Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wrat - (huiduitwas)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wrat zn. ‘huiduitwas’
Onl. wratt ‘wrat’ [ca. 1150; Claes 1994a]; mnl. wratte ‘wrat’ [1240; Bern.], algemener ‘knopvormig uitsteeksel op de huid’, ook warte, worte, in der mede selmen dicken smeeren die warten ‘daarmee moet men de wratten vaak insmeren’, So wassen .2. worten entie geliken worten van vrouwenborsten ‘evenzo groeien twee knopvormige uitsteeksels en die lijken op tepels van vrouwenborsten’ [beide 1351; MNW-P]; vnnl. wratten des fondements ‘aambeien’ [1543; MNW], wrat ‘wrat’ [1552; iWNT].
Mnd. wratte, warte; ohd. warza (nhd. Warze); ofri. warte (nfri. wart); oe. wearte, wart (ne. wart); on. varta (nzw. vårta); alle ‘wrat, knopvormig uitsteeksel op de huid’, < pgm. *wartō(n)-. Met vergelijkbare betekenis staat daarnaast *warza-, waaruit: oe. wearr ‘eeltknobbel’ en nhd. dial. Wern ‘gerstekorrel’; en pgm. *werznō-, waaruit ohd. werna, werra ‘spatader’.
Pgm. wart- is verwant met: Perzisch bālū ‘wrat’ (< Proto-Iraans *vard-); Lets ap-virde ‘abces’; Oudkerkslavisch vrědŭ ‘eczeem’ (Russisch vero. véred ‘abces’); < pie. *uord-, *uerd-. Men beschouwt pie. *uers-, *urs- (IEW 1151) meestal als nevenvorm: pgm. *warz- (met grammatische wisseling, zie boven); Latijn verrūca ‘wrat’; Sanskrit várṣman ‘top’; Litouws viršùs ‘id.’; Oudkerkslavisch vrĭchŭ ‘id.’. De oorspr. betekenis lijkt dus ‘verhoogde plek’.
De Nederlandse vorm is opmerkelijk vanwege de opgetreden r-metathese *wart- > wrat-, terwijl men bij een dergelijke vorm eigenlijk geen verandering verwacht (als in → zwart < *swarta-) of alleen een verandering van de klinker (als in → waard 1 < *werþa-, → waard 2 < *werdu- en → woord < *wurda-). Vormen zonder metathese, zoals wart(e), wert(e), wort(e), woort, komen nog wel in de dialecten voor.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wrat* [huiduitwas] {wratt ca. 1150, wart(e) 1351} (de vorm wratt(e) met metathesis), vgl. oudsaksisch warta, oudhoogduits warza, oudfries warte, oudengels wearte (engels wart), oudnoors varta; buiten het germ. latijn verruca, litouws viršus [top], oudkerkslavisch vrĭchŭ [idem], oudindisch varṣman- [hoogte].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wrat znw. v., mnl. wratte, worte, warte v. ‘wrat, tepel, speen’, Kiliaen werte, wratte, os. warta v. ‘tepel’ ohd. warza (nhd. warze) v. ‘wrat’, ofri. warte, oe. wearte (ne. wart), on. varta v. ‘wrat’. — Afl. van idg. wt. *u̯er ‘hogere plaats in het land of op de huid’, vgl. vla. warre ‘eelt, wrat’, oe. wearr m. ‘eelt’, ohd. werra ‘spatader’, vgl. ofri. wersene, wirsene v. ‘rimpel’, ook afr. were, oe. weler, on. vǫrr, got. wairilo ‘lip’, vgl. opr. warsus. — lat. varix ‘spatader’, varus ‘pukkel’, verruca ‘wrat’, lit. viras ‘gortigheid in varkensvlees’, oiers ferb ‘blaar, puist’ (Wood JEGPh 13, 1914, 507 en IEW 1151), waarschijnlijk ook toch. Β y-weruwelñe ‘opzwelling, huidblaar’. — > ne. wrat (sedert 1527, nu nog. dial. vgl. Bense 603).

De metathesisvorm wrat is opmerkelijk (hypercorrect?); in de dial. vinden wij woert, woort (noordholl.), wart(e), wert(e), wort(e) (vla.), (r)t, we(r)t (kempens), wært (goerees), zie daarvoor de taalkaart bij Heeroma Ts. 56, 1937, 260-263. — Zie verder de kaart Nr. 6 in K. Heeroma, Taalatlas van Oost-Nederl. — Voor de overname van dit woord in een deel van Mecklenburg, Pommeren en de Altmark vgl. Teuchert Sprachreste 324-5. — Met nl. kolonisten dit woord ook naar het Weichselgebied gekomen, vgl. Mitzka, Album Blancquaert 1958, 222.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wrat znw., met metathesis (vgl. bij werken over mnl. wrachte, wrochte) naast dial. wæ̂rt (Goeree), wā̊rde (Achterh.), woert en woort (N.Holl. dial.), wart(e), wert(e), wort(e) (vla.), (r)t, we(r)t (Kemp.); Kil. werte, wratte, mnl. wratte, worte, warte v. “wrat, tepel, speen”. = ohd. warza (nhd. warze) v. “wrat”, os. warta v. “tepel”, ofri. warte, ags. wearte (eng. wart), on. varta v. “wrat”. Met nperz. bâlû “id.” van een idg. basis werd- “zich verheffen”, waarnaast: werdh- in oi. vardhati “hij groeit”, — wers- in ags. wearr m. “eelt” (zie verweren; hierbij misschien ohd. wërna v. “varix” < *werznô-), ier. ferr “beter”, kymr. gwarr “cervix, occipitium”, lat. verrûca “wrat, bult”, gr. hérma “klip”, obg. vrŭchŭ, lit. virszùs “top, bovenste deel”, oi. várṣman- “hoogte, top”, — wre-i-s- (zie reus). De kortere basis wer- misschien in gr. aeírō “ik hef op”, phryg. hórou; ánō.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wrat. Bij ags. wearr enz. (zie verweren en verweren Suppl.) wsch. ook ofri. wersene, wirsene v. ‘rimpel’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wrat v., Mnl. wratte, warte, Os. warta + Ohd. warza (Mhd. warze, Nhd. id.), Ags. wearte (Eng. wart), Ofri. warte, On. varta (Zw. vårta, De. vorte) = uitwas; vertoont den st. graad van denz. wortel, welks zw. gr. in wort en wortel voorkomt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vrat s.nw.
1. Harde, eeltagtige uitgroeisel op die vel. 2. Knobbel aan 'n boom of sy wortels.
Uit Ndl. vrat, 'n wisselvorm van wrat (1552 in bet. 1, 1726 in bet. 2).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vratjie: gew. dim., eeltagtige uitgroeisel aan mens, dier en plant; Ndl. wrat (Mnl. o.a. wratte/warte, ook dial. wv. m. metat. en a, e en o), Hd. warze, Eng. wart, hou verb. m. Lat. verrūca, “vratjie; bult, knop”, Gr. (h)érma, “klip” – oor wr/vr v. vrank.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wrat (vroeger ook warte, met methatesis) behoort tot de familie van wort = gewas, uitwas; zie Wortel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wrat ‘huiduitwas’ -> Engels † wrat ‘huiduitwas’; Duits dialect Wratt, Wratte ‘huiduitwas’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wrat* huiduitwas 1150 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut