Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wortel - (ondergronds deel van een plant; groente; (taalk., wisk.) grondvorm)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wortel zn. ‘ondergronds deel van een plant; groente; (taalk., wisk.) grondvorm’
Mnl. wortele ‘ondergronds deel van een plant’ [1240; Bern.], Alle guode wortele sin nu tidich ‘alle goede (d.w.z. eetbare) wortelen zijn nu geschikt’ [1253; VMNW], de wortel vander wilder roesen saldi ghenesen ‘de wortel van de wilde roos zal je genezen’ [1287; VMNW], ‘basis van een lichaamsdeel’ in haer. nagle. ende tande ... dat die wortelen gaen In ‘haar, nagels en tanden ... dat de wortels lopen door ...’ [1340-60; MNW-R], ‘basis, oorsprong’ in ets wortle delc (lees: der) leuentheit ‘het is (de) wortel van de levenskracht’ [1340-60; MNW-R], ‘grondtal van een kwadraat’ in Om te vinden die wortel van numerus quadratus ‘om de (vierkants)wortel van een kwadraat te vinden’ [1445; Kool].
Mnd. wortele; ohd. wurzala (nhd. Wurzel); ofri. wirtel, wortel (nfri. woartel, wurtel); oe. wyrtwalu, wyrtwala; alle ‘wortel van een gewas’; < pgm. *wurt-walu-, letterlijk ‘plantenstok’.
Het eerste lid is pgm. *wurta- (ook wurtō-) ‘kruid, gewas’, waaruit: onl. wurt ‘id.’; os. wurt ‘id.’ (mnd. wort, wurt ook ‘kruiderij, specerij’); ohd. wurz ‘kruid, gewas, kool, gras, wortel’, wurze ‘wortel’ (nhd. Wurz ‘kruid, gewas’ in samenstellingen, bijv. Bitterwurz ‘bitterkruid’, Siegwurz ‘gladiool’); oe. wyrt ‘kruid, gewas’ (me. wort ook ‘kool’, ne. alleen in samenstellingen, bijv. bladderwort ‘blaasjeskruid’, mugwort ‘bijvoet’); on. urt ‘kruid, gewas’ (nzw. ört); got. waurts ‘wortel’.
Het tweede lid is pgm. *walu- ‘stok’, waaruit: ofri. walu-, wal(e)- ‘id.’ (in walubera, ‘stafdrager, pelgrim’); on. völr ‘id.’ (nzw. val); got. walus ‘id.’. Opvallend is wel dat oe. walu alleen ‘striem van een zweepslag’ en ‘langwerpige ophoging (van aarde of stenen)’ betekent en in de betekenis ‘stok’ niet is geattesteerd.
In de continentaal West-Germaanse talen zal de samenstelling al zeer vroeg niet meer begrepen zijn geweest, waarna -w- na medeklinker kon wegvallen, zoals ook in → burger < pgm. *burg-warja- en in oude Germaanse eigennamen op -olf en -ald (uit -wolf resp. -wald), bijv. Rudolf en Harald.
Pgm. *wurt- en de ablautende vorm *wrōt- (oe. rōt ‘wortel’ (ne. root); on. rót ‘id.’ (nzw. rot ‘id.’) gaan terug op respectievelijk pie. *urh2d-, *ureh2d- (IEW 1167) en zijn verwant met: Latijn rādīx (zie → radijs); Grieks rhā́dīx ‘tak’; Proto-Keltisch *wrid(n)ā- ‘wortel’ (Oudiers frēn, Welsh gwraidd); Albanees rrënje ‘wortel’. Misschien zijn ook Latijn rāmus ‘tak’ en rāmes ‘stok’ verwant (met achtervoegsel en met assimilatie -m- < -dm-).
De oorspr. betekenis ‘ondergronds deel van een plant’ is ook nu nog steeds de hoofdbetekenis van dit woord. Het gewone meervoud is in de standaardtaal wortels, maar bij eetbare wortels en i.h.b. bij de peen spreekt men ook van wortelen. Het betekenisaspect ‘basis van waaruit de plant groeit’ kon zich gemakkelijk uitbreiden tot ‘basis van waaruit iets groeit of voortkomt’, zoals in haarwortel, tandwortel, de wortel van alle kwaad, ergens zijn wortels (‘oorsprong’) hebben, en nog algemener ‘grondvorm’, zoals in de wiskunde ‘getal dat, vermenigvuldigd met zichzelf, een gegeven waarde oplevert’ en in de taalkunde ‘gereconstrueerde grondvorm van een verzameling verwante woorden in een of meer talen’.
Lit.: Schrijver 1991, 182-183

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wortel* [onderste deel van gewas] {wortel(e) 1201-1250; in de wiskundige betekenis 1445} middelnederduits wortele, oudhoogduits wurzala, oudengels wyrtwala; het woord is een samenstelling van een eerste lid middelnederlands wort(e), oudnederlands wurti [kruid], oudsaksisch wurt [wortel], oudhoogduits wurz, oudengels wyrt, oudnoors urt, jurt [kruid], gotisch waurts [wortel]; buiten het germ., met verlies van de anlautende w, latijn radix, (< ∗vradix), grieks riza, (< ∗wriza) [wortel]; voor het tweede lid vgl. gotisch walus [stok], verwant met walen en dus wel met de betekenis ‘rond’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wortel znw. m., mnl. wortele, wortel v. mnd. wortele v., ohd. wurzala (nhd. wurzel), oe. wyrtwalu v., wurtwala m. — De laatste vormen wijzen op een samenstelling van wort + germ. *walu-, vgl. on. vǫlr, got. walus ‘staf’ = mnd. wal, ofri. oe. walu (ne. wale) ‘striem’, waarvoor zie: walen. — Het woord betekent dus ‘wortelstok’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wortel znw., mnl. wortel(e) v. (wertel(e), eer een jonge bijvorm dan een oude ablautvorm). = ohd. wurzala (nhd. wurzel), mnd. wortele v., ags. wyrtwalu v., -a m. Een samenst. van *wurti- en *walan-, *walô(n)-, dat bij got. walus “stok” enz. (zie walen) hoort. Germ. *wurti-, Kil. “worte. vetus. j. wortel”, mnl. wort(e), onfr. wurti, wirte (i < ü) mv. “herba, holera”, ohd. wurz v. “kruid, plant” (nhd. wurz), os. wurt, ags. wyrt v. “id., wortel”, on. urt v. “kruid”, got. waúrts v. “wortel” gaat terug op idg. *werdi- (*wṛdi-) of *werǝdi- (*wṛ̂di-). Hiernaast germ. *urti- in got. aúrti-gards m. “tuin” (> obg. vrŭtogradŭ), ags. ort-geard m. “boomgaard” (eng. orchard), waarbij ohd. orzôn “planten” (en gloss. bern. orkenere “tuinier”, lees * ortenere?); verder on. rôt v. (> eng. root) “wortel”. Buiten ’t Germ. zijn verwant: ier. frêm (werd-mu- of *wred-mu-) “wortel”, kymr. gwraidd “wortels”, lat. râdîx (râ- òf uit idg. wrâ- – vgl. on. rôt – òf uit werǝ-) “wortel”, gr. ríza “id.”, rádamnos “jonge tak”, (arm. arm “wortel”? Dan een gewijzigde vorm). Misschien bij den wortel van wroeten (“wortel, tak” < “’t kronkelend voortgroeiende”); volgens anderen bij dien van wrat. Zie roede.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wortel. Achter ags. wyrt in parenthesi toe te voegen “eng. wort”. Dit ags. woord ook = ‘ongegiste drank, most’; in deze bet. wellicht als -stam te beschouwen: vgl. met soortgelijke bet. mnl. worte v. (wort o.?), nnl. † wort.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wortel m., Mnl. id. + Ohd. wurzala (Mhd, wurzel, Nhd. id.), Ags. wyrtwalu: blijkens dezen laatsten vorm, niet een dimin. op -l, maar een samenst. met wort, Os. wurt enz. (besproken bij wort) en Go. walus enz. = stok (besproken bij wel 2.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1wortel s.nw.
1. Voedingsorgaan van 'n plant wat in die grond indring. 2. Plant met 'n verdikte wortel wat as groente geëet word. 3. (wiskunde) Getal wat gelyk is aan 'n bepaalde getal as dit 'n sekere hoeveelheid keer met homself vermenigvuldig word. 4. (taalkunde) Vaste woordgedeelte waaraan verbuigingsuitgange geheg word.
Uit Ndl. wortel (Mnl. wortele in bet. 1, 1525 in bet. 2, voor 1620 in bet. 3, 1653 in bet. 4), in bet. 3 en 4 so genoem omdat die funksie of waarde daarvan aan dié van 'n wortel herinner deurdat dit die kern of oorsprong van iets vorm. Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884) in die afleiding wortels.
D. Wurzel (9de eeu).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wortel: s.nw. en ww., voedingsorgaan v. plant in grond; eetbare plant; uitgv. v. ’n wd.; bep. wisk. getal; (as ww.) indring (in grond), vasheg aan/ontw. uit (voedingsbodem); Ndl. wortel (Mnl. wer-/wortel(e), by Kil wortel), Hd. wurzel, Got. waurts, nog in eerste lid v. Eng. orchard (vgl. Afr. boord), hou verb. m. Lat. radix en Gr. (h)riza, “wortel”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

wortel ‘wortel van een getal’ (bet. van Latijn radix)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Met wortel en tak uitroeien, volledig en grondig doen verdwijnen.

Maleachi 3:19 (NBV; NBG-vertaling Maleachi 4:1) stond model voor de uitdrukking met wortel en tak: 'Die dag zal zeker komen, brandend als een oven. Wie hoogmoedig zijn of wie zich goddeloos gedragen, zullen dan slechts stoppels zijn die door de hitte van die dag worden verschroeid - zegt de HEER van de hemelse machten. Geen wortel of tak zal er van hen overblijven' (NBV). Gewoonlijk spreekt men van met wortel en tak uitroeien, wanneer men iets volledig wil laten verdwijnen; een zekere dwang of gewelddadigheid is de uitvoering daarvan meestal niet vreemd.

Statenvertaling (1637), Maleachi 4:1. Ende de toekomstige dach salse in vlamme setten, seyt de HEERE der heyrscharen, die hen noch wortel, noch tack laten en sal.
De Turkse autoriteiten hebben zich voorgenomen deze zomer een eind te maken aan de Koerdische opstand, dat wil zeggen de PKK met wortel en tak uit te roeien. (NRC, mei 1994)
We zijn het aan de miljoenen doden die vielen in de strijd tegen dit demonendom en de generaties die na ons komen verplicht om dit kwaad [neonazisme] in een zo vroeg mogelijk stadium met wortel en tak uit te roeien. (Meppeler Courant, apr. 1995)

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Wortel (< Lat. radix = wortel van een plant). Dat deze botanische term in de wiskunde de dubbele betekenis van „vier-kantswortel (en daardoor i.h.a. ne wortel) van een getal” èn die van „wortel van een vergelijking” kon krijgen, is te verklaren, doordat bij Arabische mathematici vaak het quadraat van de onbekende van een vergelijking, dus x2, als de hoofdonbekende (aangeduid door mâl = som geld, vermogen) werd beschouwd. De bijbehorende waarde van x werd nu als de wortel (ğadhr of ğidhr; < Ind. mûla = wortel van een plant) opgevat, waaruit de mal als het ware gegroeid was. Daar zij echter tevens de waarde van de eigenlijke onbekende voorstelt, waarvoor aan de vergelijking is voldaan, kreeg het woord wortel van den beginne af de boven aangegeven dubbele betekenis.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wortel, van een Idg. woord: wrad = jonge loot, rank, vgl. ’t Gr. en Lat. radix (voor wradix) = ons radijs (wortel). Zie Wrat.
Het woord wortel zelf was Ohd. wurzala, Angels, wyrt-walu, waarin wort, Hgd. Wurz, Os. wurt bet.: kruid, gewas, plant, en walu = stok, Got. walus = staf. Het woord bet. dus naar zijn verholen samenstelling: kruid-stok.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wortel ‘groente’ -> Indonesisch bortel, wortel ‘groente’; Jakartaans-Maleis bortol ‘groente’; Javaans bortel ‘groente’; Madoerees wortēl ‘groente’; Madoerees mortēl ‘beetwortel’; Soendanees boktĕl ‘groente’; Negerhollands wortel, wolter, woltə ‘groente’; Skepi-Nederlands wotl ‘groente’; Papiaments wòrtel ‘groente’.

wortel ‘onderste deel van gewas’ -> Negerhollands wortel ‘onderste deel van gewas’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wortel* onderste deel van gewas 1240 [Bern.]

wortel* groente 1410 [MNW]

wortel* in de wiskunde 1445 [Kool]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

696. Gierigheid (of hebzucht) is de wortel van alle kwaad,

d.w.z. uit hebzucht en vrekkigheid vloeien alle ondeugden voort. Ontleend aan I Tim. 6, vs. 10: Want de gelt-giericheyt is een wortel van alle quaet. Vgl. Doct. II, 419:

Met ghiereghen ende vrecken, wats gesciet,
En seldi vrienscap hebben niet;
Want ghierecheit, als Paulus seit,
Es wortele van alre quaetheit.

Zeeman, 233: Otto, 51; Wander I, 1455; fri. gjirrichheid is de wirtel fen 't kweade; fr. l'oisiveté est la mère de tous les vices; hd. Geiz ist eine Wurzel alles Uebels; eng. the love of money is the root of all evil.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut