Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zaad - (kiem; sperma)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zaad zn. ‘kiem; sperma’
Mnl. saet ‘zaad’ [1240; Bern.], van mens, dier of plant, in jn den sturtene dies saeds ‘bij het ejaculeren’ [1276-1300; VMNW], men neme tsaet van macopine ‘men neme het zaad van de papaver’ [1287; VMNW].
Os. sāth (mnd. sāt); ofri. sēd (nfri. sied); oe. sǣd (ne. seed); on. sád, sæði (nzw. säd); alle ‘zaad’, met overdrachtelijke betekenissen als ‘het zaaien; zaadveld; opbrengst’; < pgm. *sēdi- (o.).
Daarnaast staat een stamvariant pgm. *sēda- (v.), waaruit: ohd. sāt ‘zaad; het zaaien’ (nhd. Saat ‘zaad’); on. sáð ‘kaf’; on. saðir ‘zemelen’ (nzw. sådor); got. mana-sēþs ‘mensheid, wereld’ (letterlijk ‘mensenzaad’).
Met grammatische wisseling ontwikkeld uit pie. *seh1-ti-, -to- en afgeleid van de wortel van → zaaien. Eveneens met dentaal: Latijn satus ‘het zaaien; zaad’ < pie. *sh1-tu-. Met ander achtervoegsel Oudiers sīl ‘zaad’ < pie. *seh1-lo-. Wijder verbreid is pie. *s(e)h1-m(e)n- ‘zaad’, waaruit: Oudhoogduits sāmo ‘zaad’ (Nieuwhoogduits Same(n)); Latijn sēmen ‘zaad, kiem’ (zie ook → inseminatie); Litouws sė́menys ‘lijnzaad’; Oudkerkslavisch sěmę ‘zaad’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zaad* [kiem, teelvocht] {saet 1201-1250} middelnederduits sāt, oudsaksisch sād, oudhoogduits sāt, oudfries sēd, oudengels sæd, oudnoors sāð; bij zaaien. De uitdrukking op zwart zaad zitten [zonder geld zitten] is eig. gezegd van kanaries, die al het witte zaad in hun bakje hebben opgegeten, zodat enkel het zwarte, dat zij minder lekker vinden, over is.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

zaad

Hoe vreemd het ook klinkt, de laatste letter van het woord zaad schijnt de rest van een oud achtervoegsel te zijn en hoort dan eigenlijk niet bij het woord. Vandaar dat het bijbehorende werkwoord luidt: zaaien en niet zaden. Hetzelfde vindt men bij gloed en gloeien. Men gebruikt het woord zaad voor plantaardig, dierlijk en menselijk voortbrengsel dat dezelfde soort doet ontstaan. Vandaar dat zich allerlei betekenissen om het woord rangschikken. Men gebruikt het voor: graan, maar ook voor: kiem, oorsprong, nakomelingen en in het Gotisch zelfs voor: mensheid. Men kent uit de bijbel: Abrahams zaad voor: de Israëlieten en gewoon zijn allerlei zegswijzen als: het zaad der tweedracht, op zwart zaad zitten, hetgeen betekent: geen geld hebben (kanaries schijnen aan wit zaad de voorkeur te geven) en andere.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zaad znw. o., mnl. saet, os. sād, ofri. sēd, oe. sæd (ne. seed), on. sāð < germ. *sēða. Daarnaast staat *sēði in mnd. sāt v. ‘het zaaien, zaadkorrel, zaadveld’, ohd. sāt v. ‘het zaaien, zaad’ (nhd. saat) got. manasēps v. ‘mensheid, wereld’. Hetzelfde woord met de bet. ‘kaf’ is on. sāð v., nzw. sådor, nde. saa(d)er. — Een dentaal-afl. van de idg. wt. *sē ‘zaaien’, waarnaast met korte klinker kymr. hād (< *sătā), ‘zaad’, lat. sătus ‘het zaaien, zaad’, sătum ‘zaad’. — Zie: zaaien.

Een andere afl. is Kiliaen saemen (Germ. Sax. Sicamb.), os., ohd. sāmo m. (nhd. samen) ‘zaad’ = lat. semen, osl. sĕmę ‘zaad’, lit. pl. sė́mens ‘lijnzaad’, opr. semen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zaad znw. o., mnl. saet (d) o. m. = os. sâd o., ofri. sêd (o., blijkens nieuwfri. sied o.), ags. sæ̂d o. (eng. seed), on. sâð o. “zaad”, germ. *sê-ða-. Hiernaast *sê-ði-: mnd. sât v. “’t zaaien, zaadkorrel, zaadveld” (wellicht ook mnl. = “graangewas”), ohd. sât v. “het zaaien, zaad” (nhd. saat), got. mana-seþs v. “menschheid, wereld”, met afwijkende bet. on. sâð v. “kaf”. Bij zaaien. Hierbij ook ’t oudere woord Kil. saemen (“Germ. Sax. Sicamb.”), Teuth. saym, ohd. sâmo (nhd. same), os. sâmo m. “zaad”, op het geslacht na = lat. sêmen (Sêmônês m. mv. “zaadgoden”), obg. sěmę, lit. sé̇mens mv. (m. geworden; in deze taal is ’t o. geslacht geheel verdwenen), opr. semen o. “id.”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zaad o., Mnl. saet, Os. sâd + Ohd. sât (Mhd. id., Nhd. saat), Ags. sǽd (Eng. seed), Ofri. séd, On. sád: alle onz. a-stammen; hierbij vr. i-stammen Mndd. sat, Ohd. sât, On. sád (Zw. säd, De sæd), Go. seþs: staat tot zaaien als naad tot naaien.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zaod (zn.) zaad; Vreugmiddelnederlands saet <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

saad s.nw. Ook saat.
1. Voortbrengsel by 'n plant waaruit 'n soortgelyke plant ontkiem. 2. Semen. 3. Begin, oorsaak, oorsprong. 4. Afstammeling, kinders.
Uit Ndl. zaad (1536 in bet. 1, 1546 in bet. 2, 1548 in bet. 3, 1559 in bet. 4). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die samestellings saadgars, saadhawer, saadkoring en saadrog.
D. Saat (9de eeu), Eng. seed (825).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

saad: – saat – , mv. ondersk. sade, sate, “plantontkiemingstof; nageslag; lewensbron v. mens, dier en plant”; Ndl. zaad (Mnl. saet, by Kil saed), Hd. saat, Eng. seed, hou verb. m. saai III en m. Lat. sēmen, “saad”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zaad ‘nakomelingen’ (bet. van Latijn semen)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

zaad. In studententaal is de verwensing slik mijn zaad! opgetekend. De emotionele betekenis ervan is zo iets als ‘ik kots van je, rot op’.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zaad van zaaien; als naad van naaien; gloed enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zaad ‘kiem, teelvocht’ -> Negerhollands saat, sāt, saed ‘kiem, teelvocht, kern’; Berbice-Nederlands sati ‘kiem, teelvocht’; Sranantongo sât ‘vogelzaad’; Surinaams-Javaans sat ‘kiem, teelvocht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zaad* kiem, teelvocht 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1362. Iemand de les lezen,

d.w.z. iemand eene flinke berisping toedienen; mnl. enen onderwisen of enen ene lesse lesen, iemand eene vermaning of een voorschrift geven, hem iets voorschrijven; ook: iemand onder handen nemen, hem berispen. Onder les moet eig. verstaan worden de voorlezing van de wettelijke bepalingen in de kloosters of eene andere geestelijke vereeniging. Vgl. het ndl. en hd. einem den Tekst lesen, die Leviten lesen; verder einem eine Lection lesen, einem das Kapitel lesen en ndl. iemand kapittelen; mnl. enen die prime (eig. de eerste der getijden) lesen; Servilius, 209: Ick sal u uwen text lesen; De Brune, 129: Hy heeft zyn les hem wel ghezonghen. In de 17de eeuw: iemand de grammatica lezen (V. Moerk. 549 en Tuinman I, 80). In Limburg zegt men iemand de les oplezen (Welters, 101); in Friesland: immen it leksum lêze of immen it mannewaer (manuaal) opsizze (W. Dijkstra, 424 a); in Groningen: iemand de leks oplezen; in Zuid-Nederland: iemand zijnen struik (stamboom) uitleggen (Waasch Idiot. 638 a); iemand zijn eieren, zijn zaad, zijn zaligheidZie Brieven van Abr. Bl. I, 121., zijn acht zaligheden geven of zeggen (Waasch Idiot. 204 a; Schuerm. 877 a; De Bo, 1418; 't Daghet XII, 127); iemand zijn kapittel (of evangelie) voorlezen ('t Daghet XII, 187); iemand zijne zeven hoofdzonden opzeggen (Schuerm. Bijv. 126 a; Breuls, 92); iemand de les opzeggen, opspellen (Schuerm. Bijv. 223 b; Antw. Idiot. 756) of opleggen; iemand de les spellen (Joos, 73; Teirl. II, 208; Antw. Idiot. 756); iemand den boel opschuppen (Schuerm. 64 a). In Twente: eenen de getiden opzeggen of veurlèzen. Zie no. 1081; Ndl. Wdb. VIII, 1614; Villiers, 72; fr. faire la leçon à qqn; eng. to lecture a p.; to read some one a lecture.

2611. Op zwart zaad zitten (of geraken),

d.i. zijn vermogen kwijt zijn of raken; bekrompen moeten leven, te weinig hebben om te leven en te veel om te sterven; uit zijne betrekking ontslagen zijn; eig. van vogels, met name kanaries gezegd, ‘die al het witte zaad in hun bakje hebben opgegeten, zoodat alleen het zwarte overblijft, dat zij minder lekker vinden’; Ndl. Wdb. IV, 1625; XI, 290. In Zuid-Nederland op droog zaad zitten of op het droge zitten (hd. auf dem Trocknen sitzen). Zie Harreb. II, 485 a; III, CLII; Schoolm. 30: Terwijl hij zijn buik als een pakschuit op marktdag laadt en zijne ouders vertroost met de hoop op zwart zaad; bl. 137: Woont hij soms bij een boer in of gepensioneerden soldaat of bij een verloopen domenee op zwart zaad; Onderm. 85; Barb. 61: Prosper Bien-Aimé, pensionhouder met tien leege kamers en geen enkelen huurder zit op het allerzwartste zwarte zaad; Nkr. VII, 17 Mei p. 3:

Als j' op den troon
 Van maar zoo'n kleinen staat zit,
 Dan snap ik best, dat j' op t' eind van de maand
 Verschrikkelijk op zwart zaad zit.

Groot-Nederland, 1914, bl. 393: De Europeesche toestand zette me op zwart zaad; bl. 444: Wel alle jezis... eerst 'n end met me traktement de laagte in en nou op zwart zaad; Handelsblad, 30 Mei 1915 (ochtendbl.) p. 6 k. 5: De kunstenaar zit op zwart zaad, want alles gaat per automaat; Joos, 94; Antw. Idiot. 381; Loquela, 367; in het fri.: op swart sied sitte of op 'e doppen sitte; Twente: op de bolstern zitten; vgl. de uitdr. op water en brood zitten, vroeger te water en broode, mnl. te borne ende te brode, van gevangenen gezegd; Ndl. Wdb. III, 1538. Schertsender wijs noemt men dit ook op witten wijn en tulband zitten (Harreb. II, 348 a). Voor 't fr. zie Nyrop IV § 339.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut