Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wraak - (vergelding)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wraak zn. ‘vergelding’
Onl. wrāka ‘wraak, vergelding’ in so he gesiet uuraca ‘als hij de wraak ziet’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. wrake ‘vergelding’ [1240; Bern.], dat hi haestelic wraec doen sal over hem ‘dat hij hun snel recht zal doen’ [1399; MNW-P], wraeck te doen mitten handen ‘eigenhandig wraak te nemen’ [1466; MNW-P].
Afleiding van de wortel van het sterke werkwoord → wreken.
Os. wrāka (mnd. rake); ohd. rāhha (nhd. Rache); ofri. wrēke, wrētze (maar nfri. wraak, wrake is ontleend aan het Nederlands); alle ‘vergelding’; on. rák ‘wegdrijven van vee’; < pgm. *wrēkō-. Daarnaast ablautend *wrakō- ‘vergelding’, waaruit: oe. wracu ‘wraak, straf’; got. wraka ‘vervolging’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wraak* [vergelding] {oudnederlands wraca 901-1000, middelnederlands wrake} oudsaksisch wraka, oudhoogduits rāhha, oudengels wrăcu, gotisch wrăka, wrēka (vgl. wreken).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wraak znw. v., mnl. wrâke v., onfrank. wrāca, os. wrāka, ohd. rāhha (nhd. rache), ofri. wrēke, wrētze v. ‘wraak, straf’. — Verbaalabstract bij wreken. — Naast vormen met â staan andere met ǎ, zoals oe. wracu v., ‘wraak, straf’, got. wraka v. ‘vervolging’; dit maakt het mogelijk de a van mnl. wrake als een rekkingsklinker op te vatten (vgl. van Haeringen Suppl. 198).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wraak znw., mnl. wrâke v. = onfr. wrâca, ohd. râhha (nhd. rache), os. wrâka, ofri. wrêke, wrêtze v. “wraak, straf”. Bij wreken; een formatie als spraak. Vgl. nog got. wrekei v. “vervolging”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wraak. De â van mnl. wrâke staat niet vast. Met het oog op got. wraka v. ‘vervolging’, ags. wracu v.’wraak, straf’ zou het ook ā kunnen hebben, terwijl onfr. wraca = ags. wracu kan zijn. Onzeker van vocalisme ook ofri. wretze, dat zeer wel met ĕ = got. wrakja v. ‘vervolging’ kan zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wraak 1 v. (vergelding), Mnl. wrake, Onfra. wrâca + Hgd. rache van denz. stam als 't meerv. imp. van wreken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1wraak s.nw.
Handeling van te wreek.
Uit Ndl. wraak (Mnl. wrake). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wraak I: s.nw., vergelding; Ndl. wraak (Mnl. wrake), Hd. rache, hou verb. m. veroud. Eng. wreak, maar verb. m. wrath en wroth word betwyfel, v. ook wraak II, wreed en wreek, asook wrok.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wraak, van wreken.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wraak* vergelding 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut