Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wuiven - (zwaaien)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wuiven* [zwaaien] {weiven, woeiven [zwaaien] 1285, wuiven 1663} met dialectische ui < ei, vgl. oudhoogduits weibon, oudengels (be)wæfan, oudnoors veifa [zwaaien], gotisch biwaibjan [omwikkelen]; buiten het germ. oudindisch vepate [hij beeft] (vgl. weifelen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wuiven ww., vgl. mnl. woeiven, weiven, wêven ‘heen en weer zwaaien’, in labiale omgeving is ui ontstaan uit ei. Dus uit te gaan van *waiƀjan, vgl. oe. wæfan, ‘omwikkelen’, on. veifa ‘zwaaien, slingeren’, got. biwaibjan ‘omwikkelen’, waarnaast germ. *waiƀōn in ohd. weibōn ‘zwaaien, slingeren, zwerven’. — Zie verder: weifelen.

Een gelijke klankovergang in wuisteren ‘druk, rumoerig zijn’ naast Kiliaen weysteren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wuiven ww., niet bij Kil., mnl. woeiven (of = weiven “wuiven”? dit = on. veifa; zie weifelen). Met oorspr. dial. ui, ü voor mnl. wîven “zwaaien, wuiven” = on. vîfa; zie bij weifelen, wijf. In sommige diall. zooals ’t Zeeuwsch gaat iedere î tusschen labiale consonanten in ü over.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wuiven, mnl. weiven, woeiven ‘zwaaien’; blijkbaar identisch met ags. (be)wæ̑fan, got. bi-waibjan ‘omwikkelen’, on. veifa ‘ zwaaien, slingeren’: de ui (ui2, als in spuiten) is niet uit î, maar uit ei ontstaan. Met andere praesensvorming ohd. weibôn ‘zwaaien, schommelen, zwerven’. Vgl. weifelen en weifelen Suppl. Muller Tschr. 40, 157.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wuiven ono.w., met dial. ui uit ij vóór v, Mnl. wíven, waarbij factit. weiven + Ohd. weibôn (Mhd. weiben), On. veifa, Go. waibjan: van den st. graad van wrt. wif z. wippen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

wuif ww.
1. Waai (2waai 4). 2. Heen en weer swaai of beweeg.
Uit Ndl. wuiven (Mnl. weiven in bet. 1, 1573 in bet. 2).
Eng. wave (1375 in bet. 2).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wuif: – wuiwe – , (gew. m. d. hand) waai; Ndl. wuiven (na Kil), herk. onseker, misk. verb. m. weifel – is verb. m. Eng. ww. wave uitgesluit? vgl. ook wuf.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wuiven, van den Germ. wt. wip, zie Wippen; het riet wuift = waait, gaat heen en weer; vandaar: met den zakdoek of de hand wuiven.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wuiven* zwaaien 1663 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut