Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wrok - (rancune)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wrok zn. ‘rancune’
Vnnl. Tis een oldt wrock ‘het is een oude wrok’ [1550; iWNT], oude wrocken vernuwen ‘oude wrokgevoelens nieuw leven inblazen’ [ca. 1560; iWNT].
Mnd. wrok, wruk ‘haat, vijandschap, ruzie’; nfri. wrok ‘id.’.
Afleiding met nultrap van de wortel van het sterke werkwoord → wreken.
wrokken ww. ‘wrok koesteren’. Vnnl. wrockende tweedracht ‘tweedracht vol wrok’ [ca.1600; iWNT]. Afleiding van wrok.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wrok* [rancune] {wrock 1599} middelnederduits wrok; bij wreken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wrok znw. m., eerst sedert Kiliaen en volgens hem Holl., vgl. mnd. wrok, wruk m. ‘haat, wrok, twist’. — Zie: wreken.

Opmerkelijk is de vorm wronck, wrongh ‘belediging, wrok’, die Kiliaen vermeldt; deze zal wel behoren bij ne. wrong ‘verkeerd, slecht’, dat ontleend is aan on. vrangr en met wringen samenhangt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wrok znw., sedert Kil., die ’t “Holl.” noemt. = mnd. wrok, wruk m. “haat, wrok, twist”. Met de oorspr. bet. “vervolging, lust tot vervolgen” bij wreken. Kil. wronck, wrongh “beleediging, wrok” zal wel bij wringen hooren evengoed als eng. wrong “verkeerd, slecht; kwaad dat men iemand aandoet” (zie bij wrang).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wrok m., + Ndd. id.: van denz. stam als 't v.d. van wreken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1wrok s.nw.
Stille, opgekropte haat.
Uit Ndl. wrok (1599).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wrok: s.nw. en ww., opgekropte haat; (as ww.) verbitterd wees; Ndl. wrok (by Kil wrock, d. hom as “Holl.” bestempel), wsk. verb. m. wreek (q.v.).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wrok, van wreken = zucht om te wreken uit haat.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wrok ‘rancune’ -> Engels wroke ‘haat, boosaardigheid’; Schots † wroke ‘rancune’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wrok* rancune 1550 [WNT Bijv.+verb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut