Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zaak - (ding; kwestie; bedrijf)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zaak zn. ‘ding; kwestie; bedrijf’
Onl. saka ‘kwestie; reden’ in sara (lees saca) bittera ‘een bittere kwestie’, sunder saca gerihtoda ik herta min ‘ik hield tevergeefs mijn hart zuiver’ [beide 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. sake ‘kwestie; ding; oorzaak, reden; handeling, daad, handelwijze’ in in saken uan haueleker scult ‘in (gerechtelijke) kwesties over geldschuld’ [1237; VMNW], uan uercrachtinghen ... diften ... ualsheiden ... manslahte of uan andren saken derre gelike ‘van verkrachtingen, diefstal, vervalsing, moord of van andere dergelijke zaken’ [1237; VMNW], Si dat sake dat .iij. man of me vechten ieghen een ‘als drie man of meer vechten tegen één’ [1254; VMNW], om wat saken ‘waarom’ [1265-70; VMNW], ‘daad’ in Welnaer quade sake Hadden wi gedaen an desen man ‘bijna hadden wij aan deze man een slechte daad bedreven’ [1300-25; MNW-R]; nnl. zaak ook ‘transactie, handel’ in Zal 'er nog wel een zoet kapitaaltje overschieten, schoon de zaaken zeer zyn verloopen [1760; iWNT], ‘zakelijke activiteiten’ in 't ontbyt gereedmaken voor hy naar z'n “zaken” gaat [1862; iWNT], ‘bedrijf’ in dat de zaak een failliet nabij was [1880; iWNT].
Os. saka (mnd. sake); ohd. sahha (nhd. Sache); ofri. seke, sake (nfri. saak); oe. sacu (ne. sake); on. sök (nzw. sak); alle oorspr. ‘strijd, vete, rechtszaak e.d.’, met in de afzonderlijke talen betekenisverruiming; < pgm. *sakō-. Daarnaast staat pgm. *sakjō(n)-, waaruit: ohd. secka; oe. sæc; got. sakjo (met vergelijkbare betekenissen).
Afleiding van het sterke werkwoord pgm. *sakan- ‘gerechtelijk twisten; berispen, beschuldigen’, waaruit: os. sakan; ohd. sahhan; ofri. seka; oe. sacan; got. sakan. In het Nederlands is dit werkwoord alleen overgeleverd met voorvoegsels, zie → verzaken.
Wrsch. gaat de betekenis van pgm. *sakan- via ‘een gerechtelijk onderzoek uitvoeren’ terug op algemener ‘uithoren, uitzoeken, opsporen e.d.’. Het woord is dan ablautend verwant met → zoeken en verder met: Latijn praesāgīre ‘een voorgevoel hebben, voorspellen’, sāgīre ‘bespeuren, scherp waarnemen’; Grieks hēgeĩsthai ‘leiden, wegwijzen’ (zie ook → exegeet en → hegemonie); Oudiers -saig ‘opsporen, zoeken’; Hittitisch šagāi- ‘voorteken’; < pie. *sh2ǵ-, *seh2ǵ-, *soh2ǵ-, ‘een spoor volgen’ (LIV 520).
De oorspr. betekenis ‘strijd, rechtszaak’ is nog steeds gangbaar, vooral in samenstellingen, zoals rechtszaak, moordzaak. Hieruit ontstonden al vroeg diverse algemene betekenissen. Zeer gangbaar werd de betekenis ‘kwestie, aangelegenheid, situatie’, vooral in allerlei vaste verbindingen, zoals een goede zaak, dat is mijn zaak, binnenlandse zaken, ter zake komen. Middelnederlands is ook de betekenis ‘oorzaak, reden’, maar deze komt nu alleen nog voor in de afleiding → oorzaak. Via Middelnederlands en Vroegnieuwnederlands ‘handeling, daad’ ontstond in het Nieuwnederlands de betekenis ‘transactie, handel’, zoals in zaken doen, zakenreis en vervolgens bij uitbreiding in de 19e eeuw ‘firma, bedrijf’ en ‘winkelpand, bedrijfsvestiging’ zoals in kledingzaak, kapperszaak. De algemene betekenis die zaak intussen had gekregen, is ‘iets wat geen dier of mens is’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zaak* [voorwerp, handeling] {oudnederlands saca 901-1000, middelnederlands sake, saec(ke) [rechtszaak, oorzaak, zaak]} oudsaksisch săka, oudhoogduits sahha, oudfries sĕke, săke, oudengels săcu, oudnoors sǫk; het woord heeft in de eerste plaats betrekking op de rechtspraak en is verwant met zoeken; vgl. voor de betekenis vonnis en rechtsvinding; buiten het germ. latijn sagire [snel voorzien, snel voelen], oudiers saigim [ik bereik, probeer te bereiken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zaak znw. v., mnl. sāke v. ‘rechtszaak, aangelegenheid, gebeurtenis, zaak, oorzaak, reden, aanleiding, wijze’, onfrank. saca v. ‘res, causa’, os. saka v. ‘strijd, vervolging, rechtszaak, zaak, schuld’, ohd. sahha v. ‘rechtszaak, zaak, oorzaak’ (nhd. sache), ofri. seke, sake v. ‘vete, rechtszaak, manier van procesvoeren, aanklacht, schuld, zaak’, oe. sacu v. ‘strijd, rechtsstrijd, kwelling, vervolging, schuld’ (ne. sake), on. sǫk v. ‘rechtszaak, aanklacht, proces, misdrijf, schuld, zaak, oorzaak’ < germ. *sakō, waarnaast *sakjōn in got. sakjō v. ‘strijd, twist’. — Het woord behoort bij het sterke ww. *sakan vgl. os. sakan ‘beschuldigen’, ohd. sahhan ‘strijden, twisten, aanklagen’, oe. sacan ‘twisten, aanklagen’, got. sakan ‘strijden, twisten’, vgl. de samenstelling verzaken, mnl. versaken, os. forsakan ‘loochenen, afstand doen van, verzaken’, oe. forsacan ‘weigeren, afslaan’ (ne. forsake). — Een denominatief is het zwakke ww. oe. sacian ‘twisten’, on. saka ‘aanklagen, berispen, benadelen’; vgl. verder nog got. gasahts v. ‘verwijt’. — oiers saigim ‘zoek’, lat sāgiō ‘bemerken, vermoeden’, săgāx ‘scherpzinnig’ (IEW 876). — Zie ook: zoeken.

Men gaat dan uit van de bet. ‘(snuffelend) het spoor vervolgen’, dat men als een oude jagersterm opvat en kan dan vandaar komen tot ‘vervolgen (in vijandige zin)’, waaruit zich zowel ‘vechten’ als ook ‘een aanklacht indienen en procesvoeren’ ontwikkeld hebben.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zaak znw., mnl. sāke v. “rechtszaak, aangelegenheid, gebeurtenis, zaak, oorzaak, reden, aanleiding, wijze”. = onfr. saca v. “res, causa”, ohd. sahha v. “rechtszaak, zaak, oorzaak” (nhd. sache), os. saka v. “strijd, vervolging, rechtszaak, zaak, schuld”, ofri. seke, sake v. “veete, rechtszaak, manier van procedeeren, aanklacht, schuld, zaak”, ags. sacu v. “strijd, rechtsstrijd, kwelling, vervolging, schuld” (eng. sake), on. sǫk v. “rechtszaak, aanklacht, proces, misdrijf, schuld, zaak, oorzaak”, germ. *sakô- v., waarnaast *sakjôn- in got. sakjo v. “strijd, twist”. Bij ’t sterke ww. ohd. sahhan “strijden, twisten, aanklagen, terechtwijzen”, os. sakan “beschuldigen”, ags. sacan “twisten, aanklagen”, got. sakan “strijden, twisten”, ndl. nog in verzaken, mnl. versāken (zwak; ohd. fir-sahhan, os. for-sakan “loochenen, afstand doen van, verzaken”, ags. for-sacan “weigeren, afslaan”, eng. to forsake zijn nog sterk; mnl. ook be-, mis-, ont-sāken, zwak; nog deelw. missēken naast missaect), waarnaast het denominatieve ags. sacian “twisten”, on. saka (zwak) “aanklagen, berispen, benadeelen”. Hierbij nog ’t nomen actionis got. ga-sahts v. “verwijt” (: ga-sakan “dreigen”). Gew. gaat men van de bet. “met woorden twisten, spreken (voor ’t gerecht)” uit en combineert ier. saigid “hij spreekt”. Zie zoeken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zaak (slot). Ier. saigid ‘hij spreekt’ bestaat niet: Pedersen KGr. II, 606. Zie zoeken Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zaak v., Mnl. sake, Onfra. saca, Os. saka + Ohd. sahha (Mhd. sache, Nhd. id.), Ags. sacu (Eng. sake), Ofri. seke, On. sǫk (Zw. sak, De. sag), Go. sakjo = twist, rechtsgeding, zaak (Voor de bet. cf. ding en Lat. causa, Fr. chose). In zoeken heeft men den st. gr. van denz. wortel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zaak (zn.) kwestie, bedrijf; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) saak, Aajdnederlands saca <901-1000>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

saak: aangeleentheid, gebeurtenis; regsaak; handelsonderneming; Ndl. zaak (Mnl. sāke), Hd. sache, Eng. sake; hoofs. Germ.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zaak (de -- is een belangrijke) (vert. van Engels the matter is an important one)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zaak, van den Germ. wt. sak = strijden voor ’t gericht. Een „zaak” was dus oorspr. een rechtsgeding of verkort: een ding; zoodat zaak en ding, thans met zeer algemeene bet., nog synoniem zijn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zaak ‘voorwerp, handeling; kwestie, aangelegenheid’ -> Negerhollands saake, saek ‘voorwerp, handeling’; Sranantongo sâk ‘kwestie, aangelegenheid’; Surinaams-Javaans sag ‘voorwerp, handeling’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zaak* rechtszaak 0701-800 [Lex Salica]

zaak* voorwerp, handeling 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2621. Gedane zaken nemen geen keer,

d.w.z. als iets geschied is, valt er niets meer aan te doen, is het niet ongedaan te maken en moet men de gevolgen dragen; vgl. Odussea VI, 9, 249; lat. factum fieri infectum non potest; praeterita mutare non possumus; mnl. ghesciede saken en mach men onghesciet niet maken; Vondel, Herkules, 750: Niemant kan wat eens gedaan is, weêr ontdoen; Sewel, 382: Gedaane dingen hebben geen keer, done things can 't be done over again; Harreb. I, 390; Ndl. Wdb. III, 2729; VII, 1963; hd. was geschehen ist, kann mann nicht wenden; fr. à chose faite il n'y a pas de remède; eng. there is no help for spilt milk.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut