklaren als betekenisvernauwing.
Nnd. sakken ‘dalen’ (met een vroege, geïsoleerde attestatie als reflexief: mnd. sik sacken ‘zakken’ [voor 1542; Schiller/Lübben]); nhd. sacken ‘dalen, verzakken’; < pgm. *sakkōn-. Nde. sakke ‘afvallen, afnemen, wegdrijven’, nzw. sacka ‘achter raken, afnemen (van de wind), ineenzakken’, nno. dial. sakka ‘dalen, afnemen’ en misschien ook het bovengenoemde nhd. woord zijn ontleend aan het Nederduits. De herkomst van me. saggen ‘vervallen (in zonde)’ [ca. 1450; MED], ‘afhangen, doorzakken’ (ne. sag ‘verzakken, doorbuigen; afnemen; (met de wind) wegdrijven’) is onzeker. Ontlening aan het mnl. of mnd. (FvW e.a.) is vanwege de -g(g-) en het dateringsverschil onwrsch. De vorm saggen zou wel ontleend kunnen zijn aan een van de bovengenoemde Scandinavische woorden sakka enz., maar die woorden zijn jong en zelf ook ontleend. Ontlening aan een Noors dialectwoord sagga ‘zwaar en langzaam lopen’ (OED, Onions) stuit op slecht overeenkomende betekenissen. Misschien zijn mnl./mnd. sacken en me. saggen beide als scheepvaartterm ontleend aan het met → zinken verwante sterke werkwoord on. søkkva (sökk, sokkenn) ‘vallen, dalen, zakken’ met interpretatie van de stamklinker als -a-.
Volgens velen (o.a. FvW, MNW, De Tollenaere (1996) en Kluge) is zakken een afleiding van → zak. De oorspr. betekenis ‘in zakken doen’, zoals in mnl. L ellen zaclakens, om dit voirsz. coorn te zacken ‘50 el zaklaken om het genoemde graan in zakken te doen’ [eind 14e eeuw; MNW], ook van personen (als straf) in [werden] ghesact ende in de Seine verdronken [ca. 1470; MNW], zou zich dan hebben ontwikkeld tot ‘(doen) zinken’ op grond van de veronderstelling dat wat men in een zak doet, naar beneden zinkt (De Tollenaere 1996, 197). De 16e-eeuwse attestaties van onovergankelijk (-)sacken roepen echter geen enkele associatie met een zak op en ondersteunen deze etymologie dus niet: van een expliciet neerwaartse beweging is aanvankelijk maar zelden sprake.
Volgens anderen (onder meer Grimm, Falk/Torp, Hellquist, NEW, Pfeifer en Kluge21) is zakken een nasaalloze, ablautende intensiefformatie bij de wortel van → zinken ‘zakken’ (Proto-Germaans *sakkwōn- bij *senkwan-). Maar ook deze verklaring lijkt weinig wrsch., in het bijzonder vanwege de relatief jonge leeftijd en de geringe geografische verspreiding van het woord.
Verband met pgm. *sīgan- ‘zakken, naar beneden gaan’ (zie → zijgen) lijkt vanwege de vorm niet waarschijnlijk.
Lit.: F. de Tollenaere (1996), ‘Etymologica: zakken (intrans.). Externe (idg.) of interne (ndl.) etymologie?’, in: T&T 48, 191-197

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zakken* [dalen] {sacken [in een zak doen, van bv. koren of buit, ook van misdadigers (innaaien en verdrinken)] 1399; de betekenis ‘zinken’ 1611-1620} van zak; de betekenis is gegaan van ‘in zakken doen’ via ‘doen zinken’ naar ‘zinken’: graan dat is gezakt, is zowel in een zak gedaan als naar de bodem gezonken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zakken ww., eerst bij Marnix sacken ‘doen zinken’, mnd. sacken (refl.) ‘zinken, zakken’, anders ‘in zakken doen, in een zak verdrinken’ (> nhd. sacken), me. saggen (ne. sag), nde. sakke, nnoorw. sakka, nzw. sacka ‘zakken’. — Het woord is gevormd met intensieve -kk- bij zinken en is klaarblijkelijk een vrij jonge formatie.

De skandinaafse woorden worden vaak als ontleningen uit het nd. beschouwd, vooral omdat zij meestal voorkomen in verbindingen als nde. sakke agterud ‘afdrijven, achterblijven’, nzw. sacka bakåt. Maar nnoorw. sakka betekent ‘zinken, lager worden’. Er is zeker geen reden om met W. de Vries Ts 44, 1925, 196 voor zakken een ongenasaleerde stam aan te nemen; bij intensiefformaties kan men vrij willekeurige veranderingen verwachten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zakken ww., niet mnl. of bij Kil. Bij Marnix komt een trans. sacken “doen zinken” voor en deze bet. is wsch. de oudere. Vgl. mnd. sacken, dat refl. gebruikt “zinken, zakken”, anders “in zakken doen, in een zak verdrinken” beteekent. Deze bett. heeft ook ’t trans. mnl. sacken; uit de laatstgenoemde is “doen zinken” te verklaren. Zakken zal dus een afl. van zak zijn. Een andere plausibele verklaring bestaat niet. Verwantschap hoogerop met zinken is niet aannemelijk. De. sakke agterud “afdrijven, achterblijven”, sakke af “afnemen”, zw. sacka “verzakken, over stuur gaan”, noorw. dial. sakka “zakken”, eng. to sag “zakken, uit ’t lood hangen, naar lij vallen” zullen wel ontleend zijn, ’t eng. woord, dat sedert de l5. eeuw voorkomt, zou dan ’t bestaan van een reeds 15. eeuwsch ndl. (hem) sacken “zakken” wsch. maken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zakken ono.w., + Ndd. sacken: intens. afleid. van zijgen; voor de bet. vergel. zinken en voor de klanken blaken, blikken, blinken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2sak ww.
1. Daal, laer gaan. 2. Minder word. 3. Druip, afgekeur word.
Uit Ndl. zakken (ongeveer 1610 in bet. 1, 1701 in bet. 2, 1897 in bet. 3), 'n afleiding van zak 'sak, houer', enersyds na aanleiding daarvan dat iets wat in 'n sak gesit word na die bodem daarvan sink en andersyds n.a.v. die gebruik om bv. misdadigers in sakke toe te werk en te verdrink. Eerste optekening in vroeë Afr. op 6 Februarie 1812 (Scholtz 1972: 160), waarna in Afr. by Pannevis (1880) in die bet. 'daal, druip'.
Eng. sack (1841 in die bet. 'afdank').

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

zakken, (ook:) A. onoverg. (zakte, is gezakt), 1. naar beneden komen/gaan, afdalen, dalen. Engel dribbelt naar de brede houten trap, zakt, loopt zachtjes fluitend naar buiten (Doelwijt 1972b: 92). - 2. uitstappen. Nee! Kijk goed! We zin d’r al... iedereen moet hier zakken! - De bus was in no time leeg (Cairo 1976: 124) - B. overg. (zakte, heeft gezakt), 1. laten zakken (ook fig.). Toen merkte mijn moeder dat ik aan het knopje geweest was. Daarna zakte ze me van de kast af en gaf me twee achter mijn rug [twee klappen voor mijn billen] (Doelwijt 1971: 85). De examinatoren zakten hem (Essed 130). - 2. laten uitstappen. Chauffeur, zak me hier (mond.). - 3. (voetbalterm) eruithalen (van een speler door de trainer). - 4. doen afnemen (geluid). Buurman, kan je je muziek een beetje zakken? (Cairo 1980b). - Etym.: S saka heeft alle bet. van SN z. - Syn. van B. 2 droppen* (2).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sak II: daal; druip (bv. in eksamen); Ndl. zakken (nog nie by Kil nie), reeds by Marnix as oorg. ww. in bet. “laat sink”, het wsk. al vroeër bestaan en daaruit Eng. sag (15e eeu), hou mntl. verb. m. sak I.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Sak, Sarel! Vir hierdie uitdrukking vgl. Tijdschr. XLIV, 262.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

zakken. De verwensingen zak door de bagger, zak door de shit, zak er maar in, zak in de blubber, zak in de beer, zak in de stront, zak in elkaar wezenloos, zak in je graf betekenen ‘maak dat je wegkomt, ik heb vreselijk het schurft aan je’. De verwensing wordt gebruikt in geval van verontwaardiging, boosheid, woede. De verwenser wil een aangesprokene zijn wil opleggen, vandaar de gebiedende wijs. Ook de verwensingen zak door je kruis! en zak door de plee! zijn van een hoge emotionele graad. ‘Ik ben zo woedend dat het mij niets uitmaakt of je …’, drukken zij uit. Dat geldt ook voor de rijmende verwensing zak door de plee en neem je moeder mee! Sanders en Tempelaars (1998) geven ook nog zak er maar in!; zak in het gehak(t) (gehoord te Amsterdam); zak (toch) met je handel in de drift! (gehoord te Utrecht). De verwensingen zak in de grond weg!, zak in de pot! en zak in elkaar! drukken alledrie woede en frustratie uit en betekenen ‘rot op’. → gehak(t), grond.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zakken (zinken), een intens. van zijgen, z. d. w.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zakken ‘dalen, zinken; niet slagen voor een examen’ -> Deens sakke, sakke agterud, sakke bagud ‘(scheepvaart) achteruit drijven, achterop raken; niet kunnen bijhouden (economisch of wetenschappelijk)’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors sakke (akterud) ‘afzakken, vertragen, achterop raken’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds sacka ‘achterop raken, achter raken’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands sak ‘afdalen, neerlaten’; Papiaments sak, zak ‘(ver)zakken, wegzinken, uitzakken; niet slagen voor een examen’; Sranantongo sakka ‘dalen, zinken; niet slagen voor een examen’; Saramakkaans sáka, sakka ‘dalen, zinken’; Saramakkaans sáka ‘afnemen, neerlaten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zakken dalen, zinken 1611-1620 [Taal en Tongval 1996, 2]

zakken niet slagen voor een examen 1897 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut