Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wringen - (draaiend samenknijpen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wringen ww. ‘draaiend samenknijpen’
Mnl. wringhen ‘samenknijpen’ in so dat men saen Die moste wringen ende dwaen ‘zodat men die (kleren) snel kon uitwringen en wassen’ [1265-70; VMNW], Hi wranc sine hande ende trac sijn haer ‘hij wrong zijn handen en trok aan zijn haren (van wanhoop)’ [1290; VMNW].
Os. wringan (mnd. wringen, en door ontlening nhd. wringen); ohd. ringan (nhd. ringen); nfri. wringe; oe. wringan (ne. wring); alle oorspr. ‘samenknijpen, samendraaien, uitpersen’, < pgm. *wringan- < ouder *wrengan-. Hoogduits ringen, dat ook in het Middelnederlands is geattesteerd, betekent van oudsher ‘worstelen’ en heeft dus al een vroege betekenisovergang ondergaan.
In de andere Oudgermaanse talen zijn er alleen ablautende afleidingen: on. rengja ‘verdraaien’ (nzw. vränga) < pgm. *wrangijan- (causatief) en got. wruggo ‘valstrik’ < pgm. *wrungō-.
Hiernaast staat een zowel in vorm als in betekenis slechts licht afwijkende wortel pgm. *wrenk-, geattesteerd als zwak werkwoord (< pgm. *wrankijan-) in: ohd. bi-renken ‘verzwikken, verdraaien (van een ledemaat)’ (nhd. aus-, ver-, einrenken); oe. wrencan ‘krachtig draaien, verdraaien’ (ne. wrench).
Verdere herkomst onzeker. Pgm. wreng- is mogelijk verwant met Grieks rhímpha ‘vlug’ < *wrémpha; Litouws reñgtis ‘zich moeizaak bukken, zich krommen; zich voorbereiden’, rangùs ‘behendig, flexibel’; < pie. *urengh- (LIV 700). Pgm. *wrenk- is mogelijk verwant met Latijn ringī ‘de tanden laten zien’ (< ‘de neus en/of de lippen verdraaien’?); en misschien Sanskrit abhi-vlaṅgá- ‘valstrik’; < pie. *ureng- (LIV 700).
Lit.: L. Schmidt (1961), Wringen - Dweran - Torquere: etymologische Untersuchungen, Münster

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wringen* [draaiend samenknijpen] {1265-1270 in de betekenis ‘wringen, persen, draaien, worstelen, kijven’} oudsaksisch wringan [persen], oudhoogduits ringan [zich inspannen, strijden], oudfries wringa, oudengels wringan [persen] (engels to wring); verwant met worgen, worm.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wringen ww., mnl. wringhen ‘wringen, drukken, worstelen, kibbelen’, os. ūtwringan ‘uitwringen, uitpersen’, ohd. ringan (zich inspannen, worstelen, strijden (nhd. ringen), oe. wringan ‘draaien, uitpersen’ (ne. wring). — Zie: wrang, wrong, wrongel en misschien gering.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wringen ww., mnl. wringhen “wringen, drukken, worstelen, kibbelen”. = ohd. ringan “zich inspannen, worstelen, strijden” (nhd. ringen), os. wringan (in ût-wringan “uitpersen, uitwringen”), ags. wringan “draaien, uitpersen” (eng. to wring). Met ablaut wrang, wrong (sedert ’t Oud-nnl.; = got. wruggo v. “strik”), wrongel, mnl. wronghele v. “gestremde melk” (ook ndd.). Zie nog bij wrok. De germ. basis wreŋʒ- (> wriŋʒ-), wraŋʒ-, wruŋʒ- staat tot werʒ-, warʒ-, wurʒ- (zie worgen) als spreŋʒ- (zie springen): idg. sperĝh-. Voor andere verwante bases zie rank III en werk II. Lit. reñgtis “zich buigen, zich inspannen” kan bij wringen hooren (NB. gh : ĝh; of heeft ook wringen misschien gh?) of bij rank III. Een basis wreŋq-, wroŋq- ligt wsch. aan on. , v. “hoek”, obg. rąka, lit. rankà “hand” ten grondslag, eventueel ook aan gotlandsch rang “hoek” en sommige der door ons direct met wringen gecombineerde woorden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wringen (slot). Of obg. rǫka, lit. rankà ‘hand’ ospr. wr- hebben, is zeer twijfelachtig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wringen o.w., Mnl. wringhen, Os. wringan + Ohd. ringan (Mhd. ringen, Nhd. id.), Ags. wringan (Eng. to wring): Germ. wrt. wring = zich met kracht draaiend bewegen: is een nasaleering van wrt. werg: z. worgen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wring: druk, draai; knel; Ndl. wringen (Mnl. wringhen), Hd. ringen, Eng. wring, hou verb. m. wrang (v. vrank), wrong, “haarvlegsel”, en wrongel, “gestremde melk”, en m. Eng. wrangle en wrong; v. worstel, wurg.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wringen, van den Germ. wt. wring = draaien, ineen-draaien, zich in bochten bewegen; bijv. het waschgoed wringen is dus: ineendraaien, samenpersen, vandaar ook fig. wrang. Afl. wrong = iets samengewrongens: een haarwrong, een gravenwrong; en wrongel = gewrongen, ineengeperst, gestremde melk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wringen ‘draaiend samenknijpen’ -> Negerhollands wring, frin ‘draaiend samenknijpen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wringen* draaiend samenknijpen 1265-1270 [CG Lut.K]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2003. Ieder weet het best, waar hem de schoen wringt,

d.w.z. ‘elk kent en gevoelt zyn eigen leed, dat andere menigmaal niet merken, want niemand hinkt aan een anders zeer’ (Tuinman I, 166) of, zooals Poirters, Mask. 308 zegt: ‘Niemandt en siet waer een ander den schoen wringht’. Deze zegswijze vinden we in de 16de eeuw bij Goedthals, 48: een yeghelyck weet best, waar hem zynen schoen dwinght, chascunt sent mieux son soullier; Prov. Comm. 347: een yeghelijck weet best waer hem sinen schoen wrinct, varius hoc egomet scio quo me calcius urget. Vgl. verder Cats I, 518; De Brune, 376: elck weet, waer dat de schoen hem wringt; Idinau, 185; V.d. Venne, 36: Yder weet waer hem de kleeren dwingen; Joos, 166; Harrebomée II, 254 a; Afrik. elkeen weet die beste waar die skoen hom druk. Plutarchus, V.P. Aemilii c. 5, p. 257 deelt mede dat, toen een Romeinsch edelman door zijne vrienden berispt werd, omdat hij van zijne schoone, kuische en rijke vrouw was gescheiden, hij zijn voet vooruitstak en zeide: et hic soccus quem videtis, videtur vobis novus et elegans, sed nemo scit praeter me ubi me premat. Zie Bebel, no. 333; Werner, 66: Omnis homo bene scit, ipsum quo calcius angit en vgl. het hd. jeder weiss am besten, wo ihn der Schuh drückt; fr. chacun sait où le soulier le blesse; eng. none knows where the shoe pinches so well, as he that wears it; Wander IV, 351-352; Eckart, 472; Grimm IX, 1847; vgl. het fri.: elk wit sels bêst hwêr 't him de skoech twingt; Twente: ieder weet, woar 'm de schoo knip; in Zuid-Nederland: weten waar de schoe duwt (De Bo, 998 a), douwt of nijpt (Antw. Idiot. 1082). Zie Ndl. Wdb. XIV, 745.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut