Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wrang - (zuur)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wrang bn. ‘zuur; onaangenaam’
Mnl. wranc ‘onvriendelijk, bars’ in negheenen vogel es soe wranc ‘tegenover geen enkele vogel is ze (de tortelduif) vijandig’ [1287; VMNW], ‘zuur’ in vele wranger dan enich zuerinc wesen mach ‘veel zuurder dan enige zuring kan zijn’ [1450-1500; MNW]; vnnl. wrangh, wranck van smaeck [1599; Kil.], ‘bitter’ in wranghe dood ‘bittere dood’ [1610-19; iWNT].
Mnd. wrank ‘bars; zuur, bitter’; nfri. wrang ‘id.’; oe. wrang ‘krom, gebogen’ (me. wrange, wronge ‘afwijkend, verkeerd, onrechtvaardig e.d.’, ne. wrong is wrsch. uit het Scand. geleend); on. (v)rangr ‘krom, gebogen; verkeerd’ (nzw. vrång); < pgm. *wranga-.
Verbaaladjectief bij het sterke werkwoord → wringen. Oorspr. moet het woord een ruimtelijke betekenis hebben gehad: ‘(stevig) verdraaid’ en vandaar ‘krom, afwijkend’. De Nederlandse en Nederduitse betekenis ‘zuur, bitter’ kan zijn ontstaan uit ‘een vertrokken mond veroorzakend’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wrang1* [zuur] {wrange, wranc [wrang, bars] 1287} middelnederduits wrank, oudnoors rangr [scheef, verkeerd]; afgeleid van wringen, d.w.z. ‘de mond vertrekken’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wrang 3 bnw., mnl. wranc ‘wrang, zuur, bars, spijtig’, mnd. wrank ‘wrang, zuur’, on. rangr ‘scheef, verkeerd’ (> ne. wrong). — Afl. van wringen. — Voor de bet. dus uitgaan van een scheeftrekken van de mond door de wrange smaak.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wrang bnw., mnl. wranc(gh) “wrang, zuur, barsch, spijtig”. = mnd. wrank “id.”, on. rangr “scheef, verkeerd” (uit ’t Noorsch eng. wrong). Bij wringen. De bet. “wrang” gaat op “den mond verwringend, scherp” terug: vgl. scherp, bijtend in dgl. overdr. bet. Denzelfden vocaaltrap vertoont mnd. wrange v., ags. wrong, wronga m., on. rǫng v. “kniehout, kromhout”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wrang. Dezelfde vocaalphase in Kil. wranghe ‘winde’, ook in de 17e eeuw vermeld. Vgl. Pauwels Bloemnamen 74.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wrang 2 bijv.(bijtend), Mnl. wranc + On. rangr (Zw. vrång, De. vrang = krom, verkeerd): van denz. stam als ’t (oud) enk. imp. van wringen. In ’t Ndl. alleen actieve bet.: wat wringt, samentrekt. Uit On., Ags. wrang = ongelijk (Eng. wrong = ongelijk hebbend).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vrank b.nw.
Wrang.
Uit Ndl. wrang (uitspraak: vrang) (Mnl. wranc), met verskerping van -ng tot -nk aan die woordeinde.

wrang b.nw.
Vrank, suur, bytend onaangenaam.
Uit Ndl. wrang (Mnl. wrange), 'n afleiding van wringen 'verwring', na aanleiding daarvan dat die mond vertrek of verwring word by die proe van iets met so 'n smaak. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

rank wrang, zerp, ransig (West-Vlaanderen). « Romaans, waar de k, die in lat. rancidus ‘ransig’ aanwezig was, in het Pic. bewaard bleef, in tegenstelling tot fra. rance ‘ransig’.
De Bo 791 (ziet echter identiciteit met wrang).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

rank, rankig (DB: FV), bn.: wrang, zerp, zuur. Mnl. wranc, Vroegnnl. wrangh, wranck van smaeck ‘adstringens, austerus, asper gustu’ (Kiliaan). Mnd. wrank, On. rangr scheef, verkeerd’. Rank met r < wr, zoals vaak in FV (De Bo) en zoals altijd in het D. (wrijven >< reiben). Wrang < wringen wijst op het verwringen, vertrekken van de mond.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vrank: doeb. v. wrang, “suurderig”; Ndl. wrang (Mnl. wranc), Eng. wrong (uit Skand., vgl. On. rangr, “verkeerd”), hou verb. m. wring, “draai; druk” – oor Ndl./Afr. wr/vr vgl. vratjie, vroetel, vrywe, en oor ausl. ng/nk vgl. jong/jonk en lang/tank; v. ook wrong, wrongel.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wrang, van wringen = samentrekken, bijten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wrang ‘zuur’ -> Frans dialect † vran ‘selderie (Apium graveolens; de plant heeft een zure smaak)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wrang* zuur 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal