Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zaag - (getand snijwerktuig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zaag zn. ‘getand snijwerktuig’
Onl. saga in een afgeleide betekenis ‘zaagrecht’ als glosse in jus illud quod sach appellatur in sylva Buckenholt ‘dat recht dat ’zaagrecht‘ genoemd wordt in het bos Buckenholt’ [1125; ONW]; mnl. de ablautende vorm sege [1240; Bern.].
Mnd. sage: ohd. saga; ofri. sage (nfri. seage, sage); oe. sagu, saga (ne. saw); on. sög (nzw. såg); < pgm. *sagō-. Daarnaast staat een minder wijdverbreide ablautvariant *segō-, waaruit: mnl. seghe; ohd. sega (nhd. Säge).
Zie ook → zeis, → zeil.
De wortel pgm. *seg-/sag-, met variant *sah- zonder grammatische wisseling (als in *sahsa- ‘kort zwaard, mes’, zie → mes), is afgeleid van de wortel pie. *sekh1- ‘snijden’ (LIV 524) en is verwant met: Latijn secāre ‘snijden’ (zie → sectie); Litouws pasė́kelis ‘grote smidshamer’; Oudkerkslavisch sěšti (1e pers. ev. sekǫ) ‘snijden, hakken’ (Russisch seč'); Middeliers eiscid ‘snijdt af’. Via een betekenisontwikkeling ‘afscheiden’ > ‘onderscheiden’ zijn vermoedelijk ook Latijn scīre ‘weten’ en Hittitisch šākk- ‘opletten, weten’ verwant.
zagen ww. ‘met een zaag (be)werken’. Mnl. saghen ‘zagen’ in Jtem van zaghene vj sol ‘... zes schelling voor het zagen’ [1284; VMNW], Dedine saghen mids ontve ‘liet hij hem doormidden zagen’ [1285; VMNW]. Afleiding van zaag.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zaag* [getand werktuig] {sage, sege 1201-1250} oudhoogduits saga, oudengels sagu, oudnoors sǫg en ablautend middelnederlands sege, oudhoogduits sega; buiten het germ. latijn securis [bijl], secare [snijden], oudiers éscid [hij snijdt], oudkerkslavisch sěšti [hakken]; van dezelfde herkomst zijn o.a. het tweede lid van mes en zeis.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zaag znw. v., mnl. sāghe v., mnd. sāge,ohd. saga, oe. sagu, sage (ne. saw), on. sǫg. Daarnaast abl. mnl. sēghe, (vgl. maastr. zēg), ohd. sega (nhd. säge) v. — lat. securis ‘bijl’, osl. sekyra, sěčivo ‘bijl’. — Eig. ‘instrument om te snijden’ van de idg. wt. *sek ‘snijden’, vgl. lat. secāre ‘snijden’, saxum ‘rotsblok’ (zie daarvoor: mes), miers tescaid (< *to-eks-sk-) ‘snijdt, bijt’, oiers seiche v. ‘huid, vel’ (vgl. on. sigg ‘harde huid’), osl. sěką, sěšti ‘snijden’. — zie: zagen, zegge, zeil, zeis en zicht 1.

De wt. *sek heeft verschillende afleidingen, waarvan echter sommige mobiele s vertonen en dus niet stellig met *sek verbonden kunnen worden:
*sked vgl.: schateren
*skel vgl.: schel 1
*sker vgl.: scheren
*skei vgl.: scheiden
*skeu vgl.: schuren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zaag znw., mnl. sāghe v. = ohd. saga, mnd. sāge, ags. sagu, sage (eng. saw), on. sǫg v. “zaag”. Hiernaast met ablaut mnl. sēghe (gloss. bern.; nog Maastr. zēg), ohd. sëga (nhd. säge) v. “zaag”. Van de idg. basis seq-, waarvan buiten ’t Germ. o.a. ier. tescim, do-escim (*to-ess-secim) “ik snijd”, lat. seco “id.”, obg. sěką, sěšti “hakken”, lit. į-sekti (ė?) “insnijden”, alb. šatɛ “houweel”, misschien ook ier. seche, seiche “huid” (voor de bet. vgl. lat. corium “id.”, dat gew. bij (s)qer- “snijden”, zie scheren, wordt gebracht), in dat geval ook on. sigg o. “harde huid”, verder uit ’t Germ. nog ohd. sëh o. “ploegschaar, houweel”, suoha, suohha v. “eg, vore” e.a. woorden, bij mes, zegge, zeil, zeis, zicht I besproken. Allerlei met sq- beginnende idg. bases voor “snijden” (zie schaven, scheiden, schel I, scheren, schuren) kunnen verlengingen zijn van seq-.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zaag v., Mnl. saghe + Ohd. met abl. sega (Mhd. sege, Nhd. säge), Ags. sage (Eng. saw), On. sǫg (Zw. såg, De. sag): Germ. wrt. seh + Lat. securis = bijl, secare = snijden, Oier. tescim = snijden, Osl. séšti = hakken: Idg. wrt. seq.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zeeg (zn.) zaag; Vreugmiddelnederlands sege <1101-1200>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1saag s.nw.
Stuk gereedskap bestaande uit 'n plat strook of skyf metaal wat aan die een- of buitekant getand is sodat dit met 'n heen-en-weer of roterende beweging deur iets kan sny.
Uit Ndl. zaag (1539). Eerste optekening in Afr. by Postma (1896) in die samestelling ysterzaag.
D. Säge (9de eeu), Eng. saw (1000).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

saag: getande snywerktuig; Ndl. zaag (Mnl. sāghe), Hd. säge, Eng. saw, hou verb. m. Lat. secāre, “sny”, hierby ww. Ndl. zagen (Mnl. sāghen), Hd. sägen, Eng. saw, Afr. saag/sae.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

zaag: (in Vlaanderen) zeurkous; zaniker. ‘Wat een zaag van een vent’. De uitdrukking een zaag spannen betekent: zeuren, zaniken.

Komt dien ouwe zaege ook op je verjaerienge? (H.C.M. Ghijsen, Woordenboek der Zeeuwse dialecten, 1964)
En als man die twee grote fabrieken uit de grond had gestampt, kon hij allesbehalve een uil genoemd… alleen maar een zaag, want zijn ‘recht op antwoord’ in Recht En Vrijheid besloeg meestal twee volle pagina’s dor en droog proza… (Louis Paul Boon, Pieter Daens of hoe in de negentiende eeuw de arbeiders van Aalst vochten tegen armoede en onrecht, 1971)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zaag, van den Idg. wt. sek = snijden (vgl. Lat. secare = snijden; secans = snijlijn); verwant zijn ook saks: het zwaard der Saksen; sikkel; zicht; zeis.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zaag ‘getand werktuig’ -> Deens sav ‘getand werktuig’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests saag ‘getand werktuig’ (uit Nederlands of Nederduits); Ewe saka ‘getand werktuig’; Noord-Sotho saga ‘getand werktuig’ ; Tswana šagê ‘getand werktuig’ ; Zoeloe saha ‘getand werktuig’ ; Zuid-Sotho saga ‘getand werktuig’ ; Papiaments za, zag (ouder: zaag, zar) ‘getand werktuig; (verouderd) zwaardvis’; Sranantongo sa ‘getand werktuig’; Akawaio en Arekuna saga, saka ‘getand werktuig’ ; Karaïbisch sasa ‘getand werktuig’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zaag* getand werktuig 1101-1200 [Tavernier]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut