Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zak - (verpakkingsmiddel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zak zn. ‘verpakkingsmiddel’
Onl. sac ‘zak’ in sie ... thie sacche alle [untbunden] ‘ze maakten alle zakken open’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. sac ‘zak’ [1240; Bern.], in Dat men hare sacke vullen soude ‘dat men hun (reis)zakken moest vullen’ [1285; VMNW].
Vroege ontlening aan Latijn saccus ‘zak’, dat zelf door ontlening via Grieks sákkos ‘id.’ teruggaat op een Semitische taal, vergelijk Hebreeuws saq ‘grof gewaad, zak’, Akkadisch šaqqu.
Evenzo ontleend zijn: os. sakk (mnd. sak); ohd. sac (nhd. Sack); ofri. sak, sek (nfri. sek); oe. sacc (ne. sack); on. sekkr (nzw. säck); got. sakkus; alle ‘zak’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zak [verpakkingsmiddel] {sac(ke), zac 1201-1250} < latijn saccus [zak, zeef] < grieks sakkos [gewaad, vooral bij rouw] (vgl. in zak en as zitten) < hebreeuws sʼaq [zak, grof gewaad], vermoedelijk < akkadisch sjaqqu [zak, rouwkleed]. De uitdrukking iemand de zak geven [zich van iem. ontslaan], middelnederlands enen sinen sac geven [iem. wegzenden, afscheid van hem nemen] is waarschijnlijk oorspr. gezegd van de zak waarin een knecht zijn spullen bewaarde en die hij meenam na afloop van de diensttijd. De uitdrukking in zak en as zitten [in rouw zitten] komt uit de bijbel: de oude joden strooiden as over hun hoofd en hulden zich in een zak ten teken van rouw. Vgl. Esther 4:1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zak znw. m., mnl. sac m., os. sak, ohd. sac (nhd. sack), oe. sacc, sœcc (ne. sack; > on. sekkr), got. sakkus. Reeds in de romeinse tijd ontleend aan lat. saccus < gr. sákkos < hebr. phoenic. saḳ ‘grof gewaad, lendenschort’ < assyr. šaḳḳu ‘zak, kleed van de boeteling’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zak znw., mnl. sac (ck) m. = ohd. sac (ck; nhd. sack), os. sak (kk), ags. sacc, sæcc (eng. sack), on. sekkr, got. sakkus m. “zak”. Via lat. saccus, gr. sákkos “zak” uit ’t Sem. (hebr. sˊaq). Een oud handels-leenwoord; vgl. ark, kist. Uit ’t Gr. en Lat. ook elders ontleend.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zak. Ags. sæcc behoeft ons geen aanleiding te geven een mlat. *saccium aan te nemen naast saccus; on. sekkr uit het Ags.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zak m., Mnl. sac, gelijk Ohd. sac (Mhd. id., Nhd. sack), Ags. sacc (Eng. sack), Go. sakkus, uit Lat. saccus, van Gr. sákkos, van Hebr. śaq, dat zelf op Kopt. sok teruggaat.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1sak s.nw.
1. Houer, uit verskeie materiale gemaak, om goed in te bêre of te vervoer. 2. Deel van 'n kledingstuk waarin voorwerpe gesit kan word. 3. Inhoud van 'n sak (1sak 1).
Uit Ndl. zak (1515 in bet. 1, 1567 in bet. 2, 1637 in bet. 3). Eerste optekeninge in Afr. op 12 Augustus 1870 (Scholtz 1965: 129) en in Patriotwoordeboek (1902).
D. Sack (9de eeu), Eng. sack (1000).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sak I: s.nw., tas of houer om iets in te dra of te vervoer, houer in ’n kledingstuk; Ndl. zak (Mnl. sac/sack), Hd. sack, Eng. sack, Got. sakkus, ontln. aan Lat. saccus uit Gr. sakkos uit Hebr. saq, “sak”; i.s. verbg. met sak en pak of met pak en sak v. Scho TWK/NR 7, 2, p. 22.

sak III: in verbg.: die sak gee/kry, “ontslag” (v. werknemer); “afsê” (v. verloofde of vryer); hoef nie uit Eng. to get/give the sack te kom nie, want sedert Mnl. in Ndl. en dial., ook Eng. en Fr. donner a quelqu’un son sac, maar oor herk. en verkl. nog meningsverskille (v. WNT IV 1923 s.v. geven en Stoe NS).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

zak: onaangename of onnozele vent. Wellicht een verkorting van klootzak*.

De meeste kinderen vinden hun vader een ouwe zak (hij durft het woord lul niet te gebruiken, want zijn krant heeft nog taboes, zegt hij). (Hitweek, 14/01/1966)
Wat mot je, ouwe zak! (Ben Borgart, De vuilnisroos, 1972)
Martin, je bent een slappe zak… (J.M.A. Biesheuvel, De wereld moet beter worden, 1984)

zak hooi, zak met vingers, zak tabak: onaangenaam, slecht iemand; klootzak*. Soms ook voor een vreemde snuiter.

Ik zal zorgen dat je van school gestuurd wordt. Uitvaagsel, voddebaal, zak tabak, mesthoop. (Maarten ’t Hart, Stenen voor een ransuil, 1971)
’Godverdomme! Waar is die zak tabak!’ snauwt Snoopy, onze ambitieuze tourmanager. (Bert Hiddema, Twee vliegen in één klap, 1975)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zak (Latijn saccus)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

In zak en as, in de rouw; terneergeslagen.

'Toen Mordekai vernam al wat er gebeurd was, verscheurde Mordekai zijn klederen, hulde zich in zak en as en ging door het midden van de stad, terwijl hij luid en bitter jammerde', zo verhaalt Ester 4:1 in de NBG-vertaling. Een zak was een rouwgewaad van ruwe stof, dat men droeg om aan te geven dat men rouwde over een overledene en als symbool van droefheid. Als teken van rouw strooide men ook as op het hoofd of in het bed (zie ook As). In het moderne Nederlands zit men gewoonlijk in zak en as. De oorspronkelijke betekenis, 'rouwen', is verdwenen; er wordt onveranderlijk bedoeld dat iemand terneergeslagen is of in de put zit. Juist om die verschoven betekenis hebben de vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling (2004) voor andere formuleringen gekozen: men hult zich in een rouwkleed (Ester 4:1, NBV) of een boetekleed (Jona 3:8, NBV).
De uitdrukking wordt nog vaak gebruikt. Er wordt ook op gevarieerd, zoals in de volgende aanhaling: '20/9/85. Zat in zak en pijn voor de televisie. Getik op mijn raam [...]. Het was Simon!' (R. Rubinstein, Mijn beter ik, 1998 (1991), p. 172).

Liesveldtbijbel (1526), Ester 4:1. Doen Mardachai vernam al watter gesciet was, so scoorde hy sijn cleederen ende dede enen sac aen ende asscen ende ginc wt midden in die stadt. (Statenvertaling (1637): hy trock eenen sack aen met assche. De vorm met in zak en as komt alleen in de NBG-vertaling voor.)
De Uefa en nationale federaties zitten nu wellicht in zak en as. Maar dat is hun probleem. (De Standaard, dec. 1995)
Ik probeerde de christen-democraten een beetje opgewektheid bij te brengen, [... .] Ze zaten er [op een bezinningsweekend na de verkiezingsnederlaag] in zak en as bij elkaar. (NRC, 6-2-1999, p. 35)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

zak. Komische bastaardvloeken werden er gemaakt van bij Gods sacrament(en). Ik noem bij seven sacken krenten en o seuven sacken met krenten. Soms wordt deze verbasterde formule zelfs verkort tot gans seven, gans sacken en wat duysent secken. In al deze gevallen heeft de bastaardvloek zich tot een uitroep ontwikkeld. In het hedendaags Nederlands kennen wij nog ze kunnen mij de zak opblazen en je kan mijn zak opblazen, het pijpje hangt erbij! (Aangetroffen in Van Eijk 1978: 79.) Deze verwensingen betekenen ‘ik ben woedend en minacht je, hoepel op’. Meestal gaat met deze uitroep een gebaar gepaard: spottend de duim in de mond steken en bolle wangen maken (Andrea 1979: 135). In het zuiden van het taalgebied komt verder de substituutvloek honderd zakken gort voor de nonnen! voor. Hoewel dit een eufemisme is voor godverdomme, zorgen de vele o’s van deze vloek ervoor dat hij als uitlaatklep van woede en andere heftige emoties herkend wordt. In Hasselt kent men de verwensing bek mijn zak! hetgeen een ruwere variant is van kus mijn kloten! Het werkwoord bekken betekent net als het vulgaire kopkluiven, ‘zoenen, kussen’. Een jeugdige zegsvrouw gaf nog als verwensing op krijg de zak! De verwensing ga zakjes plakken! is geen Rotterdamse verwensing, zoals Sanders en Tempelaars (1998) suggereren. Zij komt in elk geval ook in Brabant en Utrecht voor. Zakkies plakken betekende ‘papieren zakjes vervaardigen door delen ervan met kleefstof te bestrijken en op andere delen vast te hechten. Eertijds als werk van gevangenen’. Vgl. WNT, deel xxvii, kolom 627. → gort, hond, non, opblazen, sacrament, steken, vallen.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zak, van ’t Germ. sakkus, ontleend aan ’t Hebr. sak, Gr. sakkos, Lat. saccus, Fr. sac. Door den handel op ’t Oosten werd het woord ingevoerd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zak ‘verpakkingsmiddel’ -> Fries sak ‘verpakkingsmiddel’; Macedonisch zak ‘oude Nederlandse maat voor graan (83,4l), Nederlandse naam voor hectoliter’; Zoeloe saka ‘verpakkingsmiddel’ ; Indonesisch sak, saku, zak ‘broekzak; verpakkingsmiddel, tas (voor cement)’; Ambons-Maleis sak ‘verpakkingsmiddel’; Boeginees ‘verpakkingsmiddel’; Jakartaans-Maleis sak ‘verpakkingsmiddel’; Javaans esak ‘zak (in kledingstuk)’; Kupang-Maleis sak ‘verpakkingsmiddel’; Madoerees sak, ēssak ‘verpakkingsmiddel, zak van een buis’; Menadonees sak ‘verpakkingsmiddel’; Minangkabaus sakuih-sakuih ‘(jas)zak’; Soendanees saku ‘verpakkingsmiddel’; Ternataans-Maleis sak ‘verpakkingsmiddel’; Singalees sākku-va ‘zak in kleding, baal’; Konkani sakku ‘verpakkingsmiddel’; Tamil sak ‘verpakkingsmiddel’; Japans sakku ‘koker (voor brillen); condoom, pessarium; vingerling, rubberen vinger’; Koreaans sakk'u ‘condoom’ ; Munsee-Delaware šàki:nótay ‘verpakkingsmiddel’; Negerhollands sak, saku, sakko ‘draagzak, zak (verpakkingsmiddel)’; Berbice-Nederlands saka ‘verpakkingsmiddel’; Skepi-Nederlands sak ‘verpakkingsmiddel’; Sranantongo saka ‘verpakkingsmiddel, tasje, baal’; Saramakkaans sáku ‘verpakkingsmiddel’; Arowaks sâka ‘verpakkingsmiddel’; Sarnami sáká ‘jutezak’; Surinaams-Javaans sakah ‘jutezak’ ; Surinaams-Javaans sak ‘verpakkingsmiddel’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † saku ‘draagzak, verpakkingsmiddel’ .

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

klooien [prutsen, stuntelen] (1961). In 1961 verschijnt de achtste druk van het woordenboek van Van Dale onder redactie van C. Kruyskamp. Hij is de eerste die in een woordenboek onder meer de volgende woorden opneemt: afwasmachine, flut, homofiel, klooien, ongesteld (‘menstruerend’), ontiegelijk, optutten, pleuren, schnabbelen, stress, stronteigenwijs en het scheldwoord zak.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zak verpakkingsmiddel 1100 [Taal en Tongval 12, 1999, 35ff] <Latijn

zak scheldwoord: onaangename vent 1961 [GVD]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

856. Dat sluit als een haspel in een zak,

d.w.z. dat raakt kant noch wal; dat sluit als een tang op een varken of zooals Tuinman I, 342 citeert: dat vlijt zich als een zak met haspels; en bl. 85: dat past als een haspel op een moespot; Halma, 208: Dat sluit als haspelen in eenen zak, dat sluit gantsch niet; Sewel, 319; vgl. fri.: de hispel past net op 'e brijpot, ongelijke zaken of personen passen niet bij elkaar. Bij Marnix, Byenc. 129 v: Dat sluyt als een haspel op een vleeschpot; in de 18de eeuw ook: op een doofpot. Vgl. nog Harreb I, 290; Ndl. Wdb. VI, 104.

117. In zak en asch zitten,

d.w.z. in rouw gedompeld zijn, doch in ironischen of schertsenden zin gebruikt, ook in de weinig ernstige gevallen van het dagelijksch leven. In bijbeltaal wordt de mensch gelijkgesteld met stof en asch van wege zijn nietigheid in vergelijking met den Almachtige. Vandaar dat de Israëlieten ten teeken van rouw, van verootmoediging zich het hoofd met asch bestrooiden, waarbij zij zich tevens hulden in een zak, d.i. een zwart haren kleed, zonder mouwen, alleen met armsgaten; vgl. bijv. Esther 4, 1: Als Mordechai wist al watter geschiet was, soo verscheurde Mordechai sijne kleederen, ende hy trock eenen sack aen met assche; 4, 3: (Er) was een groote rouwe onder de Joden..... Vele lagen in sacken, ende assche. Zie Ndl. Wdb. II, 117 en Zeeman, 53-54; Laurillard, 62 en zie nog Jerem. 6, 26; Jona 3, 6; Jes. 58, 5; Dan. 9, 3; Matth. 11, 21; vgl. fr. faire pénitence dans le sac et dans la cendre; hd. in Sack und Asche trauern, Busze tun; eng. to do penance in sackcloth and ashes.

515. Een duit in 't zakje doen,

d.w.z. medepraten, medespreken in de eene of andere zaak; eene beschuldiging verzwaren; eig. zijn aandeel in iets betalen, en vandaar recht van meepraten hebben; hetzelfde als een duit in de veêl steken (Tuiman I, 197); 17de eeuw zijn houtje bijbrengen (De Brune, Wetsteen, I, 107); een loodje in het zakje leggen of werpen (19de eeuwNdl. Wdb. VIII, 2705.). De uitdrukking komt bij Harrebomée II, 150 b voor: Hij komt ook nog een duit int zakje leggen, om er een oordje weer uit te halen (zie V. Janus, 95). Zulk een toevoegsel vindt men ook in de synonieme zegswijze, die bij Langendijk voorkomt in De Spiegel der Vad. Koopl. bl. 48 (Pantheon): ‘Vader, legje meê een oortje in 't zakje, en haalt 'r een schelling weêr uit’, welk laatste deel allen schijn heeft, van er later aan toegevoegd te zijn. Bij Sewel toch lezen we bl. 977: Hy wil meê een duit in 't zakje steeken, he wants to show his knowledge also. Vgl. ook de zuidnederlandsche zegswijze: een oordje in 't schotelken leggen, zijn woord spreken (Schuermans, 598 en Rutten, 160); altijd een oordje in de schaal te leggen hebben, altijd en aan alles iets op te merken, te beknibbelen vinden (De Cock1, 303); zijn boontje bijleggen, zijn woord willen te zeggen hebben (Waasch Idiot. 785); Ndl. Wdb. XI, 80. In het hd. is te vergelijken: seinen Dreier, seinen Dätzen dazu geben; sein Scherflein beitragen; seinen Senf zu etw. geben; eng. to contribute one's mite; to throw one's stone to the pile; in het fri. in duit mei yn 't ponkje (yn 't sekje, yn 'e fyoele) smite (of dwaen); in Drente: ook een cent in 't buultje doen, ook een handje helpen (Bergsma, 77).

1093. Een kat in den zak koopen,

d.w.z. iets koopen zonder het gezien te hebben; bedrogen uitkomen; mlat. non emitur tuto tibi clausa pecunia sacco. De spreekwijze lezen we bij Goedthals, 50: Men vercoopt gheene catten in sacken, on ne vend point chat en sac; bij Campen, 110: men sal die katte niet in den sack kopen. Zie ook Hooft, Brieven, 170; Willem Leevend II, 300 en vgl. het fri.: in kat yn 'e sek keapje en dy 't mei in boarre (of kater) yn 'e sek rint kin wol miene dat it in kat is, die met een' kater in den zak loopt, mag wel meenen dat het een kat is; iemand kan wel meenen, dat zijn uil een valk is (W. Dijkstra, 355). Ook in het hd. zegt men: die Katze (oder das Schwein) im Sacke kaufen; in het fr. acheter chat en sac (ou en poche); in 't eng.: to buy a pig (in Schotland a cat) in a poke; en in 't ital.: comprare la gatta in sacco. Zie Harrebomée I, 387 en III, 250; 411; Antw. Idiot. 625; Joos, 71; Waasch Idiot. 329 b; Teirl. 116: katten in zakken koopen; benevens W. Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven II, bl. 182; Wander II, 1184; Simrock, Handbuch der Deutschen Mythologie, § 128; Sloet, De Dieren in het Germ. Volksgeloof en Volksgebruik, 21; Volkskunde VI, 45; XV, 184; XXII, 59, waar voor den oorsprong der spreekwijze aan een sprookje wordt gedacht, wat onnoodig is, daar de uitdr. zich laat verklaren uit het feit, dat alleen zwarte katten waarde hebben voor den bontwerker.

1765. Met pak en zak vertrekken,

d.w.z. met alles wat men bijeen kan pakken en in zijn reiszak kan doen op reis gaan. De verbinding pak en zak kwam in de middeleeuwen reeds voor. Vgl. Mnl. Wdb. VI, 53; Plantijn: Sijn pack ende sack maken om heymelick te gaen strijken; Pamfl. Rogge II2, 124 (anno 1600): Dat een yeghelyck van stonden aen maecke syn pack ende syn sack ende setten hem aen de reyse; Van Lummel, 352:

 Syn soldaten deed' hy dregen
 Sack ende pack in de schans,
 Al hadden sy als boeren gevlucht.

Drieduym, d'Enckhuyser Ybocken, 52: Mijn pack en sack is al gereet, ick meen wel haest van hier te scheyden. Zie verder Sart. III, 10, 54: met sack met pack; De Brune, 471; Winschooten, 183; Sewel, 628; Ndl. Wdb. XII, 161; Waasch Idiot. 503 b; Antw. Idiot. 1955; De Jager, Lat. Versch. 420; Suringar, Erasmus, CCXL: pakken en zakken; Afrik. met sak en pak vertrek (aankom). In Zuid-Nederland gebruikt men hiervoor ook met bed en bult, met galg en rad, met klikken en klakken (Joos, 49; Schuermans, 33 b; 245 a; Claes, 114); zich hoopt en geduwen (of geknoopt) oppakken en vertrekken (Schuerm. Bijv. 127 b); hijsen en trijsen, haspen en spillen; fr. son sac et ses quilles (De Bo, 1185 a); fri. mei pak en sak; oostfri. mit sak un pak ûttrekken; voor het nd. zie Eckart, 442 en vgl. hd. mit Sack und Pack; eng. with bag and baggages; bag and sack; sack and pack. Zie no. 990.

2616. Een zak (een mud, een schepel) zout met iemand gegeten hebben,

d.i. langen tijd met iemand omgegaan hebben. Deze, nu eenigszins verouderde, zegswijze komt sedert de 16de eeuw in onze litteratuur voor, waarin zij ontleend is aan de klassieken. In het Grieksch wordt ze aangetroffen bij Aristoteles, lib. Moralium, VIII, c. 4 § 9; Moralium Eudemiorum, lib. VII, c. 2; Plutarchus, περι φιλαδελφιας, p. 482 B; in het Latijn bij Cicero, de amicitia, c. 19, 67: Verum illud est, quod vulgo dicitur, multos modos salis simul edendos esse, ut amicitiae munus expletum sit. Zie vooral Suringar, Erasmus, CXXXVI; Journal, 7; V. Wyss, 38 en vgl. Goedthals, 20: Niemant te betrauwen ghy en hadt met hem gheten een mueken sauts, devant que cognoistre un amy, menge un muy de sel avec luy; Campen, 2: Men sal niemant tot enen vrent verkiesen, men hebbe dan te voren veele schepel solts mit hem ghegeten, secht Cicero; De Brune, Bank. I, 333: Wie vaste vriendschap bouwen wilt, ete voor al eenighe muddekens zout met yemand, eer hy hem tot zijn vriend keurt; Cats I, 521: Al eer dat ghy een vrient betrout soo eet met hem een mudde sout; Tuinman I, 150; II, 56; Harreb. II, 490; III, 364; 419; Taal en Letteren III, 370; H.v.Z. 58: Bij die sal je geen zak zout ete; Groningen IV, bl. 207: Daar zijn zo eenige Latijnse woorden die voor elke stad- of lands-Groninger... als 't ware pasmunt zijn, ‘Vindicat’ is er een. ‘Mutua fides’ een ander; verder gaan er grif nog zulke als ‘riepe’ ‘intast’, ‘sikkom’, die al een zak zout met ons gegeten hebben en niet meer als vreempjes worden aangezien; Volkskunde XVI, 46; afrik. 'n sak sout met iemand opgëeet hê; Wander III, 1849; 1855; Grimm, VIII, 1706; Antw. Idiot. 812: hij zal daar geen meuken zout eten, hij zal er niet lang wonen; in het fri.: wy moatte earst ris in healsek sâlt mei elkoar op-iten habbe, wij moeten eerst een halven zak zout samen hebben opgegeten, voor wij elkaâr goed zullen kennen (W. Dijkstra, 349 aIn het Land v. Aalst zegt men: ge moet eerst nen tijd bij iemand geslapen hebben; vgl. Eckart, 397: se hebben noch gên söven Paskeier mitnanner êten.); hd. einen Scheffel Salz mit jem. gegessen haben; fr. avoir mangé un minot de sel avec qqn; Vgl. in Zuidndl. ergens niet veel botermelk (karnemelk) vuil maken, van dienstboden: niet lang blijven.

2617. Iemand den (of zijn) zak geven,

ook iemand den zak geven met de banden er bij (Harreb. II, 489 b; De Vries, 106), d.i. iemand wegzenden, zich van iemand ontslaan; in Zuid-Nederland: iemand den zak opgeven (De Cock2, 136); iemand zijn schoven opgeven (Antw. Idiot. 1083); den zak krijgen, weggezonden worden, zijn ontslag krijgen. Reeds in de middeleeuwen was enen sinen sac geven bekendMnl. Wdb. VII, 65., en werd het bepaaldelijk van een vrijer gezegd (fri. de koer (korf) op krije), in welken zin het in de 17de eeuw zeer gewoon was. Zie Campen, 106: ick will hem den sack gheven, waarnaast Sart. I, 9, 93 opgeeft: sijn sack nemen, uit den dienst ontslagen worden. Ter verklaring voegt hij er bij: ‘nostrates paroemiam à sacco traxerunt, in quem qui dimittitur, ,res suas componit ac colligit’, eene verklaring, die ook in het Ndl. Wdb. IV, 1924 gegeven wordtEene andere dan de hier gegeven verklaring vindt men bij Halbertsma, Letterk. Naoogst, 196 en De Roever, Van vrijen en trouwen, 130.. Voor bewijsplaatsen zie o.a. Sp. Brab. 776; V. Moerk. 113; Van Effen, Spect. VII, 63; X, 28; XI, 17; Sewel, 977: Den zak geeven, to casheer; Halma, 799: Den zak geeven, afdanken, laaten gaan, congédier, donner congé; Harreb. II, 489; afrik. iemand die sek gee; Waasch Idiot. 754: iemand zijnen zak geven, hem ontslaan, wegzenden. In de 17de eeuw ook iemand zakken, o.a. bij W.D. Hooft, Jan Salie II v: In oock kan ick meysjes dieder de knechts wel hebben om esackt. Volgens De Bo beteekent in West-Vlaanderen den zak krijgen, uit den biechtstoel weggezonden worden zonder absolutie; anders gezeid den knol krijgen, den smouter krijgen (zie no 2035); vgl. het fr. donner à qqn son sac et ses quilles en trousser, prendre son sac et ses quilles, welke uitdr. aan het kegelspel ontleend zijn; hd. einem den Sack geben; eng. to give the sack, the bag; to get the bag, the sack; to be sent packing; to sack a lover.

2618. In zijn zak steken,

gezegd van een bijtende toespeling, die iemand zich moet aantrekken, in de zegswijze: die kunt gij in uw zak steken, die is voor u, die kunt ge aanpakken, opsteken, waarvoor de Engelschen zeggen put that in your pipe and smoke it. In de 15de eeuw steeck dit in uwen asack (knapzakStallaert I, 42 a.); zie Leuv. Bijdr. IV, 227 (Anna Bijns): Knaecht myn beenken die wilt, ic werpt int hondert al; diet aengaet macht in zyn tessche steken; Winschooten, 235: Van een ander een drooge bokking krijgen, dat juist van de bijstanders soo niet gemerkt kan werden; dog die het raakt, die steekt se bij sig; C. Wildsch. III, 57: Nu dit bokkingjen (steek, hatelijk gezegde) kan je in je zak steeken: zie ik ben recht en slecht; bl. 342: Dat dacht ik kan je in je zak steeken, Mijnheer Wildschut; Harreb. II, 488 b; Nw. School, VI, 13: Die kunnen we in onzen zak steken, niet!; Heijermans, Ghetto, 17: Die ken je in je zak steeke en vanmiddag thuis laate zien; Waasch Idiot. 753: dat steek ik in mijn zak, dat zal ik onthouden; vgl. het hd. eine Beleidigung einstecken; eng. to pocket an insult; to put in one's pocket; fr. empocher des coups, slagen krijgen; fri. yn 'e bûs stekke. Vgl. ook de uitdr. die zit! die opmerking heb je te pakken, die is raak (Nederland, 1914 II, 20), een beeld ontleend aan 't biljartspel (?).

2619. Onder in den zak vindt men de rekening,

d.w.z. de onaangename gevolgen komen achteraan; het einde draagt den last; vgl. Tuinman I, 136: 't Gaat met vriendschap en genoegen toe zo lang die (koopers) op de merkt koopen, en de verkoopers leveren. Maar onder in den zak vind men de rekening; bl. 240: Het einde kroont het werk, maar 't gebeurt ook wel, dat het einde den last draagt en onder in den zak vind men de rekening; Harreb. II, 217; De Telegraaf, 28 Nov. (avondbl.) 1914 p. 1 k. 4: Sinte Anna gaat nu deure, mijn geld en goed is op, ik zitte hier en treure en scharte in mijnen kop. Dat is 't spreekwoord ‘onder in den zak vindt men de rekening’ heel eigenaardig uitgedrukt; fri. hy fynt de rekken onder yn 'e pong.

2620. Iemand (of iets) in den (of zijn) zak hebben,

d.w.z. iemand of iets door en door kennen, iemand doorzien; ook: iemand de baas zijn; vgl. hd. einen im Sack haben, als Meister nach Belieben über ihn schalten und walten können; einen in den Sack stecken oder schieben, ihm an Kräften überlegen sein, auch von geistigen Dingen ‘Die Redensart hat ihren Ursprung jedenfalls in einer besondern Art von Ringkämpfen, wobei der Besiegte vom Sieger wirklich in einen Sack gestoszen oder gesteckt wurde’ (Borchardt no. 996); Schrader, 303: Einen aus und in den Sack stecken, spielen, d.i. sich ihm so überlegen zeigen wie ein Ringkämpfer, der den überwundenen Gegner wie zum Spasze bald aus dem Sack herausnimmt, bald wieder hinein schiebt.’ Vgl. Sewel, 977: Ik heb u al in myn zak, ik heb u al leeren kennen, I have you in my books, I remember you; Harreb. II, 489: Ik heb hem in mijn' zak, ik ken hem door en door; blz. 499: Ik kan hem wel in mijn zak steken (of stoppen); Het Volk, 22 Januari 1919 p. 1 k. 3: Over zaken waar hij niets van weet oreeren met een zekerheid alsof hij ze van haver tot gort in den zak heeft; Nest, 104: Loop naar de Mookerhei, Jan Jurk met je verrekrok. Ik heb je al lang in den zak, hottentot! M. de Br. 65: Ze had de juffrouw in haar zak. De meisjes hadden gelijk dat ze een hekel aan haar hadden; bl. 67: Ze hoefde niet vriendelijk tegen haar te zijn. Martha had haar toch al in haar zak; De Gids, 1914, 3, bl. 436: Hildebrand, die alles ten goede leidt, de wijsheid in pacht en iedereen ‘in zijn zak’ heeft; De Nieuwe Amsterdammer, 26 Dec. 1914 p. 11: Woedend deelde hij mede dat al de directeuren niksnaksen en dikdoeners waren. ‘Hij had ze in zijn zak,’ riep hij uit! Propria Cures, 24 April 1915, blz. 253: Ik heb de meisjes in m'n zak: òf hypocriet òf veel te mak; Handelsblad, 23 April 1922 (O) p. 6 k. 4: Denis had, wat men noemt de Engelschen in zijn zak, wat meer nog zegt als men weet dat hij den bekenden Egyptenaar Hogan als linksbuiten tegenover zich zag; De Vrijheid, 5 April 1922, 3de bl. p. 1 k.: Wij, cynici op de perstribune, die het klappen van de zweep kennen, die de heeren allemaal in onzen vestjeszak dragen, wij hebben er (voor 't binnenkomen der Kamerleden als 't belletje gaat) een technischen term voor ‘De landstorm komt binnen’; afrik. iemand in die sak hê (kry), met iemand kunnen doen wat men wil. Voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 1234: iemand in de tes(ch) hebben, zijn inzicht raden, begrijpen wat hij wil (Schuermans, 720); Waasch Idiot. 753: iemand in zijnen zak hebben, goed kennen; iemand in den zak steken, bedriegen (evenzoo bij De Bo en Antw. Idiot.); Rutten, 88: iemand in zijne mouw hebben, hem wel kennen (zie no. 1562 en vgl. fr. avoir (ou tenir) qqn (ou qc) dans sa manche, over iemand of iets beschikken, in zijn macht hebben (vgl. voor den overgang der bet. iemand of iets snappen, begrijpen); être dans la manche de qqn, in iemands macht zijn; eng. to have something in one's pocket, het geheel in zijn macht hebben; oostfri. hê stekt of ferköft hum in de sak; nd. ên in 'r Taske hebb'n. Vergelijkt men deze uitdrr. met elkander, dan is de door Borchardt en Schrader gegeven verklaring niet zeer waarschijnlijk. Men zal wel moeten uitgaan van de bet. over iets of iemand kunnen beschikken; er de baas over zijn; zijn meerdere zijn; hem doorzien.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal