Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

woudaap - (vogelsoort)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

Het WNT dateert de oudste attestatie van de vogelnaam woudaapje op 1763. Een eeuw eerder komt de naam wout aep al voor op een tweetal aquarellen van Pieter Holsteyn (niet bekend of het senior of junior is: sr. leefde van ca. 1585-1662 en jr. van 1614-1673). Zie deze en deze links naar de beeldbank van het Noord-Hollands Archief.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

woudapie s.nw.
Seldsame watervoël.
Uit Ndl. woudaapje (1763), wsk. 'n verbastering van woudhopje, volgens die WNT mntl. so genoem n.a.v. die manier waarop die voël tussen riete in die woud hop of opspring. Dit lyk egter onwaarskynlik omdat die eerste optekening van woudhopje eers sestig jaar na dié van woudaapje was.

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

WOUDAAPIxobrychus minutus
Duits Zwergrohrdommel
Engels Little Bittern
Frans Butor blongios
Fries Lytse Reiddomp
Betekenis wetenschappelijke naam: zeer kleine harskleurige bruller. ‘Woud’ is het riet waarin deze vogel leeft en ‘aapje’ is ingegeven door de handige manier van klauteren langs de rietstengels. Dialectvarianten zijn Woudhopje en Woudôp. Misschien is hier verband met wedehoppe d.i. ‘boshuppelaar’ (zie bij Hop). Het lijkt overigens meer voor de hand liggend dat men aanvankelijk op het geluid van de in het verborgene levende vogel afging in plaats van op het gedrag. Aanvankelijk was z’n roepnaam Wouwaapje. De roep klinkt n.l. als een herhaald ‘wouw’ een soort blaffend geluid. Zo ontstonden ook de volksnamen Blafhond, Waffer (Fr), Woffer (Fr) en Vleethond (Nie), dat kan zijn een ‘vliethond’ of een ‘schippershondje’. Zowel uit de genus-naam als uit diverse volgende namen van het Woudaapje blijkt dat hij wegens z’n geluid tevens als bruller (brychus) of ‘boe-roeper’ wordt aangemerkt, dit evenals de Roerdomp, die overigens aanzienlijk groter is. Wij noemen Houtpitoor (hout = woud), Houtbutoortje, Woudpitoortje, Kleine Butoor, Kleine Roerdomp – vergelijk Friese naam , Dwergroerdomp, Putoor (OZV) en Puteur (ZVl). Nog een paar namen die hij deelt met de Roerdomp – zie aldaar – zijn Ieperon (Ach) en Ivezomp (Ach). Opvallend is de naam Egyptisch Rêgerke (ZVl) dan wel Egyptisch Reigertje. Hier is de vogel genoemd naar Woudaapjes die in de Nijldelta voorkomen.

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

woudaap: iemand met een verwilderd uiterlijk; ook: ‘lomp en onbeschoft persoon’. Aantekening bij Samuel Coster (Boere-klucht van Teeuwis de boer, en men juffer van Grevelinckhuysen, 1612). Zie ook opmerkingen onder aap*.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut